M.C. Escher

Erkenning

Erkenning door de kristallografen 1958 -1960

Arthurs verblijf in Indonesië zit er bijna op. Voorlopig wordt er echter nog steeds regelmatig met hem gecorrespondeerd. 

Baarn 5-1-1958 | 'Overmorgen begin ik eindelijk te kladden op de muur van de begrafenisaula in Utrecht. In de verlopen tussentijd heb ik verscheidene vergeefse pogingen gedaan om mij te concentreren op een nieuwe, grafische prent en toen dat maar niet wilde lukken, ben ik overgestapt op het uitbeitelen van een beukehouten bol, een werkje dat ik vroeger in de oorlog enige malen deed, maar sindsdien nooit meer. Mijn nieuwe werkstuk is gebaseerd op de oervorm van vijf tetraëders, die elkaar doorsnijden en het uiteindelijke resultaat wordt een lichaam vol diep insnijdende hoeken, waarvan het oppervlak bepaald wordt door twaalf vijfbladige bloemkelken. Een echt ouderwets schrijnwerkers bezigheidje, pure handenarbeid.' 

Baarn 17-3-1958 | 'Hoera! Zoëven je brief van 10 maart ontvangen, waarin je je aankomst op 1 april meedeelt. Een gek idee, dat dit de laatste briefvan hier naar Indonesië is, naar alle waarschijnlijkheid. Dat schrijven aan jou, bijna vier jaren lang, elke twee weken, is mij zó in m'n vingers gaan zitten, dat het vreemd zal zijn, als het niet meer nodig is.' 

Wanneer George in oktober, na het voltooien van zijn studie voor vliegtuigbouwkundig ingenieur, met Corrie naar Canada vertrekt om daar een bestaan te gaan opbouwen, kan het regelmatige schrijven weer een aanvang nemen. Eerst maakt Escher samen met Jetta, George en Corrie nog een reis. Ze vertrekken op 6 september per schip vanuit Antwerpen; op 16 september komen ze in Genua aan, waarna ze wat in Italië rondtrekken om op 24 september van Milaan per vliegtuig naar Nederland terug te keren. Zodra George en Corrie vertrokken zijn, begint Escher met hen een briefwisseling die hij tot zijn dood zal volhouden. 

Baarn 25-10-1958 | 'Zo zijn wij dan al aardig op de hoogte, zowel van jullie reis, als van jullie eerste Canada bevindingen. Zowel het een als het ander boeide ons erg en wij kunnen ons nu betrekkelijk goed indenken hoe jullie daar op 't ogenblik zitten. Dat het niet meevalt, om zomaar ineens werk te vinden, verwondert mij in 't geheel niet. Het zou bepaald een wonder geweest zijn, als het dadelijk gelukt was. Erkenning door de kristallografen Arthurs kansen op meedoen aan de Nieuw-Guinea-Stergeberg-te-expeditie, die omstreeks april 1959 zal vertrekken, schijnen weer toe te nemen. Sinds jullie weg zijn zit ik voortdurend te blokken op mijn bolspiralenhoutsnede. Na een eerste proefdruk werden mijn hooggespannen verwachtingen - zoals steeds - danig teleurgesteld. Thans ga ik, een beetje met de wanhoop in het hart, maar weer stug door, om althans een resultaat te bereiken dat ermee door kan.' 


 COXETER-SYSTEEM 

Baarn 9-11-1958 | 'Nauwelijks klaar met mijn bolspiralen (in kleurenhoutsnede) ben ik alweer verdiept in de bestudering van een plaatje, dat ik vond in een publikatie van de Canadese prof H. S. M. Coxeter in Ottawa (die ik destijds in Amsterdam heb ontmoet), A Symposium on Symmetry. Ik tracht daaruit een methode te peuren tot verkleining van een vlakvullingmotief van het centrum van een cirkel uit naar de rand-limiet, waar de motiefjes oneindig dicht bij elkaar komen te staan. Aan zijn hokus-pokus-tekst heb ik niets, maar het plaatje helpt mij waarschijnlijk tot het maken van een vlakverdeling, die een voor mij volkomen nieuwe variant belooft te worden van mijn serie vlakverdelingen. Een cirkelvormige regelmatige vlakvulling, die aan alle zijden logisch begrensd wordt door het oneindig kleine, is wel iets wonderschoons, haast even mooi als de regelmatige verdeling van het boloppervlak. Tegelijkertijd heb ik het gevoel, dat ik mij hoe langer hoe meer verwijder van datgene, waarmee ik «succes» zou kunnen boeken bij het «publiek»; maar wat kan ik eraan doen, als zulk een probleem mij zó boeit, dat ik er niet af kan blijven?' 

Baarn 7-12-1958 | 'Wat heerlijk, dat het eindelijk gelukt is een goede baan, naar je zin, te vinden!

Nog iets over Marco Polo. Tijdens mijn vervelende lange afdrukperioden, als ik naar los en vast in de radio luister, hoorde ik onlangs een enthousiaste literaire beschouwing over dat boek, een nieuwe, volledige vertaling die kortgeleden verscheen. Ik kreeg er zo'n zin in, dat ik, met Arthur in zijn auto toevallig voor zaken in Den Haag, na lang zoeken in verschillende boekhandels een exemplaar te pakken kreeg. Ik kocht het voor mezelf, maar schonk het nog geen uur later aan Arthur, die er zich, mede uit geologische overwegingen, voor bleek te interesseren. Daarna bestelde ik er nog twee exemplaren van, één voor jullie en één voor mijzelf. Tot nu toe kwam er nog maar één, zodat ik mijn ongeduld om het te lezen nog wat moet bedwingen.

Ik ben vergeten of ik jullie in mijn vorige brief wat vertelde over het aardige opdrachtje, dat ik kreeg voor het ontwerpen van drie regelmatige vlakvullingen op cilindervormige kolommen van een nieuwe meisjesschool in Den Haag. De Porceleyne Fles in Delft ziet kans op het maken van gebogen tegels, waarvan er zes de zuilen zullen omsluiten. Met één type van vierkante tegels gelukte het mij niet alleen drie verschillende dessins, maar ook nog daarin de drie vlakverdelingssystemen te demonstreren: assen, verschuiving en glij-spiegeling.

