M.C. Escher

Brieven aan Artur

Brieven aan Artur 1955 - 1957

De beslommeringen rond het nieuwe huis, de drukte die het Escher bemoeilijkt zich op nieuwe prenten te concentreren, de boeken die hij leest, de mensen die hij ontmoet en ook talloze waarnemingen die hij telkens doet van wat er in de natuur om hem heen gebeurt, dit alles vindt zijn neerslag in de brieven aan Arthur. 

Baarn 22-1-1955 | 'Gek! deze wekelijkse berichten zijn een soort verademing voor mij, als contrast met de vele vervelende en moeilijke zakencorrespondentie die ik tot mijn spijt tegenwoordig moet voeren. Zoals ik wel dacht en de vorige week schreef, zijn wij nog steeds niet verhuisd; maar de verhuizer is nu tenminste gewaarschuwd en misschien lukt het om vrijdag aanstaande over te hevelen.  Er is, sinds een week geleden, veel sneeuw gevallen en het heeft tot gisteren toe gevroren. Nu is de dooi plotseling weer ingevallen en een vieze modder-sneeuw-massa ligt op straat, die, naar ik hoop, tijdig zal wegspoelen, vóór het opnieuw gaat opvriezen. Nauwelijks heb ik deze week een paar dagen achter elkaar wat kunnen werken aan een nieuwe prent die al maanden lang in mijn hoofd zit, of daar wordt me waarachtig weer een spaak in 't wiel gestoken, in de vorm van een soort opdracht om een bevrijdingsprent te maken in verband met de aanstaande viering van de tiende verjaardag van de bevrijding in mei. 't Is maar wat je een opdracht noemt, want, áls ik het werk aanvaard, dan moet ik dat, voor m'n fatsoen, gratis doen. De vraag voor mij is, of het hele geval me niet te veel tijd in beslag zal nemen, omdat ik nu eenmaal niet snel kan werken. Er zal eventueel (de plannen zijn nog niet volkomen vast) een enorme oplage gedrukt worden, met gratis uitreiking aan schoolkinderen bijvoorbeeld; ik moet dus terdege op mijn tellen passen en niet «maar zo» een prentje in elkaar flansen.  Ik krijg een maand bedenktijd en kan er dus nog af, maar ik vrees dat ik wel zal moeten.' 

Baarn 12-11-1955 | 'Voor zover het mogelijk was, heb ik moeizaam zitten tekenen aan het ontwerp voor mijn nieuwe litho. Dat kost een schrikbarende moeite als er nog voortdurend allerhande storingen plaatsvinden, in de vorm van: correspondentie in dat vervloekte Engels aan mijn onvolprezen mentor genaamd Alldredge; beslommeringen in verband met het huis (de bijbouw van een bergruimte achter de keuken is net klaar); het vechten met moeder over wat bewaard en wat weggegooid moet worden van ouwe Brieven aan Arthur 1955 - 1957 rommel uit Ekeby; het helpen van een Leger-des-Heils-«broeder», die een bende bedden, half kapotte meubelen, radio-ingrediënten, oude kleren en dergelijke komt afhalen met een reuze bakfiets, die onder die lasten bijkans bezwijkt; enz., enz., enz. God god, ik wou dat ik eens een beetje beter leerde tekenen! Wat kost het toch een inspanning en volharding om het goed te trachten te doen. Zo nu en dan ben ik het delirium tremens nabij van louter zenuwen. Het is eigenlijk alléén een kwestie van taai volhouden, met voortdurende, zo mogelijk onbarmhartige, zelfkritiek. Ik geloof dat het maken van prenten, zoals ik dat doe, bijna alleen een kwestie is van: het zo verschrikkelijk graag goed willen doen. Talent en zo, is eigenlijk voor het grootste deel maar lariekoek. De eerste de beste schooljongen met een beetje aanleg, kan misschien wel beter tekenen dan ik; maar wat hem meestal mankeert, is het taaie verlangen naar verwerkelijking, het knarsetandend koppig zijn en zeggen: ook al weet ik dat ik het niet kan, ik wil het tóch doen. Op raad van George ben ik begonnen te lezen in een boek van de beroemde Nobèlman Faulkner. Gelukkig in een Hollandse vertaling, want het Engels van deze heer is wel zo alles Jezus en godsgruwelijk moeilijk, dat ik er zeker niets van zou snappen. De Hollandse vertaling kost mij trouwens ook al moeite genoeg. Wat schrijft die man een ellenlange zinnen, met tussen- en bijzinnen, liefst met zo min mogelijk leestekens.' 

Baarn 27-11-1955 | 'Wat mijn persoonlijke ondervinding als individu betreft: de sterkste emotie en impressie die ik deze week beleefde, werd veroorzaakt door de lectuur van een roman van William Faulkner. George zegt dat jij ook door deze auteur getroffen bent. Zijn Engels is, voor mijn begripsvermogen in deze taal, echter zó moeilijk, dat ik zijn boeken, tot mijn spijt, in vertaling moet lezen. Een goede vertaling is echter beter dan een onbegrijpelijk origineel; het tweede boek dat ik van hem bezig ben te lezen in een prima vertaling heet Light in August. Dankzij de goede Engelse lessen die je op het lyceum hebt gehad, zul jij het wel in het oorspronkelijke kunnen begrijpen; als je dit boek niet kent, moet je het zien te krijgen (ik kan het je ook van hieruit trachten te zenden). Sinds jaren, waarschijnlijk sinds De Pest van Camus, las ik geen moderne roman die mij meer trof. Onder andere de psychologie van de moordenaar, enigszins te vergelijken met Dostojewsky's Raskolnikof, hoewel volkomen anders, is zeldzaam boeiend. Het hele negervraagstuk in het zuiden van de US, vind ik trouwens uitermate interessant en door Faulkner voor de eerste maal (wat mij betreft) duidelijk en begrijpelijk gemaakt. Daar heb je nou weer een van die zeldzame schrijvers, op wie je als leek geen enkele aanmerking durft te maken en die het gehalte van het gros van zijn collega's hevig drukt.'

Baarn 23-4-I955 | 'Ik werk de laatste tijd regelmatig verder aan een reeks nieuwe prenten; ben juist begonnen aan de derde sinds maart. Mijn Hol en Bol litho, waarin ik het probleem der «inversie» heb aangesneden, is nog niet ergens tentoongesteld, maar vermaakt mijn bezoekers blijkbaar wél, want ik heb er al drie exemplaren van verkocht. Aanstaande dinsdag moet ik een causerietje over mijn werk in 't algemeen houden voor de Rotary club van prof. Schouten, die destijds voorzitter was van het internationaal congres der mathematici en aan wie ik het idee voor die holderdebolder prent te danken heb.' 