Mijn houtsnede, geïnspireerd op het Coxeter-systeem, is af en zelf vind ik hem de mooiste die ik ooit in het genre der «verkleiningen» heb gemaakt. Die cirkelvormige, alles logisch en onontkoombaar omsluitende limiet van oneindig kleine vlakjes, daar kun je je ogen niet van afhouden. Hij benadert het absoluut schone, zuivere. Ik ben benieuwd naar de reactie van de heer cokes-eter-himself, wie ik een afdruk toezond.

Verder is er plotseling een drukker uitgever uit de Zwolse lucht komen vallen, met een voorstel om een uitzonderlijk fraai gedrukt boek uit te geven met extra verzorgde reprodukties, dertig ofveertig in getal (daar zijn wij het nog niet over eens) van mijn grafische prenten. In principe, maar zonder mij definitief te binden, heb ik toegehapt, voornamelijk omdat deze Erven J.J. Tijl een moderne offset-drukkerij hebben, waarmee ze perfect kunnen reproduceren. Laatst heb ik een lezinkje gehouden voor een rotaryclub in Hilversum (wat een kinderlijk gedoe met al die vlaggetjes en die joviaal en toch gewichtig doende «vrienden»). Onder mijn gehoor waren drie medici, die tegen het einde van mijn lezing hun diagnose van mijn «geval» klaar hadden: Dwangneurose. Dat heb ik als titel aan mijn uitgever voorgesteld, maar hij wil er niet aan. Evenmin wil hij iets weten van «Speelse verzinsels», wat ik ook zo prachtig zou vinden. Hij stelt voor: «Spel met de realiteit», maar daar wil ik weer niet aan.

Baarn 18-1-1959 | 'Arthur woonde dezer dagen een vergadering bij van alle wetenschappelijke deelnemers aan de Sterrenbergexpeditie, waartoe hij nu officieel behoort. Hij vertrekt half maart; de bagage gaat al morgen per schip. Tot mijn verbazing komt er ook schot in de tegelgeschiedenis voor de meisjesschool in Den Haag. De Porceleyne Fles bakte proeftegels, die wondergoed lukten; ze doen net of ze erg geestdriftig zijn, maar ik moet, als vrek, voorzichtig zijn, dat ze mijn vlakvullinkjes niet stelen en zulke dingen gaan mij altijd heel slecht af.' 

Baarn 1-11-1959 | 'Wat hebben wij genoten en wat geniet ik nog steeds van jullie serie stereoplaatjes! Het meest spectaculaire van deze groep is de stroomversnelling met George op de voorgrond. Over zo'n prentje zou ik bladzijden lang kunnen wauwelen: het lage zonlicht, dat over de platte, vochtige steen strijkt waar G. op gezeten is met een typisch kiekjes gezicht, maar zó levend alsof de beschouwer aanwezig is op het moment van de opname. Dat is trouwens wat mij altijd op ruimte suggererende voorstellingen treft: de intensiteit van het mee beleven. Na inlevering van de steen [van de litho Platwormen, bij Andréa, ben ik maar weer eens aan het afdrukken van oude prenten geslagen; natuurlijk bevinden zich daaronder D. en N. zowel als L. en W. Met hevig radiogeschal is dat periodieke lepeltjes gewrijf niet eens zo vervelend, als het tenminste niet meer dan één week duurt. Mickelson stuurde mij een aangename check (chèque) van bijna $ 500 wegens verkochte werken in de laatste vijf maanden. Niet zo gek.' 

Baarn 15-11- 1959 | Gisteren had ik een lange, goed gevulde dag. 's Morgens vergadering in Amsterdam met mijn grafische kornuiten. 's Middags om drie uur opening van de tentoonstelling der Vier grafici in het Museum Boymans in Rotterdam. Onder de circa honderdvijftig aanwezigen bevonden zich ook Beer en Emmy. Daar deden zij mij plezier mee, als zijnde mijn enige aanwezige familieleden. De hele vertoning was zeer geslaagd, hoewel ik er toch altijd een kater van overhoud. De heer Ebbinge Wubben [directeur van het museum] heeft ons weer als vanouds in het zonnetje gezet en werkelijk niets nagelaten, dat het succes kan bevorderen. Met name een prachtige catalogus, waarin voor elk der exposanten vier reprodukties van hunne werken. Ook opende hij persoonlijk op elegante wijze de zaak met een voordracht in de aula.

Ik heb moeite gedaan om de schijfvormige Kleiner en kleiner prent [Cirkellimiet 1] aan verscheidene bezoekers uit te leggen, maar het blijkt steeds duidelijker, dat men in 't algemeen ongevoelig is voor de schoonheid van deze oneindige wereld-in-een-besloten-vlak. De meeste mensen snappen eenvoudig niet waarom het gaat. Dat vind ik extra treurig, omdat ik bezig ben aan een volgend exemplaar, dat het eerste verre moet overtreffen. Ingesloten een knipsel uit de catalogus. Als eersteling ben ik er waarachtig niet ontevreden over, maar ik zie nu in, dat het nog heel wat boeiender kan. Zoals je zult opmerken, is het ding geheel en al gebaseerd op een stramien van lijnen, die recht zijn als zij door het centrum lopen en die voor de rest allemaal cirkels zijn, waarvan de middelpunten alle buiten de schijfliggen, maar hoe langer hoe dichter bij de limiet, hoe kleiner de cirkels worden. Al die cirkels snijden elkaar onder hoeken van hetzij negentig, hetzij zestig graden. Anders gezegd: twee- en drietallige assen wisselen elkaar af.

Uit de brieven van Coxeter blijkt, dat een oneindig aantal andere systemen mogelijk zijn en dat, in plaats van de waarden twee en drie, een oneindig aantal hogere waarden als basis zijn te gebruiken. Hij geeft als bijlage een geval van de waarde drie en zeven nota bene! Alleen heb ik niets aan die rare zeven, maar snak ik naar twee en vier (of vier en acht), want daarmee kan ik een vlakvulling maken, zódanig, dat alle dierfiguren, waarvan de lichaamsassen op dezelfde cirkel liggen, ook dezelfde «kleur» hebben, terwijl in het onderhavige geval telkens twee witte en twee zwarte elkaar afwisselen. Mijn grote enthousiasme voor dit soort van voorstellingen en mijn vastbijten in mijn onderzoekingen, zullen mij tenslotte wellicht tot een bevredigende vondst leiden. Hoewel Coxeter mij misschien met een enkel woord zou kunnen helpen, probeer ik het vooreerst liever zelf te vinden, ook al, omdat zo'n theoretische mathematicus en ik op vele punten langs elkaar spreken. Ook kost het hem blijkbaar de grootste moeite om verstaanbare taal voor een leek te schrijven.