 

GERIDDERD

Baarn 1-5-I955 | 'Drie dagen geleden werd mij, door de Gemeentesecretaris, een bezoek van de wethouder, Ros genaamd, aangekondigd voor de volgende ochtend. Gezien het warme weder en mijn drukke bezigheden, had ik mij niet in een speciaal net kostuum gestoken, maar was bezig, in mijn oude ribfluwelen broek en hemdsmouwen, te houtsnijden toen de heer Ros, samen met de secretaris, mijn atelier binnenkwam. Ik had geen flauw idee van het doel van hun komst. Misschien, dacht ik, willen ze een prentje van mij kopen om een wand van het gemeentehuis te versieren, of misschien moet ik voor de gemeente een opdracht je uitvoeren. Ik schoot mijn oude colbert jasje aan en zei, na handjes te hebben gegeven: Gaat u toch zitten, heren. Neen, zei de heer Ros, wij willen liever nog even blijven staan. En hij begon mij te vertellen dat de burgemeester tot zijn spijt ongesteld was en dat hij, Ros, hier in zijn plaats als loco burgemeester optrad. Ik dacht bij mijzelf: waarom moet hij dat toch staande mededelen en zei weer: Gaat u nu toch zitten, heren. Neen, zei Ros weer, wij moeten nog even blijven staan. Ik snapte er hoegenaamd niets van. Zou hij misschien een steenpuist op z'n derrière hebben? Toen kwam het hoge woord er eindelijk uit: hij had de eer om mij, uit naam van onze geëerbiedigde koningin, de ridder kentekenen van de Orde van Oranje Nassau aan te bieden. Terwijl ik stomverbaasd toekeek, haalde hij een prachtig oranje foedraal (zo heet zo'n doosje toch?) te voorschijn, waaruit een zilveren, met emaille ingelegd kruis te voorschijn kwam. Hij deed enige vergeefse pogingen om dit lijvige voorwerp mij op de borst te spelden, maar hij was te zenuwachtig, of de veiligheidsspeld wou niet in mijn revers prikken. Hoe dan ook, je pa is ridder, al is het dan ook niet van de kousenband. Hoe ze ter wereld er bij komen om mij deze «onderscheiding» te geven, is en blijft een raadsel. Ik hoop maar dat het geen vergissing is. Des avonds stond mijn naam in de krant vermeld, als één van de vele duizenden die jaarlijks, ter ere van koningin verjaardag, een lintje krijgen. Erg veel zaaks is dat ridderschap trouwens niet. Tezamen met mij kreeg Vestdijk de officiersonderscheiding van dezelfde Orde; dat is een dikke klasse hoger. En Van Beinum, de dirigent van het befaamde Amsterdamse orkest, werd ridder van de Nederlandse Leeuw, dat is nog een hoop mooier. Maar ter zake: had je ooit gedacht dat je pa, die zo ver van de woelige, intrigerende wereld leeft en dagelijks als een kluizenaar aan z'n prentjes zit te werken, ooit nog eens, zijns ondanks, zou worden gesleept in dit misselijke strijdtoneel van ijdeltuitige ambtenarij? Er is echter één ding, waar ze mij nooit toe zullen krijgen, namelijk tot het dragen van een lintje in mijn knoopsgat. Als ik een enkele maal in de tweede klas van de trein reis [er is dan nog een derde klas] als ik moe ben, dan zie ik daar soms van die belangrijke heren zitten met zulk een onderscheidingsteken en uit hun geposeerde houding en wellevend-neerbuigende glimlach, blijkt duidelijk het grote onderscheid tussen hen en de treurige anonieme massa met lege knoopsgaten. Maar wat wil je dat ik eraan doe? Gelukkig kan ik zweren, bij God en z'n engelen, dat ik er nooit een pink naar heb uitgestoken en nooit de hiel van een hoge ome heb gelikt.' 

Baarn 28-5-1955 | 'Sinds een week geleden zijn er enige voorvallen voorgevallen, die in verband met jou het vertellen waard zijn. Ten eerste bezocht ik, volgens mijn voornemen dat ik je vorige week aankondigde, het afscheidscollege van je pensionerende oom Beer. Voor een stampvolle zaal gaf hij een interessant overzicht van zo ongeveer de gehele door hem in vijfendertig jaren behandelde leerstof, met mooie lantaarnplaatjes geïllustreerd. Daarna kwam een aantal geleerde heren, waaronder prof. Oort, beroemd sterrenkundige zoals je weet, op allerhartelijkste wijze hem en zijn werk prijzen. Het was werkelijk allemaal hartelijk en eenvoudig gemeend (voor zover op te maken uit hun wijze van doen). Tijdens de daarop volgende receptie ontmoette ik onder anderen je baas, de heer Krol, die verheugd was over het plezier dat je in je werk toont te hebben. Misschien zal hij mij nog wel eens wat meedelen over de indruk die je blokdiagrammen voorlichting ten behoeve van het personeel in Den Haag heeft gemaakt. Verder verstuurt Schuyffheden een kistje met de drie eerste door je gewenste grammofoonplaten. Hij doet dat meer voor mensen in Indië en heeft dus ervaring op het gebied van verpakking. Ze gaan mee met de Willem Ruys, die 1 juni van Rotterdam vertrekt.

Nu moet ik nog eens eventjes mijn enthousiasme luchten over het boekje The Sea Around Us, geschreven door de dame Carson, waarover ik in mijn vorige [brief] al iets vertelde. Elke dag lees ik er een stukje in en het hinderlijke resultaat is vooreerst dat ik ziek van verlangen naar een bootreis word. Zij beschrijft dit liquide element, met een overzicht van alle facetten en problemen die ermee samenhangen, zó boeiend, exact en dichterlijk, dat ik er een beetje gek van word. Dit is precies het type lectuur waar ik, met het klimmen mijner jaren, het meest behoefte aan heb: een stimulans voor mijn ruimtelijk voorstellingsvermogen van onze moeder aarde, zonder te veel moeilijke begrippen voor leken, maar met een macht van gegevens, die tezamen een zeer duidelijk geestesbeeld scheppen. Ik word er hevig door geïnspireerd tot het maken van een nieuwe prent, die wel-is-waar niets direct met de zee te maken zal hebben, maar waarin ik, voor de zoveelste maal, zal proberen om mijn zin voor het suggereren van driedimensionale ruimte bot te vieren. 


Band, litho, april 1956

Uit hetgeen zij vertelt omtrent de grote plasticiteit der aardkorst, komt, voor mij, een visioen te voorschijn, van een gasvormige of (en) vloeibare bol, omgeven door een dunne korst vaste stof, die nog steeds aan allerlei vorm veranderende invloeden is blootgesteld. In verband daarmee vraag ik mij af: hoe dik stelt men zich die korst, of dat vlies van gestolde materie eigenlijk voor in vergelijking met de diameter van die bol? Dunner dan de dunne schil van een sinaasappel, maar dikker dan het huidje van een zeepbel. Doe mij het genoegen en schrijf eens hoeveel millimeter de gestolde aardkorst dik is, als de aarde een bolletje van een decimeter middellijn is. In het hoofdstuk dat ik nu aan het lezen ben, beschrijft zij de moeilijkheden der geologen, om de oorzaken na te gaan die, bijvoorbeeld, tot inkrimping van oceanen hebben geleid: behalve dat gedurende een ijsperiode de bevroren watermassa's aan de poolkappen water onttrekken aan de oceaankommen, zou het erosiemateriaal, dat door de rivieren zeewaarts wordt versleept, de zee bodem moeten opvullen, ware het niet, dat, door het lichter worden van de vaste bergkorst en het zwaarder worden van de zich opvullende zeebodem, het land stijgt en de zeebodem weer daalt. Voorwaar een ingewikkelde geschiedenis! Dit alles geeft mij een haast onweerstaanbare zin om weer eens te gaan dobberen in een vloeibare massa in plaats van steeds maar  op die zogenaamd vaste grond te lopen. Wat een fantastische gewaarwording is het op zo'n vrachtboot, als je je, 's nachts wakker wordend in je hut, opeens rekenschap kunt geven van dat contrast met je onwrikbare bed op het land, waarin je gewend bent om stil en horizontaal te liggen, terwijl je bed op zee voortdurend om die horizontaliteit heen schommelt.' 