En tenslotte: hoeveel moeite het ook kost, des te meer voldoening geeft het mij om zo'n probleem zélf op te lossen op mijn prutserige manier. Maar diep treurig en katerachtig blijft het feit, dat ik tegenwoordig een taal begin te spreken, die door slechts zéér weinigen wordt verstaan. Dat maakt mijn eenzaamheid steeds maar groter en groter. Ik hoor tenslotte nergens meer bij. De mathematici kunnen nu wel vriendelijk en belangstellend en vaderlijk knikken - ik blijf toch maar een prutser voor hen. En de «kunstzinnigen» ergeren zich hoofdzakelijk. Toch heb ik het misschien bij het rechte eind, als ik meer vreugde beleef aan mijn eigen prentjes, dan aan het mooiste kiektoestel van de wereld, met een lens één komma zus en zo. De dag van gisteren werd besloten met het jaarlijkse diner ten huize Kist in Amsterdam. De man werd zestig, dus extra solemneel, maar gezellig als steeds. Maar ook hij en de zijnen, van hoeveel goede wil overigens bezield, hebben geen zin om mij te volgen in mijn verheven cirkelgangen. Bij wijze van tafelrede vertelde ik hun het verhaal van V. d. Neut, over de leeuw die ook zo bang was voor het houden van een speech. Dat vonden ze gelukkig erg leuk. Tenslotte het weer. Heden, voor het eerst sinds veertien dagen echte doorzettende dooi en westenwind. Toestanden die wij hier hebben meegemaakt! Sinds mijn vorige brief onafgebroken mist en rijp aan de bomen zoals ik het nooit zag. Een bespottelijke wereld op z'n kop: niet alleen alles als het negatief van een foto, maar, wegens het voortdurend groeien en gedeeltelijk afvallen van de ijskristallen, sneeuwde het uitsluitend ónder de bomen. Waar vond men beschutting? In de open lucht!'

Baarn 28-2-1959 | 'Ik zit er (soms) schrikbarend over te piekeren, wat moeder en ik van de zomer moeten gaan doen. Ik zie haast geen kans om de benen te nemen op een scheepsbodem in de Mid- dellandse Zee, hoezeer ik daar ook naar snak. God moet, als vanouds, en bij afwezigheid van jullie, er maar raad voor schaffen. Naar Canada komen wij wel eens een keertje samen, maar dit jaar voorzeker nog niet!

Over «succes» met mijn werk heb ik absoluut geen reden om te klagen; evenmin over het ontbreken van nieuwe ideeën, want die zijn er genoeg. En toch plaagt mij bij tijd en wijle een grenzeloos minderwaardigheidsgevoel, een wanhopig gevoel van algemene mislukking; hoe komt een mens aan die gekheden? En ondertussen begint die merel weer te proberen of hij het wijsje van verleden jaar nog kent, op de laatste dag van februari. Ik ben nu begonnen aan een houtsnede, weer rond, met een cirkelvormige limiet, volgens een eigen gevonden systeem, waarop een oneindig aantal kruisen zichtbaar zal zijn, in zwart, rood en wit. Dat moet de paus maar van mij kopen, voor héél véél geld. De symboliek ligt er zó dik op, dat geen mens zal willen geloven dat ik in kruisen niet kan geloven. Amen. Kon ik maar in kruisen geloven, dan zou dat een steuntje voor mijn ruggetje zijn.' 


Baarn 19-4-1959 | 'Minstens een week lang heb ik mijn lieve, smerige, fluwelen huisbroek niet meer aan mogen hebben, niet omdat hij gewassen moest worden, maar omdat ik steeds, min of meer in pontificaal, bezoeken moest afleggen aan ernstig zieke collega Hans van Dokkum (spataderen-operatie, vier uren aan één been, daarna nog eens twee uren lang aan het andere been; toen, na een blijkbaar té snel herstel, embolie met longontsteking, zó erg, dat iedereen dacht dat hij dood zou gaan, momenteel, teruggekeerd uit het ziekenhuis, wéér angstig snel beterende en al door de kamer strompelende); overleden collega Alfred Löb in Den Haag helpen begraven, lijkrede moeten houden, omdat voorzitter zowel als secretaris beide verhinderd waren; lezing over regelmatige vlakverdeling gehouden in Utrecht voor jaarlijkse lunch van leden der bibliofiele stichting De Roos, die mijn boek uitgaven; met Ma bezoek gebracht aan Katjes in Overveen en aan George en Milie in Bentveld ... en, naar het mij toeschijnt nog honderd andere zaken, die mij van mijn werk afhielden. En zo gaat het maar door. Plannen maken met Paul Keiler om in juni van Rotterdam tot Venetië te varen, in gezelschap van een medicus-jeugdvriend van hem uit Bern.

Paul Keiler is net hersteld van een ziekte en snakt naar de zee, ongeveer op dezelfde manier als ik er naar snak. Het is, verdomme, de enige manier om «tot jezelf» te komen, die ons rest. Is dat op zichzelf al geen treurig geval?' 