Baarn 5-8-1955 | 'Mijn laatste brief dateert van meer dan een maand geleden, geloof ik. Sindsdien reisde ik drie weken op twee vrachtboten. Heen per Italiaanse G. Borsi, van de Tirrenia, van Rotterdam direct tot Savona. Antwerpen, dat wij hadden moeten aandoen, was onbereikbaar wegens staking. Terug ging ik van Genua met een Noorse vrachtboot van tienduizend ton, dus een hele knaap voor mijn ondervinding, via Marseille, Bilbao en Antwerpen, waar de staking inmiddels beëindigd was, weer naar Rotterdam. Zowel de heenreis in Italiaanse, als de terugreis in Noorse stijl, waren onbeschrijfelijk plezierig. Het contrast tussen die twee was treffend en droeg ongetwijfeld bij tot het vormen van een, voor mijn smaak ideale vakantie, vol afwisseling en sterke indrukken.' 

Baarn 18-9-1955 | 'Of het nu komt door beïnvloeding door jouw onderwatertaferelen, of als gevolg van mijn eigen zee en boot enthousiasme, het is een feit, dat ik momenteel in verband met mijn werk, zij het dan ook slechts in gedachten, onder water vertoef. Ik verlustig mij daarbij in een zeer uitgebreide school van vissen, die zich netjes, in «kubische formatie» (zou je het kunnen noemen) hebben opgesteld. Sommige zie ik van dichtbij, dus groot en felrood gekleurd. Andere iets verderaf en kleiner en zwakker gekleurd. Steeds verderaf en kleiner en waziger, terwijl hun rode kleur zich steeds meer en dichter bij de blauwgroene waterkleur bevindt, zodat tenslotte, helemaal in de verte, ze volkomen overgaan in de waterachtergrond. ' Begrijp mij goed: dat is allemaal nog maar fantasie en onverwelkelijke droom. Maar zoiets zou het moeten worden. Het is echter zo verdraaid moeilijk, dat ik dikwijls de laatste dagen de wanhoop nabij ben.' 


VISSENPRENT

Baarn 5-11-1955 | 'Ik wil mij, voor den donder, er eindelijk eens rustig voor zetten, om je te schrijven. Mijn laatste brieven waren allemaal gehaast. Het is té gek, hoe wij ons allemaal druk maken om dingen, die niet belangrijk zijn. Deze gedachte heeft mij zelden zó diep getroffen, als gistermiddag, toen ik meereed in de begrafenisstoet van mijn beste vriend Haasse, die plotseling, aan een hartspierscheuring, is overleden. Ik maakte, nog pas anderhalf jaar geleden, met hem kennis en onze vriendschap ontplooide zich sindsdien steeds breder. Wel is waar was hij mijn oudere in leeftijd (tien jaar) en mijn meerdere in levenswijsheid, maar des te meer had ik hem «nodig», was hij een vraagbaak en rustpunt in mijn onmiddellijke nabijheid. Er ging een warme mensen liefde van de twee eenheid, die hij met zijn vrouw vormde, uit. Hij was in staat om mij rust en aanvaarding te leren in allerlei preoccupaties en onzekerheden die mij soms plagen. Ik mis hem ontzettend.

En hij was nauwelijks dood, of daar raceten wij, met een vaart van meer dan honderd kilometer per uur, zijn omhulsel in een kist met ons meevoerende, over de overbelaste grote verkeerswegen van Holland, naar de inrichting waar hij zou worden gecremeerd. Ik had het gevoel dat het een haar scheelde, of er waren nieuwe doden gevallen op deze dodenrit. Maar ik ben dan ook geen «heer» maar een haas in het verkeer. Nu racen we maar weer verder, alsof er nooit Haasse geweest is. De laatste tijd vallen er telkens doden in de kleine kring van mensen waar ik genegenheid voor voel en het komt mij voor dat het leven een school is waarin men zich oefent in eenzaamheid. De mens die een lucide besef heeft van de wonderen die hem omringen en die geleerd heeft om eenzaamheid te verdragen, is een eind gevorderd op de weg naar de wijsheid, of heb ik het mis? Genoeg gefilosofeerd. Je fotografische bestellingen, vervat in je brief van 20-10, werden, wat het per vliegtuig te verzenden deel betreft, uiterst kundig door Jan uitgevoerd, dat wil zeggen licht, solide en anti-schokmatig verpakt. De rest, onder andere een zwaar blik met ontwikkel-poeier, staat te wachten op prijsopgave van Zandvoort, nodig voor de vele in te vullen douane en uitvoerpapieren. Zodra ik de prijzen weet (Z. wist ze zelf niet) gaan ze per schip.

Na schier eindeloze moeite beëindigde ik mijn nieuwe vissenprent. Hoewel ik er absoluut niet over tevreden ben (de eenvoud van de uit te drukken 'dieptes-suggestie", is dan ook wel één van de moeilijkste opgaven die ik mij ooit gesteld heb), kan ik het toch ook niet als volkomen mislukt beschouwen. Het gevoel, dat ik het gedaan heb, zo goed als ik maar kon, garandeert niets omtrent de kwaliteit, maar geeft rust. Ik zend je aanstaande maandag een afdruk ervan, laten wij zeggen: als speciaal verjaardagscadeautje van mij; verder zal er nog wel snoep komen of zo, per langzame zeeweg, maar zulk een licht rolletje kan wel door de lucht.

Ik vrees dat je waardering voor het behaalde resultaat gering zal zijn. Ter eventuele verzachting van een vernietigend oordeel diende het volgende: als motief kon ik slechts een zeer vereenvoudigde visvorm gebruiken, meer een symbool dan een echte vis, omdat het «ding» zich circa tachtig maal, telkens uit een iets andere hoek gezien, herhaalt. De beoogde dieptewerking trachtte ik te suggereren op allerlei «manieren»; elke manier op zichzelf moest houtsnede vakkundig onderzocht en bereikbaar zijn. Op gevaar af je te vervelen, laat ik hieronder enige diepte suggestie methodes volgen.

 1 | Contouren. De dikte van de contouren neemt af, naarmate de afstand groter is.

 2 | Lijnennetwerk. Elke vis wordt, in principe, gevormd uit dezelfde hoeveelheid lijnen (bijvoorbeeld gemiddeld tweeëndertig kromme arceringen vullen het spoelvormige lichaam).

 3 | Ritmische plaatsing van elke vis op de snijpunten van een kubisch drie-assen-stelsel. Om extra de aandacht te vestigen op dat drie-assen-systeem (ik ondernam eerst wanhopige pogingen om te komen tot een minder gebruikelijke verdeling van de ruimte, bijvoorbeeld de tetra-octaëdrische mogelijkheid en andere, die allemaal voor een ongetrainde beschouwer te ongewoon blijken om een sterke suggestie te wekken), accentueerde ik in elk dier die drie assen: als een ruimtelijke kruisvorm. Zo ontstaan vanzelf aardige reeksen (een heleboel) van drie of vier schuin achter elkaar liggende objecten; dezelfde verkortingen die je ziet bij de bomen van een bos dat volgens vierkant, rechthoek, of andere methode geplant is.