Baarn 12-5-1959 | 'Hoewel bijkans daas van dagin, daguit in één stuk door (nachtrust daargelaten) geschrijf en getik aan mijn boek, merk ik, dat ik jullie sinds 19 april geen enkele behoorlijke brief meer heb geschreven en dat wordt te gek. Ook voel ik een zekere rust, nu het mij gelukt is om heden de korte bijschriften bij de te reproduceren veertig stuks prenten te beëindigen. Daarmee is misschien het moeilijkste deel van het werk achter de rug, want ach ach, wat heb ik zitten prutsen, vijlen en schaven aan die onderschriften! Hier en daar zijn naar mijn smaak werkelijk fraai gecomprimeerde beschrijvingen ontstaan. Jammer dat ik niet wat jonger ben, want dan zou het een nog nuttiger oefening zijn geweest met het oog op eventueel toekomstig gebruik van de verworven kunde (indien van kunde sprake kan zijn) om je lapidair uit te drukken. Ik heb tijdens dit, overigens niet vervelende werk, het treurige gevoel van oud te worden, want wie, zo niet een oud mens, gaat zijn tijd vullen met het besabbelen en bezeuren van dingen, die hij al jaren en jaren geleden heeft gemaakt? Het is geen creatieve bezigheid, maar het is écht oude koeien uit de sloot halen. Nu rest mij nog het schrijven van een inleiding.' 

Baarn 24-5-1959 | 'Oef, mijn boek-geschrijf is klaar. Dat is een pak van 't hart. Nu nog snel spurten aan twee dringende opdrachten (tjes) en na de vakantie ernstig peinzen over een decoratie (met regelmatige-vlakverdelingsmotieven natuurlijk) van een buitenmuur van een nieuw lyceum in Den Haag. Vóór ik weg ga, moet ineens haast je repje de kwestie van de met tegels te versieren drie zuilen voor een andere Haagse school klaar komen, maar dat kost mij niet zoveel hoofdbrekens. Allergekst wat je met één enkele vierkante tegel al zo kunt doen. Daar staat de «Fles» in Delft van verstomd. Dezer dagen een groepstentoonstelling in Amsterdam,  5 juni opening van een particuliere idem in Hengelo, je zou er stapel van worden.' 

Baarn 21-6-1959 | 'Ons mooie kaartenhuis (ik vond het al een precair geval van het begin af) is helemaal omgewaaid. Paul heeft de reis natuurlijk moeten afzeggen in verband met zijn advocaten- baan; Eddy en Irma komen tegen het einde van juli in Brussel en kunnen dus niet onbepaald lang op moeder wachten; G. en M. hebben ook weer andere plannen in het vooruitzicht. Toen heb ik maar de middeleeuwse kreet «God wil het» geslaakt. Wat wil God? Blijkbaar dat moeder en ik samen op reis gaan. Ik heb Eddy geschreven, ben in Bentveld gaan praten, heb moeders KLM-ticket geannuleerd en Pauls passagebiljet laten overschrijven op moeders naam. En nu blijven wij maar rustig wachten tot die zeelui hun stakerij staken. En zodra er een van de twee in aanmerking komende boten in Rotterdam of Antwerpen komt, stappen Ma en ik daarop en reizen wij volgens het oude plan naar Venetië.

Moeder is, zoals jullie nu wel langzamerhand weten, zelden of nooit enthousiast over iets (of het moest dan zijn een little canadian in the making). Zo toont zij ook voor dit plan geen enorme animo, maar zij vindt het toch een prettiger idee om met mij op zee rond te zwalken, dan met Eddy en Irma over de boulevard in Menton te wandelen.

Wat mijn werk betreft en jullie vragen naar nieuwe prentjes: sinds meer dan een maand, misschien zelfs wel twee maanden (ik kan niet erg goed nadenken, want ik ben met mijn schrijfmachine op het terras gaan zitten in mijn bijna naakje, om van de zon te profiteren, die dan ook momenteel op mijn rug schijnt, maar die mijn gedachten ondertussen niet helderder maakt) heb ik geen tijd gehad voor «vrij werk».' 


GEWIEKSTE TANTES 

Baarn 5-7-1959 | 'Het boek van de Erven Tijl belooft mooi te worden; ik bracht hun een heel stel prenten om te reproduceren; in oktober uiterlijk willen ze het doen verschijnen. Ik kreeg een leuk bezoek van een prof uit Baltimore met zijn vrouw, beide verwoede kristallografen, die mij persé in de volgende zomer, op een internationale bijeenkomst te Londen van kristalkijkers (oftewel sym- en antisymmetristen) (anti-symmetrie betekent het gebruik van contrasterende tinten bij de voorstelling van zich in de ruimte of op het platte vlak herhalende motieven, waar de Russische wetenschapsmensen zich in de laatste tijd mee bezig houden en waar ik persoonlijk helemaal niet buiten kan, sinds ik met de regelmatige vlakverdeling dertig jaar geleden begon) een voordracht over mijn RV willen laten houden. Toen ik mijn gewone liedje zong van «ik weet niets van wiskunde af», werd mij geantwoord: u weet er blijkbaar meer van af dan wij allemaal. Stel je voor! Wie weet, misschien komt het er heus van, als wij niet in Canada zitten op dat moment. Ik had allang in de gaten, dat de ouderwetse kristallografen in hun maag zitten met mijn contrasterende tinten; de oude Terpstra bijvoorbeeld vindt, dat je niet van «glijspiegeling» mag spreken, als de kleur verandert. En nu geven de Russen mij gelijk. Als volkomen leek op wetenschappelijk gebied, heb ik natuurlijk nooit last gehad van verstarring, maar ik kan mij best voorstellen dat die oude wetenschappelijke heertjes moeite hebben om kleurloosheid (contouren) los te laten.' 

Baarn 22-8-1959 | 'Nu dan onze vier weken op de Middellandse Zee en in de Italiaanse havens. Het belangrijkste, en wat ons allemaal het naaste aan het hart ligt, is de vraag: hoe hebben die Pa en Ma het er samen afgebracht? Welnu, in één woord: prima. Die Ma heeft zich schitterend gehouden. Tenslotte heeft zij zelfs ook nog in het ondiepe lauwe zeewater aan het strand van Brindisi gesparteld, in gezelschap van de voltallige kluit passagiers. Wij hebben alle reden om dankbaar te zijn voor die staking van de Italiaanse zeelui, want die was de oorzaak van mijn sprong-door-de-ton, als je weet wat ik bedoel. Het was de best denkbare voorbereiding voor een tocht naar Canada het volgende jaar, want daar zijn wij nu vast toe besloten.' 