 4 | De kleur van de «zwarte» plank (eigenlijk donkerbruin) is «vol» alleen bij de voorste vissen, dat wil zeggen zo donker mogelijk bij de gegeven sterkte van kleurmenging. Door minder hard drukken naarmate de afstand groter wordt, wordt de kleur minder vol; hetzelfde resultaat wordt beoogd door fijne arceringen te vermenigvuldigen naar achteren toe, dus niet druktechnisch, maar graveer technisch.

 5 | De twee kleuren. Dicht bij een «warme», veraf een «koude». Dus: naarmate de diepte toeneemt, vermindert de warme en vermeerdert de koude kleur. Er zouden nog wel meer stelselmatigheden of systematiseringen op te merken zijn, maar zo dunkt het mij welletjes. Kan een dergelijk methodisch opgezet geval nog «kunst» zijn? Daarvoor zou je eerst moeten weten wat kunst is, en dat weet ik niet. Het dunne floddertje Japans papier is natuurlijk bedoeld om gezien te worden tegen een achtergrond van wit papier, anders is het effect volkomen nihil. George en Corrie komen vanavond (zaterdag) weer weekeinden. Ik ben op de weg der eenzaamheids-aanvaarding nog te weinig gevorderd om mij op hun komst niet te verheugen. Ze zijn dan ook wel allemachtig gezellig samen.

Als geheel genomen is 1955 een productief jaar geweest. In zijn laatste brief van het jaar aan Alldredge, gedateerd 11 december, vermeldt Escher met trots: 'Intussen heb ik twee nieuwe prenten gemaakt. Dat betekent, tot nu toe vijf in 1955; meer dan ik in verscheidene jaren heb gedaan.' Het zijn er in feite zes, enig 'klein goed' niet meegerekend; hij heeft waarschijnlijk een in opdracht vervaardigde litho er niet bij geteld. De verkoop is gestadig doorgegaan en de belangstelling, vooral die uit de hoek van de exacte wetenschappen, is blijven groeien. Zo is bijvoorbeeld in het najaar de biochemicus Melvin Calvin naar hem toegekomen. In een 18 oktober 1955 gedateerde brief geeft hij Alldredge daar een aardig verslag van.

'Ik wou dat ik meer tijd had om u te vertellen over een alleraardigst bezoek dat mij werd gebracht door een professor Melvin Calvin, biochemicus aan het Stralingslaboratorium van de Universiteit van Californië. Hij werkte een aantal weken in een vertrek van de Universiteit van Leiden, waar zijn dochtertje van zeven mijn prent Verbum aan de muur zag hangen. Haar vader had hem in het geheel nog niet opgemerkt, totdat zijn dochtertje hem vroeg wat die vreemde tekening met al die kleine beestjes nou voorstelde. Toen kwam hij bij haar staan en zag hij dat ik door een soortgelijke gedachte was beziggehouden als hij, namelijk de schepping, en meer in het bijzonder zijn eigen onderzoek naar de oorsprong van het leven en de langzame overgang van levenloze in levende materie. Daarom kwam hij naar Baarn, en het speet me heel erg dat ik hem niet een van de drie laatste exemplaren van Verbum die ik nog heb, cadeau kon doen. Hij gaf me een exemplaar van zijn recente lezing voor het Amherst College over dit zeer geleerde en, voor een leek, veel te moeilijk onderwerp. Het ontroerde me dat twee mensen, die op zo'n grote afstand van elkaar wonen en die zo'n volstrekt verschillend werk verrichten, desondanks toch echt contact met elkaar kunnen hebben. En dat kleine meisje, dat met haar vader meekwam, zag er zo vreemd verstandig en ernstig uit.' 

In 1956 krijgt Alldredge het druk, omdat hij mee moet werken aan de verkiezingscampagne van senator Kefauver. In een brief aan Arthur vertelt Escher hierover. 

Baarn 12-11-1956 | 'Ik ben erg voldaan over een dikke cheque die ik uit Washington ontving. Daarmee heeft mijn kunsthandelaar ineens alles afbetaald wat hij mij nog schuldig was en kan ik dus met een gerust hart eventuele verdere zaken met hem doen. Het is toch wel een betrekkelijk aardig resultaat, die verkoop van precies honderdvijftig prenten sinds het begin van mijn connecties in de US, die mij in totaal $ 2215 opleverden. Zonder twijfel heb ik dat geheel te danken aan de nog steeds onvolprezen Alldredge, met wie mijn briefwisseling steeds voortduurt. Hij vertelt mij soms allerlei over zijn particuliere bestaan en werk. Hij verdient zijn kost (rijkelijk naar het schijnt) met het schrijven van de redevoeringen, die zijn machtige «boss», de senator Kefauver in steeds toenemende mate moet houden, nu hij kandidaat voor het US-presidentschap is, van dezelfde partij als Stevenson, dus eigenlijk min of meer anti-Eisenhower. Ik betwijfel of die Kefauver een goede kans maakt, maar Alldredge schreef mij: áls wij slagen, dan komen je prenten in het Witte Huis te hangen. Verder corresponderen A. en ik over allerhande koetjes en kalfjes. Zo vertelde hij mij onlangs, dat hij, tijdens de huidige strenge koude circa tien pond zaad aan de vogels in zijn tuin per week voedert. Daarop heb ik hem gisteren in een lange brief verteld van de ook hier en voor ons doen zeer streng heersende vorst. Wij hadden een paar dagen geleden tot negentien graden onder nul en het vriest nog steeds maar door, hoewel gelukkig nu niet meer zóveel (tot ongeveer min tien graden). Ook ik voeder de vogels dagelijks en telde (determineerde aan de hand van mijn vogelenboekje) tot twaalf verschillende soorten, waarvan ik de namen, dankzij mijn goede dictionaire, allemaal in het Engels kon vertalen en aan A. meedelen, omdat het mij interesseert van hem te horen of ze daar in Amerika precies dezelfde vogeltjes hebben. Hoogst curieus is het om de lijsters, midden in de sneeuwen bij circa min tien graden, hun eerste liefdesdansjes te zien uitvoeren. Die storen zich blijkbaar niet aan de thermometer, maar kijken slechts op de kalender, of het tijd is of niet.' De brieven aan Arthur volgen elkaar met grote regelmaat op. 

Baarn 25-3-1956 | 'Van hier valt niet veel bijzonders te vertellen. Het leven gaat voorbij wat mij betreft tenminste met hard zwoegen op prentjes en de reden waarom ik mij eigenlijk zo druk maak, ken ik niet. Momenteel bijvoorbeeld ben ik sinds een tiental dagen weer met wat nieuws bezig. Op ogenblikken van groot enthousiasme, schijnt het mij toe, dat er nooit op de wereld, door niemand, zoiets moois en belangrijks gemaakt is. Kort daarop - een kwestie van uren - zie ik er plotseling niets meer in en treft mij de volkomen nutteloosheid van al dat armzalige gepruts. Maar ik heb mij er nu eenmaal in vastgebeten en de volgende dag ga ik er weer mee door, alsof mijn leven ervan afhangt en ben ik bijvoorbeeld doodsbenauwd, dat ik zou kunnen sterven, vóórdat dit laatste, zogenaamde meesterwerk, klaar zou zijn. Wél merk ik jaarlijks, zo omstreeks deze tijd, dat ik moe ben en dan begin ik als een idioot naar de vakantie te verlangen en zie ik mezelf op de boot, die ik, in juli aanstaande, in Venetië zal pakken, en die mij, via Sicilië, Londen en Hamburg, in vijfendertig dagen naar Rotterdam zal vervoeren. In Londen blijven wij zeven tot negen dagen liggen; dus net lang genoeg om die stad, waar ik nooit geweest ben, op mijn gemak te bekijken.' 