Baarn 2-11-1959 | 'Aanstaande donderdag installeren ze me als lid van de Baarnse Rotaryclub; tot mijn plezier behoort daartoe sinds zeer kort ook mijn vrolijke vriend De Cneudt, behalve dan Klijn, die al zolang mijn toetreden op het oog had; zó lang al, dat ik argwaan begon te koesteren omtrent de gezindheid jegens mijn persoon van het gros der Baarnse zeurpieten; maar dat schijnt toch niet het geval te zijn. Toch ga ik er met een zekere geïrriteerdheid heen, want er horen ook lui bij uit de Soestdijkse hofkliek en daar heb ik een broertje aan dood.

Zonet een telefoontje van de Erven Tijl, dat overmorgen enkele ingebonden proefexemplaren in mijn handen zullen komen.

En waarachtig heb ik ook nog wat kunnen Coxeteren! De eerste plank is af.

Het leukste dat mij de laatste tijd overkwam, was echter een bezoek gisterenmiddag vandaar dat ik niet kon schrijven aan jullie van een dame, geheten Prof. Dr. MacGillavry, docente in de kristallografie aan de Amsterdamse universiteit. Zij kwam met haar schoonzus, ook op de een of andere wijze geïnteresseerd in 


Draaikolken, driekleurenhoutsnede, november 1957, 


Boloppervlak met vissen, driekleuren-houtsnede, juli 1958, 


Cirkellemiet III, vijfkleurenhoutsnede, december 1959


Cirkellemiet IV, tweekleurenhoutsnede, juli 1960

vlakverdelingen en ze hebben met z'n beiden in mijn prenten zitten neuzen van half drie tot ruim half zes. Dat waren me nog eens een paar gewiekste tantes! Het is een verademing om eindelijk eens be- zoekers te ontvangen, die niet, zoals meestal, verwilderd op mijn beestjes zitten te staren, maar die hoogst geamuseerd grinniken waar er te grinniken valt. J. Chr.!, wat zaten ze te turen op sommige prentjes. Een paar maanden geleden ontving ik een Belgisch-Amerikaanse collega van haar, ene Prof. Donnay, die ergens in de US doceert en die schijnt mevrouw MacG. op mijn spoor gebracht te hebben. Ze wou blijkbaar eerst wel eens weten wat voor vlees ze in de kuip kreeg, vóór zich met mij te compromitteren. Nu dat blijkbaar meeviel, zal ze moeite doen om mij een voordracht te laten houden in augustus 1960 in Cambridge, waar een stuk of zevenhonderd kristallografen dan een congres houden. Daar sprak die Donnay trouwens ook al over en nu ziet het ernaar uit, dat het wel zal doorgaan. Daar komt dan ook een tentoonstelling van mijn prenten aan te pas en de reis- en verblijfkosten worden mij vergoed. Jullie snappen, dat een dergelijk buitenkansje niet aan mijn neus moet voorbij gaan; dus áls moeder en ik naar Canada komen, zal dat wel september 1960 worden, maar dat lijkt mij geen bezwaar.' 

Baarn 27-12-1959 | 'Na een gezellig en vruchtbaar gesprek met Klijn aanvaard ik elke week de Rotary-lunchpartijen met meer gelatenheid en minder tegenzin dan een maand geleden. Ze zijn misschien wel een prima medicijn tegen dat typische mixtum van min- en meerderwaardigheidsgevoel dat mij plaagt, en mij niet alleen, naar ik vermoed. Als je de edele opzet maar niet al te zwaar opneemt, dan is het toch wel een grappig geval, al die rare mannen daar samen.' 

Baarn 10-1-1960 | 'Van Arthur kwamen tegelijkertijd twee brieven, één voor ons en één voor Jan. Behalve ellenlange plichtplegingen en excuses staat er ook wel wat interessants in, met name een be- schrijving van zijn droppingvlucht om uitgehongerde Fransen te ravitailleren. Ik las een boek van de heer Nevil Shute, genaamd The Beach; zoiets als het verstoorde mierennest. De gehele mensheid sterft tenslotte aan nucleaire vergiftiging. Erg theatraal en sentimenteel, maar het boeide mij toch, want ik vind het aardig om te zien hoe iemand zich zoiets voorstelt. In zekere zin is er overeenkomst met mijn eigen werk: het grijpt niet «hoog» noch «diep», maar het getuigt van voorstellingsvermogen van situaties die niemand kan controleren. ' 

In november 1959 heeft Escher van een klant een artikeltje toegestturd gekregen van L. S. en R. Penrose over onmogelijke voorwerpen. Er wordt daarin verwezen naar een paar oudere prenten van hem, maar er wordt ook een tekening van een eindeloze trap in gepubliceerd, die hij nog niet kent en die hem inspireert tot een nieuwe litho. In een brief aan Arthur, die nu in Nieuw-Guinea zit, vertelt hij hierover. 


KLIMMEN EN DALEN 

Baarn 24-1-1960 | 'Ik zou wel eens wat meer van je tegenwoordige werk willen horen; wij weten eigenlijk niet wat je op 't ogenblik uitvoert. In afwachting daarvan kan ik je bijvoorbeeld vertellen, dat ik bezig ben met het ontwerpen van een nieuwe prent, waar een trap op voorkomt, die steeds maar klimt of daalt als je wilt. Rond gaande zou dat normaliter een spiraalvormig geval moeten worden, waarvan het bovenste deel zich in de wolken verliest en het onderste in de hel. Niet aldus bij mij: het is een gesloten ringvormig ding, als een slang, die zichzelf in z'n staart bijt. En toch is het perspectivisch juist te tekenen: elke trede hoger (of lager) dan de voorgaande. Er lopen een groot aantal menselijke figuren op, in twee richtingen. De éne stroom stijgt moeizaam tot in het oneindige omhoog, de andere daalt zonder einde. Het principe vond ik in een publikatie, die mij werd opgezonden en waarin ik zelf word genoemd als maker van verscheidene zogenaamde «impossible objects». Maar die trap, waarvan de schrijver een duidelijk, maar prutsig tekeningetje geeft, kende ik nog niet. Enige andere voorbeelden die hij geeft, verwerkelijkte ik wél. Een treurig pessimistisch onderwerp, die trap, maar zéér diepzinnig en absurd. Met dergelijke vragen op zijn lippen is ons aller Albert Camus dezer dagen in de auto van zijn vriend te pletter tegen een boom gereden. Een absurde dood, waar ik een beetje van onder de indruk ben. Ja ja, we klimmen maar; we verbeelden ons dat we klimmen; elke trede circa twintig centimeter hoog, verschrikkelijk vermoeiend en wat schieten wij ermee op? Niets; we komen geen stap verder of hoger. Ook dalen, heerlijk naar beneden hollen, lukt ons niet. Over zijn «chutes» spreekt een mens niet zo graag, over zijn klimpartijen des te liever. Nu dan. Ze hebben mij officieel uitgenodigd om in augustus aanstaande een lezing en een tentoonstelling te houden in Cambridge, tijdens een internationaal congres van kristallografen. Een mooie boel: van kristallografie, in wetenschappelijke zin, weet ik niets, maar ze verkneukelen zich blijkbaar in mijn fantasieën. Nou, dan moet ik er maar heen, vind je niet? Onmiddellijk daarop het kleinkind gaan bekijken in Canada. En je maar afbeulen, en maar geloven dat je hoger komt. Wat een absurditeiten allemaal. Ik word er misselijk van, zo nu en dan.' 

Met de organisator van het congres in Cambridge, de heer Taylor, ontstaat een drukke briefwisseling over praktische zaken betreffende de tentoonstelling, de lezing, de huisvesting, en deelname aan de verschillende evenementen. Alles wordt zeer precies besproken en geregeld. Prof. Terpstra uit Groningen ontvangt uit Rusland een zeer positieve reactie op Eschers werk, en schrijft deze daar een aardige brief over. 

Groningen 1-11-1960 | 'Zeer geachte Heer Escher, Ik had een exemplaar van uw Grafiek en tekeningen [het door de Erven Tijl uitgegeven boek] gestuurd aan Academiker A. W. Schubnikov in Moskou (een van de hoogste autoriteiten op kristallografisch gebied!). Vandaag kreeg ik een brief van Schubnikov waarin hij zegt: «De prenten van Escher zijn voor mij bijzonderinteressant, omdat ze de beste illustrering vormen voor de theorie der antisymmetrie. De afbeelding op de band van het boek, bijvoorbeeld, laat zien dat er antisymmetrie-assen van de tweede orde bestaan in de gegeven tweedimensionale symmetriegroep. Grote indruk maakt de prent Dag en Nacht. Deze kan worden beschouwd als de imaginaire antisymmetrie-operatie van de transformatie van onze lichte, linker wereld in de rechter, donkere 'Dirac-se' tegenwereld.» Ik vermoed dat u dit genoegen doet. Met beste groeten, P.Terpstra.' 

Baarn 20-3-1960 | 'Hier gebeurt niet veel schokkends. Ik heb mij rot gewerkt, eerst om éindelijk die litho af te maken (is al bij de oude drukker Andréa, die zijn vrouw verloren heeft; een moedige, zielsongelukkige oude man; de proefdrukken heb ik nog niet) en vervolgens, de tanden op mekaar, vier dagen lang nog eens negen mooie afdrukken van die hoogst bewerkelijke cirkellimiet-in-kleuren gemaakt. Elke druk bestaat uit een serie van twintig maal afdrukken: vijf planken, elke plank vier keer. Dit alles met het eigenaardige gevoel, dat dit werkstuk een «mijlpaal» in mijn ontwikkeling betekent en dat er nooit iemand zal zijn, behalve ikzelf, die dat zal inzien. Toch verkocht ik laatst de eerste maal er een afdruk van, voor honderd gulden, aan een jonge architect. In mijn enthousiasme heb ik hem blijkbaar «omver» gepraat. Later heb ik alle mogelijke moeite gedaan om hem van zijn besluit af te brengen, maar hij wou het bepaald hebben. De eerstvolgende dagen van afwachten ga ik gebruiken met het samenstellen van mijn lezing in Cambridge; hoe eerder dat klaar is, hoe beter, met het oog op eventuele komende zenuwinspanningen.'

Baarn 27-3-1960 | 'Jim Frater, van origine Schot, zoals jullie misschien weten, geeft mij, op mijn verzoek, Engelse conversatielessen. Voor mijzelf ben ik ondertussen begonnen met een uiterst interessant boek, getiteld Art and Illusion [van de kunsthistoricus E. H. Gombrich], een psychologisch onderzoek van de vraag: hoe ontstaan menselijke beelden in het algemeen en kunstwerken in het bijzonder. Ik kreeg het cadeau van de Amerikaanse uitgever, omdat er een prentje van mij in is afgebeeld (Andere Wereld).'

 

MOZART 

Baarn 6-4-1960 | 'Om vrede te hebben met dit rare leven; om te aanvaarden wat wij niet begrijpen; om rustig af te wachten wat ons te wachten staat, moet je wijzer zijn dan ik ben. Maar ik lees zo nu en dan een kapitteltje in een boek van Ortega y Gasset, getiteld De Mens en de Mensen, mij aangeraden door dr. Klijn (die al Ortega's werken bezit). Nu, ik moet zeggen: niet gek, en beter dan slaappillen. Klijn is, wat je zo noemt: een binnenvetje. Ik bezocht hem en zijn vrouw laatst weer eens 's avonds. Ortega en Mozart vormden grotendeels de onderwerpen van ons gesprek. Hij heeft een bijzonder fraaie grammofoon-installatie en draaide de Konzertante Symfonie in Es dur, voor viool en alt met orkest, voor mij. Nu is dat toevallig het énige werk van Mozart, dat mij telkens doet aarzelen, als ik zeg, dat ik niet veel van Mozart houd, want het ontroert mij tot in mijn weet ik veel, botten. Ik hoorde het tweemaal in natura, onder wijlen Van Beinum, met Nap Klijn en Paul Godwin (deze laatste alt). De twee uiterste delen zijn, zoals wij dat van M. kennen, uitgelaten vrolijk, of «vol levensvreugde» zoals de kenners zeggen. Maar het centrale deel is zo godvergeten treurig en prachtig, dat je moet proberen om niet sentimenteel te worden. Ik herinner mij zeer duidelijk die prachtige alt-speler Godwin, die zijn ziel lag (stond) bloot te leggen voor het concertgebouw-publiek. Ellendig mooi. Nu, de plaat van Jan Klijn was ook mooi, hoewel mijn herinnering natuurlijk niet te overtreffen was. Ik bestelde ogenblikkelijk twee exemplaren en zend jullie daar één van, zodra ze komen.