SLOVEN  

Baarn 26-5-1956 | 'Je laatste epistel, van 2 mei, dient nog beantwoord te worden, te meer, omdat er een filosofische tirade in voorkomt, die zich tot discussie leent. Op het kaartje van Billiton, dat je ons indertijd stuurde is uitstekend te zien, waar zich het nieuwe boorgebied aan de T. Brang bevindt. Tevens zie ik daar echter, dat de kust daar moerassig is; als je nu maar geen malaria oploopt, is het in orde. Ik kan mij voorstellen, dat het aanleggen van een rijweg, met bulldozers en dragline, een interessant werkje is.

Ook ik kan meevoelen met je verbazing over het feit, dat de mensen achter die relatief geringe hoeveelheid tin heen zitten met een woede en een hartstocht, een betere zaak waardig. Maar is het eigenlijk met élk werk dat de mensen op aarde verrichten, niet evenzo gesteld? Is het baggeren van tin onzinniger dan de negotie van een voddenraper, of dan het maken van grafische prentjes, zoals ik dat doe? Het is allemaal één pot nat; het is óf allemaal even onzinnig, óf allemaal even belangrijk.

In alle geval is het noodzakelijk, niet omdat de wereld zou vergaan als wij het niet zouden doen, maar omdat «sloven» nu eenmaal een voorwaarde is voor het geluk van de huidige westerse mens; zelfs de Oosterling begint ook al dapper mee te sloven, omdat hij bemerkt, dat luilakken hem op den duur toch ongelukkig maakt. Ik geloof dat het belangrijkste verschil tussen de mens en de rest van de levende schepselen niet zozeer gelegen is in eventuele aan of afwezigheid van «Ziel» en «Geest», maar in het verbazing wekkende feit, dat de mens «werken» moet als bestaansvoorwaarde, terwijl een vogeltje dat niet hoeft te doen.

Ik ben het niet met je eens, dat je het tin wat je met zoveel zwoegen uit de grond opbaggert, niet kunt eten. Je eet dat tin toch, om zo te zeggen, dagelijks op je boterham?

Dat wil niet zeggen, dat het niet leuk zou zijn, om je, bij tijd en wijle, plotseling te realiseren, hoe raadselachtig het gehele leven is. Daarin verschil je dan van het gros van je mede tin zoekers, die er zelfs niet aan toekomen, om, waar dan ook, een raadsel of een wonder te beleven. Zo nu en dan ben ook ik in staat, om mij hevig te verwonderen en ben ik verheugd over de staat van luciditeit waarin ik dan meen te verkeren.

Aangezien ik van mening ben hiermede voldoende diepzinnige opmerkingen te hebben gemaakt, ga ik over tot de nieuwsberichten van hier.

Wat mij persoonlijk aangaat, is ver weg het belangrijkste, dat Paul Keiler uit Münsingen [de echtgenoot van een nicht van Jetta; een goede vriend van Escher, met wie hij door de jaren heen in contact is gebleven] mij zijn wens te kennen gaf, om ook eens een zeereis te maken als vakantiebesteding. Zo gaan wij dus waarschijnlijk samen naar Venetië en vandaar per vrachtboot via Sicilië, Londen en Hamburg naar Rotterdam. Ik geloof, dat het voor mij moeilijk zou zijn om een geschikter reiskameraad te vinden. Vervelend is alleen, dat die vrachtboten nooit op tijd vertrekken. Die, welke ik gehoopt had begin juli in V. op te pikken, heeft nu reeds circa twee weken vertraging, zodat hij pas einde juli ons zou kunnen herbergen. Nu probeer ik, om de vorige reis, een maand eerder, te gaan, maar misschien is die al volgeboekt. Dit alles heeft tot gevolg een eindeloos heen-en-weer-geschrijf tussen Baarn, Bern, Rotterdam en Napels, maar ik geef de moed niet op en hoop dat wij tenslotte toch samen in ligstoelen in de Middellandse Zee zullen braden in de zon. Hij (Paul) zowel als ik, hebben zo'n luilakkerij broodnodig; na deze rotwinter heb ik last van reumatiek, die ik eruit wil zweten, terwijl P. overwerkt is.   

Die gekke prent, waar ik je laatst over sprak, is af, maar nog niet gedrukt. Zoiets raars heb ik, geloof ik, van mijn leven nog niet gemaakt. Er komt onder andere een jonge man op voor, die belangstellend staat te kijken naar een prent aan de wand van een tentoonstelling, waar hij zelf op getekend staat. Ra, ra, hoe kan dat. Misschien ben ik niet ver verwijderd van Einsteins gekromde heelal.' 


BROEDER ERICH 

De zeereis vindt uiteindelijk plaats van eind juli tot eind augustus. Vlak daarvoor is Escher eerst nog naar Gent gegaan, waar hij in het museum een tentoonstelling van zijn prenten heeft. Eind augustus komt hij in contact met Bruno Ernst, in het dagelijks leven (dan nog) broeder Erich, die al een tijd geboeid is door zijn prenten en erover wil gaan schrijven. Aan Arthur wordt ook hierover verteld. 


Baarn 21-10-1956 | 'Ik wou je ditmaal wat vertellen over een «broeder» met wie ik heb kennis gemaakt. Deze broeder, wiens voornaam Erich ik alléén maar ken, is leraar in de wiskunde aan een school. Een curieuze figuur, die mij, zo maar ineens schreef, dat mijn prenten hem (en de jongens aan wie hij les geeft) boeiden, en dat hij verlangend was eens in Baarn te komen kijken. Dat heeft hij inmiddels gedaan. Mijn grapjes over perspectief en vooral mijn «inversies» prent Hol en Bol (die ik je stuurde, meen ik?), alsmede mijn regelmatige vlakverdelingen, bekeek hij met veel interesse.

Naar aanleiding van die Hol-en-Bol-prent, heeft hij mij een middel aan de hand gedaan, om gemakkelijk allerlei voorwerpen en landschappen, die zich aan ons oog voordoen, te «inverteren». Dat is zó allemachtig verbluffend, dat ik wil trachten je uit te leggen, hoe je het moet doen. Je hebt er twee goede rechthoekige prisma's voor nodig. Daaraan kun je komen, door een oude versleten prismakijker uit elkaar te nemen. Als er op Billiton iemand is, die zo'n oud ding heeft, waardoor hij toch nooit meer kijkt, moet je niet nalaten het te pakken te krijgen. Bijgaand schetsje geeft aan, hoe je de prisma's voor je ogen moet houden.