Ik moet naar Jim voor mijn Engelse les. Ben druk in correspondentie met een Schotse prof in de chemie, die mij lange verhalen schrijft over Alice in Wonderland, en chemische formules geeft van de samenstelling van «looking-glass milk». Zulks in verband met mijn glijspiegelingen, waarover hij een lang artikel, met zes reprodukties, gaat schrijven in een maandblad voor bierbrouwers in Groot-Brittannië. Ik denk, dat hij gepensioneerd is, want hij schrijft maar raak, bladzijden vol. Ik heb hem uitvoerig moeten inlichten over «the sex-life» van mijn wentel teef, die hij «twiddle-bug» noemt.' Escher stuurt vader en zoon Penrose in Londen een brief en een afdruk van Klimmen en Dalen.

Baarn 18-4-1960 | 'Een paar maanden geleden werd mij door een vriend een fotokopie gestuurd van uw artikel. Uw figuren 3 en 4, doorlopende trap, waren volslagen nieuw voor me, en ik raakte zo onder de indruk van dit idee dat het me onlangs inspireerde tot het maken van een nieuwe prent, waarvan ik u graag als blijk van hommage een origineel exemplaar zou willen sturen. Mocht u andere artikelen over «onmogelijke objecten» of aanverwante onderwerpen gepubliceerd hebben met goede tekeningen, of mocht u die kennen, dan zou u mij ten zeerste verplichten door mij daarover nadere gegevens te verstrekken.'

Escher krijgt een enthousiaste reactie en een kopie van een artikel over puzzels, dat hem zeer boeit. Op 1 mei 1960 stuurt hij aan Coxeter een afdruk van Cirkellimiet III met een gedetailleerde beschrijving. 'Hij is bedoeld als een uitwerking van de eerste prent in zwart-wit, die u al eerder hebt ontvangen, en hoewel ik geenszins een ideaal heb bereikt, ben ik dit keer stellig beter geslaagd dan de vorige maal. Het hele vlak is opgevuld met reeksen vissen, theoretisch eindeloos in aantal, die kop aan staart zwemmen in dezelfde kleur. De witte bogen door hun lijf beklemtonen de continuïteit van elke reeks. Er waren minimaal vier houtblokken nodig, voor elke kleur één, en een vijfde voor de zwarte lijnen. Elk blok heeft ruwweg de vorm van een sector van negentig graden. Dit houdt in dat de hele prent bestaat uit vier maal vijf, is twintig afdrukken. De centrale as is viertallig voor de zwarte lijnen, maar tweetallig voor de kleuren. «Stroomafwaarts» bezien, heeft ieder figuurtje in de reeks vissen een viertallige as aan het uiteinde van zijn rechtervin en een drietallige aan het uiteinde van zijn linkervin.' Escher doet Coxeter ook een voorstel: tijdens zijn bezoek aan George in Canada wil hij naar Toronto komen om daar de lezing van Cambridge te herhalen. Coxeter reageert bewonderend op de prent, die hij meteen in een eigen college als illustratie gaat gebruiken, en gaat akkoord met het plan voor de lezing in Toronto. Coxeter geeft in zijn brief ook een lange wiskundige verhandeling, die Escher boven zijn pet gaat, zoals blijkt uit wat deze aan George en Corrie schrijft. 

Baarn 28-5-I960 | 'Er kwam een enthousiaste brief van Coxeter over mijn gekleurde vissen, die ik hem stuurde. Drie zijdjes vol met explicaties van wat ik eigenlijk wel gedaan heb. Jammer dat ik er niets, maar dan ook niets van begrijp. Zijn jullie geïnteresseerd in Nevil Shute? Ik las Requiemfor a Wren; misschien wel een sentimenteel verhaal, maar ik werd er sterk door getroffen; een ouderdomsverschijnsel? Je kunt het krijgen als je wilt.

De heer Nevil Shute beschrijft in zijn arme-Wren-verhaal onder andere een reis van dat kind met een vrachtboot van Rotterdam via het Panamakanaal naar Seattle, in een Hollandse boot met een brave kapitein. Het zóu inderdaad kunnen zijn dat Shute niet alles uit z'n duim zuigt en dat er wérkelijk een mogelijkheid bestaat voor zo'n lange zeereis naar de westkust van Noord- Amerika.'

Na enig speurwerk blijkt er een Italiaanse vrachtboot te zijn die van Genua, via het Panamakanaal, naar de noord-westkust van Amerika gaat en Escher naar Vancouver zou kunnen brengen. Vandaar zou hij dan per trein naar de andere kant van Canada kunnen reizen, waar George woont. Tot zijn grote genoegen lukt het hem inderdaad om alles zo te organiseren, dat hij na het congres in Cambridge van 17 tot 20 augustus zich op 29 augustus kan inschepen te Genua, terwijl Jetta per vliegtuig vooruit gaat naar Canada.

Voor het zover is, blijft er nog veel te doen. Lezing en begeleidende tentoonstelling worden minutieus voorbereid, terwijl telkens weer nieuwe geleerden contact met hem opnemen. Zo ontvangt hij een brief van prof. C. N. Yang van Princeton, met het verzoek zijn vlakverdelingsstudie «Ruiters» te mogen gebruiken als illustratie in diens boek Elementary Particles.

Half juni krijgt hij ook een brief van prof. Loeb, die zijn werk al lang bewondert en hem nu wil opzoeken; hij is verbonden aan het MIT in Cambridge Mass., USA, maar is van huis uit Nederlander en op dit moment in Holland bij zijn ouders. Het bezoek vindt plaats en is een groot succes; er ontstaat een blijvende vriendschap uit. Escher beschrijft het aan George en Corrie. 