Het schetsje uit Eschers brief, dat het principe van 'omkeerprisma's' illustreert

Tot nu toe heb ik broeder Erichs eigen paar prisma's te leen, maar ik ben vast van plan, om, ergens op een luizenmarkt, of zo, een eigen paar te bemachtigen, want het is de moeite waard om een stel zelf te bezitten en zo mogelijk in een soort van zelf te construeren houdertje te monteren, er een dubbel oogig kijkertje van te maken. Zoals je aan de hand van dit tekeningetje opmerkt, wordt ten eerste alles wat je ziet, in spiegelbeeld omgedraaid. Dat is op zichzelf al hoogst curieus, als je bijvoorbeeld je eigen voeten bekijkt. Zet je je rechtervoet een pas vooruit, dan zie je je linker bewegen, enz. Maar daarmee is de zaak niet uit. Niet alleen wordt links rechts, maar ook wordt «boven», «beneden», een zoldering wordt een vloer. Om dat te bewerkstelligen, moeten de omstandigheden echter wel gunstig zijn en moet je er enige oefening en een soort van onbevangenheid van geest voor overhebben. In het Baarnse bos zag ik dezer dagen een bijzonder geschikt object: een met dorre bladeren bedekte vijver, welke, door het paar prisma's bekeken, pardoes op z'n kop ging staan; om je rot te schrikken.

Het interessantste van alles, en eigenlijk datgene, waarom het gaat, is echter de «omdraaiing» der stereoscopische werkelijkheid. Er geschiedt namelijk zo ongeveer (of misschien wel precies) hetzelfde, als wanneer je twee stereoscopische foto's andersom, dat wil zeggen de linker rechts en de rechter links, tot één beeld, door beide ogen tegelijk bekeken, verenigt. Ik herinner mij, dat wij dat mopje uithaalden, toen je ons destijds de geologisch stereoscopische foto's van Zwitserse bergen liet zien: de dalen worden «hoog», uitgestulpt, de bergen gaan daarentegen naar de diepte, worden als dalen. Welnu, als je door broeder Erichs prisma's kijkt, met name naar een wirwar van bebladerde boomtakken, van verscheidene bomen tegelijk, zowel dichtbij als veraf, zodat je allerlei verschillende afstanden tezamen waarneemt en liefst nog met verschillende kleuren (op dit herfstmoment is het hier zeer gunstig, met rode eiken en vergeelde bomen en nevelige verten) dan sta je heus verstomd en het schetsje uit Eschers brief, dat het principe van de 'omkeerprisma's' illustreert verbluft door wat je ziet. Datgene, wat in werkelijkheid het verste af is, komt vlakbij (kleine stukjes lucht, die tussen de bomen door schemeren, staan als schitterende «sterren», als individuele, ruimtelijke puntjes, vóór -dichterbij dan - het gebladerte; je zou er lyrisch van worden) en de dikke, dicht bebladerde tak van een boom vlakbij, wordt omgezet in een diep gat, vér, vér weg, aan de horizon. Er is geen einde aan de grappige en indrukwekkende onmogelijkheden, die een geduldige waarnemer op zo'n manier zichzelf kan scheppen.' 

Baarn 18-11-1956 | 'Twee weken geleden schreef ik je op een ogenblik, dat ik bijzonder onder de indruk van de gespannen internationale toestand was [vanwege de Russische inval in Hongarije]. Gelukkig is dat nu een beetje geluwd, misschien niet zo zeer «de» toestand, als wel «mijn» toestand. Want ik weet niet of het gevaar op een derde wereldoorlog er sindsdien op is verminderd, maar een mens kan niet voortdurend zich blijven rekenschap geven van de «vaart der volkeren» (zoals een geleerde professor zijn wekelijks commentaar op het internationale gebeuren in de radio noemt). Het is niet zozeer laf, als wel noodzakelijk, om struisvogelpolitiek te voeren, want anders gaat een mens in deze tijd vroegtijdig dood van angst en hulpeloosheid. Zojuist hebben moeder en ik een lange wandeling door de bossen gemaakt, want het was vandaag een zonnige, nagenoeg windstille herfstdag. Wij hebben ook een kwartiertje lang op twee vermolmde boomstronken gezeten terwijl de late herfstzon op haar hoogtepunt was en nog tamelijk veel warmte gaf, hoewel ik de hoek, die zij met de horizon maakte, op niet veel meer dan twintig graden schat. Ik moest toen aan jou denken, met je evenaar zon, die tot nagenoeg het zenit stijgt. Dat zou ik toch ook wel eens willen meemaken. Hoewel het daar heerlijk op die open plek in het bos was, werd ik geplaagd door een bijkans ondragelijk (par moyen de dire) verlangen naar het eiland Lipari, dat telkens weer voor mijn geestesoog verschijnt zoals ik het van de zomer heb gezien. Als het ook maar enigszins kan, ga ik er het volgend jaar weer heen, maar dan om er een paar weken te vertoeven en om ook Vulcano te bezoeken, waar je met een bootje vanuit Lipari dadelijk bent. Dit vignetje hierboven, maakte ik een paar dagen geleden af, het moet dienst doen ter versiering van een uitnodigingskaart voor mijn eerstvolgende «belangrijke» tentoonstelling, samen met drie collega's, in februari aanstaande in het Stedelijk Museum te Amsterdam.' 

 

ROOSEVELT 

Tegen het eind van 1956 begint Escher te werken aan een bibliofiele uitgave over zijn regelmatige vlakverdelingen, die uiteindelijk begin 1958 bij de Stichting De Roos zal verschijnen. Hij zal er zes nieuwe houtsneden voor moeten maken en zelf de tekst schrijven. Dit gaat hem in 1957 veel tijd kosten.

In Amerika heeft de campagne voor Kefauver niet tot succes geleid. Alldredge heeft het er zeer druk mee gehad, maar toch heeft hij geregeld contact met Escher gehouden. Voor de jaarwisseling stuurt hij, net als in de vorige jaren, een zelfgemaakt gedicht. Omdat de Whyte Gallery in Washington in andere handen is overgegaan en de prentenafdeling wordt gesloten, neemt Alldredge tijdelijk Eschers prenten in bewaring, terwijl hij op zoek gaat naar een nieuwe galerie.

Eind januari 1957 ontvangt Escher een brief van Cornelius Van S. Roosevelt, die één van zijn belangrijkste verzamelaars zal worden. Roosevelt is indertijd op Eschers werk attent gemaakt door het artikel in Time en de eerste tentoonstelling in de Whyte Gallery. Hij heeft toen al prenten gekocht, maar wil zijn verzameling graag uitbreiden. Escher verwijst hem naar Alldredge. In een 11 februari 1957 gedateerde brief bericht deze laatste dat Roosevelt langs is geweest en vijf prenten heeft gekocht. Hij geeft bovendien enige persoonlijke informatie: 'Hij is een kleinzoon van President Theodore Roosevelt en een neef van mevrouw Nicholas Longworth, een hier erg beroemde dame, die verschillende van uw prenten bezit en volgens mij uw werk onder zijn aandacht heeft gebracht. Hij is een aangenaam en bescheiden man.' Een week later schrijft Alldredge dat hij een nieuwe galerie heeft gevonden: de Sidney Mickelson Gallery te Washington. Hij beveelt deze aan als een betrouwbare zaak; Escher is verheugd wanneer de galerie even later ook door Roosevelt van harte wordt aanbevolen, en gaat graag akkoord. Ook in 1957 gaat de correspondentie met Arthur door, zij het met iets minder grote regelmaat. 

 

Baarn 24-11-1957 | 'George en Corrie zetten vaart achter hun huwelijk: ze trouwen reeds 9 maart. De ruime kamer waar ze in Delft voorlopig gaan wonen tot G. afstudeert, bevalt hun best. Heden, zondag, moet ik 's middags voor het laatst naar mijn tentoonstelling in Amsterdam; morgen sluiten wij de vertoning. Ik verkocht er zeer behoorlijk, zevenendertig stuks tot nu toe. Ik ben blij dat het uit is, want al dat heen-en-weer-gereis, briefgeschrijf en prentenverstuurderij begint mij de keel uit te hangen, hoe plezierig het overigens ook is om te merken dat ik niet voor niets prentjes zit te maken. Ik had weer een alleraardigst contact met enige zeer geleerde mathematici, die hun best gedaan hebben om mij uit te leggen, dat de prent Prentententoonstelling een «vertakkingspunt van een Riemannsvlak» is. Ik begrijp het, ondanks hun college, maar zeer ten dele. Nu deze tentoonstellingsdrukte voorbij is, moet ik als de gesmeerde bliksem doorwerken aan houtsnede illustraties en tekst voor een boekje over de regelmatige vlakverdeling.' 

 

ONGEREPTE NATUUR 

Baarn 7-9-1957 | 'Gedurende de laatste dagen, nu de vogels actief worden en al luidkeels beginnen te zingen, krijg ik telkens bezoek van een prachtige bonte specht, die, net als een mees, aan het snoer van pinda's, dat ik vlak voor mijn atelierraam heb opgehangen, komt pikken. Hij is wel erg schuwen vliegt bij de minste beweging die ik maak, weg, maar ik heb hem, door roerloos te blijven zitten, meerdere malen uitstekend kunnen observeren. Hij hangt ondersteboven aan mijn snoer, steunt met zijn staart, die dan ongeveer een hoek van negentig graden met zijn lichaam maakt, tegen andere pinda's ernaast, en pikt als een razende en in zeer korte tijd, een gat in het boontje tussen z'n poten. Daarbij keert hij dus zijn vuurrode stuit naar boven. Wat een wonderen gebeuren er toch in de wereld!   

Een tweede wonder beleefde ik dezer dagen, toen ik bij het «Blauwe Koepeltjes» je weet wel, op dat open grasveld tussen allerlei fraaie boomgroepen in het landgoed Buitenzorg, voor het eerst in al die jaren, des avonds omstreeks zeven uur, twee herten zag grazen, de éne vlakbij, op circa tien meter afstand. Het dier stond met zijn twee spierwitte billen naar mij toegekeerd en de wind was mijn kant uit. Misschien een minuut lang heb ik er doodstil naar kunnen kijken. Toen kreeg hij mij blijkbaar tóch in de gaten: hij draaide zich om, keek mij enige ogenblikken «recht in m'n ogen» (zou je zo zeggen) en ging er toen met grote sprongen als de bliksem vandoor. Z'n maat, die een eindje verder stond te grazen, volgde ogenblikkelijk zijn voorbeeld en in een ommezien waren ze tussen de bomen en het kreupelhout verdwenen. Zo heeft de Zeeslang, die jullie vertelde van herten op die plaats, toch eindelijk gelijk gekregen. Deze «ongerepte natuur», in de vorm van spechten en herten, van, of tenminste vlakbij die infernale Rijksstraatweg van Amsterdam naar te midden Amersfoort, waar de hele dag een eindeloze rij van die stomme auto's langs jagen, onderga ik als iets bijzonder waardevols. Door de aanwezigheid van deze natuurdieren aanvaard ik, zij het ook zonder er iets van te snappen, het razende gerij en ge-ros in dit overbevolkte land gelaten en zonder van woede te stikken.' 


Baarn 22-9-1957 | 'Hier vierden wij Pasen in gezelschap van George, Corrie en Jan. Morgen is dus het feestvieren weer afgelopen en hervat een ieder zijn dagelijkse taak. De mijne bestaat uit het leggen van de laatste hand aan de illustraties voor mijn boekje over de regelmatige vlakverdeling. De laatste houtsnede daarvan heb ik onder handen; dan moet ik de gehele tekst nogmaals herzien. 8 mei ga ik naar Groningen, waar ik in het instituut van een kunsthistorische prof van de universiteit een uitgebreide tentoonstelling van mijn werk krijg.

Mocht je je ooit gaan interesseren voor de figuur van Leonardo da Vinci, die mij in toenemende mate boeit, dan kan ik je nu allerlei aardige boeken over hem aanraden. Op mijn bootreis van verleden jaar ontmoette ik namelijk een Italiaanse lerares, die in Milaan haar moedertaal doceert. Deze dame vroeg ik nu om inlichtingen over de laatste en beste Leonardo-biografieën en uitgaven van zijn eigen geschriften. Zij stak op haar beurt haar licht op bij de Leonardo-bibliotheek in Milaan en tenslotte schreef mij een allervriendelijkste prof een uitvoerige brief, met een goede literatuuropgave. Het eerste boek dat ik aan de hand daarvan bestelde, is een biografie van de Fransman Marcel Brion, waarin ik op 't ogenblik met veel genoegen aan het lezen ben. Verder heb ik besteld de complete geschriften van L. in het Italiaans. Wat hij zelf zegt, blijft het meest interessante. Als je die korte aantekeningen leest, is het net of hij naast je zit en of je hem hoort praten, als eenzame wijze en melancholieke grootheid in het vijftiende-eeuwse Italië. «La luna densa e grave, co me sta, la luna?» Dat is nou bijvoorbeeld zo'n, half weemoedige, half gekscherende vraag, die hij zomaar, zonder meer, ergens in zijn opschrijfboekje zette en die mij uitermate treft, omdat ik er, misschien terecht, misschien ten onrechte, dezelfde stomme verwondering in meen op te merken die mij bevangt als ik naar de maan kijk. «Densa» is, denk ik, het beste te vertalen met compact en «grave» is meer «zwaar» dan «ernstig».' 


Baarn 6-10-1957 | 'Persoonlijk zit ik steeds te zweten op mijn tekst voor het boekje over regelmatige vlakverdeling. De zes houtsneden daarvoor zijn nu af en de reeds geschreven tekst moet ik helemaal omwerken, want daar deugt, bij nader inzien niets van. Schrijven is een moeilijke zaak voor een beelder, maar het schenkt mij veel vermaak.' 

Baarn 6-10-1957 | 'Twee maanden geleden schreef ik je mijn laatste brief. In die tussentijd reisde ik zes en een halve week in de Middellandse Zee en ben al weer twee weken thuis. Ik maak nu vier jaren achter elkaar reizen op vrachtschepen en ik raak er bepaald aan verslaafd. Ik vertel erover aan allerlei mensen, maar slechts een doorgewinterde vrachtbootpassagier kan begrijpen waarover ik het heb. En die mensen ontmoet je nooit (of hoogst zelden) aan land. Ga je het volgende jaar mee met een vrachtschip naar de Monte Athos? Wij voeren er enige uren lang vlak langs en zagen de middeleeuwse monnikenkloosters als arendsnesten langs de rotsen hangen. De berg rijst als een steile kegel van bijna tweeduizend meter uit de zee op; je zult er genoeg alpinistische toeren kunnen verrichten, terwijl ik die kloosters uitteken.' 