Baarn 2-7-I960 | 'Daarbij komt, dat ik waarschijnlijk mijn lezing in Cambridge nog eens over moet doen in Cambridge USA, bij Boston, begin oktober. Ik kreeg namelijk een allergezelligst bezoek van een jonge, joodse, ex-Nederlandse, Amerikaans genaturaliseerde professor aan de universiteit in laatstgenoemde plaats. Een vervaarlijk geleerde heer genaamd Loeb. Hij doceert mathematica, ontwerpt computers, doet de kristallografie voor de lol erbij, houdt ook een voordracht in C. (Eng.), las mijn abstract in de verzameling van voordrachten die net is uitgekomen en bekeek met geweldig veel plezier urenlang mijn prentjes. Het gekste van alles is, dat hij zei: ja, weet u, eigenlijk ben ik musicus van beroep. Hij speelt clavecimbel, fluit en hobo en geeft concerten. Wat zijn er toch curieuze mensen op de wereld! Daar heb je nou zo'n verlegen jonge man, waarvan je zou zeggen: 't is misschien een kantoorklerk. Hij kwam hier uit Naarden op de fiets aanzetten, met een tas boordevol atoom-formatiemodellen van perspex; dikke platen, die samen een transparant blok vormen, waarin je de atomen plastisch ziet zitten. Alle platen zijn onderling verschuifbaar, waardoor je alle mogelijke formaties kunt maken. Dat gaat hij in C. ook tentoonstellen. Hij hoopt in zijn US-woonplaats binnenkort een autootje te kunnen kopen, nu hij zijn clavecimbel nagenoeg heeft afbetaald. Hij zegt dat zijn universiteit mij die reis heen en terug van St. Andrews naar Boston graag zal betalen, want hij vindt het bepaald nodig om zijn studenten mijn plaatjes en praatje te laten horen en zien. Ik zal bij hem kunnen logeren.' 


HET CONGRES IN CAMBRIDGE 

Baarn 28-8-I960 | 'Vanmiddag brengen Jan of Arthur mij per auto naar Utrecht, alwaar ik in de slaapwagen stijg. Omstreeks twaalf uur's middags, maandag, ben ik in Genua en word aan boord van de Pao Toscanelli om half drie verwacht. Dat kon dus allemaal niet beter. De Toscanelli schijnt de modernste vrachtboot van die lijn te zijn. Mijn boot schijnt dus wérkelijk de zçste te vertrekken; dat is drie dagen later dan volgens het reisschema en die dagen halen wij misschien wel in, zodat het mogelijk is, dat ik 7 oktober in Vancouver aankom. 

Nu moet ik toch langzamerhandwat over mijn Cambridge verblijf vertellen. Het was in één woord: heerlijk. Vier dagen lang hebben ze me daar vertroeteld. Mijn positie als enige kunstenaar tussen twaalfhonderd congresleden (plus minstens driehonderd studenten) was dan ook bijzonder gunstig. Nauwelijks aangekomen, haast-je rep-je verkleden in mijn mooiste pak en aanzitten, in St. Catherine's College, aan een Luncheon, als lid van «the Company of Principal Speakers». Daar leerde ik dus onmiddellijk de kopstukken van het congres kennen. Ik zat tussen de heer Belov, leider van de Russische delegatie, bestaande uit zevenenveertig leden, en een Amerikaan, wiens naam ik mij niet meer herinner. Allebei verbazend gezellige en vriendelijke lieden, die zich uitputten in loftuitingen over mijn tentoonstelling (die ik zelf nog niet eens gezien had). De volgende ochtend om kwart over tien hield ik mijn lezing in de grootste gehoorzaal die ze hebben, een eerbiedwaardig, door gotische bogen en zuilen omgeven, amfitheaterachtig geval dat tweehonderdtwintig zitplaatsen bevat. De aandrang der toehoorders was echter zó groot, dat ze overal op de trappen zaten. Ik denk dat er wel driehonderd aanwezigen waren en vele anderen betuigden mij later hun spijt, dat ze er niet meer in hadden kunnen komen. Het ging schitterend; ik was absoluut niet zenuwachtig en heb, blijkens later vernomen commentaar, zeer duidelijk en verstaanbaar gesproken. Op een witte wand werden telkens (op mijn verzoek) twee lichtbeelden tegelijk geprojecteerd. Ik had er zelf zó'n plezier in, dat ik het heb gewaagd, buiten mijn geschreven tekst om, nog een paar grapjes te debiteren. Na mijn einde werd ik bedolven door een oorverdovend handgeklap; ik moet zeggen: het is niet onaardig om zoiets te beleven.

Mijn tentoonstelling was ingericht op lange tafels, keurig netjes, met gedrukte catalogi, in een enorme examenzaal, waar, behalve mijn prentjes, allerlei technische snufjes en rare instrumenten werden getoond, als: een hele rij computers, microscopen enz, enz. Het leek wel op een zaal van een wereldtentoonstelling. Daarnaast: een conversatiezaal met fauteuils, tafels, een buffet waar de hele dag thee en koffie en limonade gratis werden geschonken en waar steeds honderden congresleden rondliepen en zaten en converseerden. Daar had ook ik allergezelligste gesprekken, onder andere met verschillende Russen, die buitengewoon slecht Engels spraken en goedlachs waren. Ik verkocht drieëntwintig prenten in vier dagen; dat was een hele administratie op zichzelf, om niet in de war te raken, alle adressen goed te noteren.

Grote belangstelling van de Mit-leden voor mijn voordracht in Cambridge Mass. (voorlopig vastgesteld op 28 oktober aanstaande). Daar zal ik, tijdens mijn bootreis nog hard op moeten zwoegen, want ze willen graag méér dan vijfenveertig minuten en meer plaatjes. Ze maken er daar misschien nog een heel spektakel van. George moet mijn nieuwe tekst dan nog maar wat corrigeren. Ik ga gewoon de bijschriften in mijn boek vertalen. Een mooi concert in King's Chapel; een interessante excursie naar Ely (Noormannenkathedraal)... te veel om op te noemen en geen minuut om mij te vervelen. Enigszins bekaf begin ik nu mijn lange zeereis; ik realiseer het mij nog nauwelijks, maar het zal ongetwijfeld heerlijk zijn.'


Escher met zijn medebestuursleden van de 'Grafische', juli 1960. Van links naar rechts, staand: Jan Bezemer, Cor Bassant, Lou Strik, M.C. Escher. Zittend: Gerd Arntz, Hans van Dokkum, Pam Rueter. Escher was jarenlang archivaris van de "Grafische", vereniging tot bevordering der Grafische Kunst


Lees meer →