Baarn 2-11-1957 | 'Het gemeentebestuur van Utrecht nodigde mij uit tot het ontwerpen van een muurschildering in de aula van de ontvangzaal van de Utrechtse begraafplaats. Daartoe maakte ik een tekening op schaal één op twintig en nu schijnt het, dat de commissie, die dat ding moet beoordelen, het er wel mee eens is. Hoewel de zaak dus nog mis kan lopen omdat de opdracht nog niet officieel in mijn bezit is, ben ik hoopvol dienaangaande gestemd. Het is wel leuk om eens zelf op een steiger te gaan staan en een maand lang een oppervlak van circa drie en een half bij drie en een halve meter te bekladden. Ik maakte een vlakverdeling, die bestaat uit louter vissen, welke spiraalsgewijze zich in zwart naar een centrum toe (de dood of het sterven symboliserende) en tegelijkertijd in witte reeksen zich, uit datzelfde centrum voortkomende, naar buiten «bewegen» (het leven, de geboorte). Het leuke en het moeilijke tegelijkertijd, is het zich verkleinen tot in het oneindige van de visfiguren. De buitenste exemplaren krijgen een lengte van circa één meter zestig en ik wil proberen om consequent de verkleining voort te zetten tot het vlekjes van bijvoorbeeld een centimeter lang worden.

Terwijl ik wacht op de aanvang van dit werk, ben ik bezig met een dubbele spiraal in houtsnedetechniek, in drie kleuren, geheel volgens dezelfde gedachtegang als dat muuroppervlak; ik pas daarin een nieuwe druktechniek toe, die gebaseerd is op een allerleukste tweetalligheid van assen. Het is moeilijk in woorden uit te leggen, maar het komt hierop neer, dat ik van elk der blokken (drie stuks waarschijnlijk) die ik moet snijden, maar de helft maak van het oppervlak dat zij tezamen moeten vullen; de andere helft wordt verkregen door de blokken honderdtachtig graden omgedraaid te herhalen. Ik betwijfel, of «het publiek» ooit zal snappen, laat staan waarderen, welk een, naar mijn smaak boeiende hersengymnastiek aan de samenstelling van zulk een prent is voorafgegaan. ' 

 

VLEUGEL-VOLK 

Baarn 22-11-1957 | 'Terwijl ik zit te tikken word ik ieder ogenblik afgeleid van mijn à propos door wat zich afspeelt vlak voor mijn grote atelierraam. Sinds enige dagen heb ik, zoals ik dat elk jaar bij het begin van de winter doe, aan een horizontaal gespannen ijzerdraad allerlei lekkernijen voor de vogels opgehangen: een snoer met pinda's, twee vetbollen en een stuk zwoerd van de slager. Verder is er vogelzaad en gemalen pinda's in een voederbakje. Ditmaal blijkt het kleine vleugelvolk er extra happig op. Een paar dagen vóór ik die jaarlijkse maaltijd arrangeerde, had ik het gevoel, of met name de mezen mij van buitenaf door het raam aankeken en kleine geluidjes sjilpten, alsof zij wilden zeggen: nou, komt er eindelijk nog wat van? En nu zijn zij erop aangevallen met een gulzigheid, die eigenlijk maar lekkerbekkerij is, want aangezien het nog niet vriest, zouden zij best gewoon in de natuur hun voedsel kunnen vinden. Maar wat is het boeiend om te zien hoe de mezen (tot op heden nog maar drie soorten: kool-, pimpel- en zwartkopmezen, maar als het kouder wordt komen ook de kuif- en de langstaartmees) elk jaar overnieuw moeten leren om ondersteboven aan het snoer hangende, de pindaschillen open te pikken en de vruchtjes eruit te halen. Eerst proberen ze alsmaar door om bovenop de draad te gaan zitten, alsof het een dun takje was. Aangezien ze zodoende hun evenwicht verliezen, klapwieken ze continu met hun vleugels. En blijkbaar kunnen ze niet twee dingen tegelijkertijd doen, zoals de kolibries bijvoorbeeld. Klapwiekende kunnen ze niet pikken en pikkende kunnen ze niet klapwieken. Het resultaat is, dat ze, met hun pootjes om de draad vastgeklemd, ondersteboven duikelen zodra ze pikken en dan tot het inzicht komen, dat zij met hun kop naar beneden ook best kunnen eten. Het is op 't ogenblik net een circus: snoer, zwoerd en vetbol zijn alle met mezen bezet. Op de tweede vetbol zit een boomklevertje, een prachtig vogeltje met een geeloranje buik en een blauwe rug, een heel korte staart en een lange specht-snavel. Die snavellijn wordt om zo te zeggen voortgezet aan weerszijden op z'n kop door een zwarte streep, een soort van horizontale smalle band om z'n kop heen, waarin ergens z'n ogen zitten. Daardoor krijgt hij een woest, roverachtig uiterlijk en ook zijn karakter is blijkbaar piraatachtig: alle mezen zijn bang voor hem; hij duldt geen medeeter in zijn onmiddellijke nabijheid. Daarbij is hij slordig en onbekookt: hij pikt met zóveel kracht en ongeduld, dat de stukken voedsel links en rechts wegvliegen, tot profijt van merels en vinken op de grond daaronder, die te sloom ofte onhandig zijn om circustoeren te verrichten. Zo nu en dan vliegt de hele bende onder luide alarmkreten op, als er een Vlaamse gaai in de buurt komt, want dat zijn bloeddorstige bandieten. Weldra hoop ik bezoek te krijgen van de bonte specht; ook een goede acrobaat, die met z'n volle zware gewicht, onderste boven aan het pindasnoer hangt, zodat zijn vuurrode stuit prachtig en fel oplicht. Hij pikt er als een razende op los en ledigt een drievoudige pinda in een ommezien. Gelukkig komen de spreeuwen zo vroeg in de winter nog niet. Als zo'n blauwzwarte zwerm straatjongens eenmaal mijn voederbak in de gaten heeft, gaan zij er met z'n allen tegelijk op zitten en dan is de bak in een oogwenk helemaal leeg. Luid schreeuwende verdringen ze zich letterlijk, als een dikke zwarte klomp op en over elkaar heen.

De rivaliteit onder al die vogels is groot. Voor zover ik heb kunnen opmerken is er uitsluitend sprake van wat mensen «wellevendheid», «opofferingsgezindheid» of «goede manieren» noemen, tussen ouders en kinderen en tussen echtelieden onderling. Voor de rest gunnen zij elkaar letterlijk niets. Van al de vogels die ik observeer is het roodborstje het meest weerloos; dat durft het tegen geen enkele mees op te nemen, hoewel een pimpelmees toch veel kleiner van stuk is. Maar onderling is de rivaliteit tussen de roodborstjes weer hevig en zonder erbarmen. Wat een verhalen! Ik schei er gauw mee uit.' 


Baarn 7-10-1957 | 'Het gaat ons allen zeer wel. Van George kwam heden een telefoon, om ons te vertellen, dat het allerlaatste tentamen van zijn gehele studie, dat hij vanmorgen aflegde, goed is geslaagd. Ook heeft hij nu de laatste opgave voor zijn ingenieursdiploma gekregen van de prof bij wie hij afstudeert. Naar alle waarschijnlijkheid is hij in juni aanstaande geheel klaar. Het lijkt mij niet onmogelijk, dat jij dan hier zult zijn, zodat jullie misschien samen naar Canada kunnen vertrekken! Zelf kreeg ik heden de officiële opdracht van het Utrechtse gemeentebestuur in handen, om de muurschildering te maken, waar ik in mijn vorige brieven over schreef.' Van Alldredge heeft Escher lange tijd niets vernomen, maar rond de jaarwisseling ontvangt hij van hem weer een gedicht. Met de Mickelson Gallery gaat het goed; de verkoop gaat gestadig door en vergt telkens weer nieuwe afdrukken.


Voorstudie voorde litho Prentententoonstelling tekening 1956

 

 Lees meer→