M.C. Escher

Italië en Spanje

Italië en Spanje 1922 -1924

Op 5 april 1922 vertrekt Mauk met Jan van der Does de Willebois en Bas Kist uit Arnhem, met bestemming Florence. In zijn reisdagboek noteert hij als motto de laatste ouderlijke raadgevingen op het station: 'Mevrouw Escher: «Jongen, rook niet te veel!» Mevrouw Kist: «Jongen eet genoeg!» Mijnheer Willebois: «Jongen, drink niet te veel!»'. Aan het eind van zijn leven zal Kist zich deze reis nog goed blijken te herinneren. 'Zodra de trein in beweging was, kregen wij het gevoel van enorme opluchting, zodat er gedurende de reis aan één stuk werd gelachen. We logeerden in een pension aan de Arno. Alleen de Primitieven en de vroege Renaissancisten waren in onze ogen de moeite waard. De David van Michelangelo, die je volgens Mauk overal in Florence ontmoette, was stomvervelend. In de grafkapel van de Medici werd vooral de «tekening» van het marmer bewonderd. Cimabue en mindere goden zoals Margeritone d' Arezzo waren favoriet. Enige malen gingen wij naar een kapelletje aan de buitenkant van de stad, San Leonardo in Arceti (dat Mauk het jaar daarvoor had ontdekt), speciaal vanwege de marmeren preekstoel met de kruisafname.'

Na een bezoek aan de Santa Croce vermeldt Escher in zijn reisdagboek: 'Verwonderlijk veel schone deernen zijn er in Florence.' De drie vrienden en jans zuster Lex, die zich bij het gezelschap heeft gevoegd, maken op 15 april de plechtigheid mee van de (mechanische) duif, die langs een draad heen en weer vliegt tussen de Dom en het Battistero en een oorverdovend vuurwerk aansteekt, onder het gejuich van een geweldige menigte. Na een laatste bezoek aan de Santa Croce en het Battistero, 'vele pasgeboren zuigelingen zien dopen', moet Bas op 17 april helaas huiswaarts keren. Hij leent geld van Escher en kan zich op de terugweg nog net een doosje dadels als mondvoorraad veroorloven. Op 22 april gaat ook Jan naar Nederland terug. Escher en Lex reizen verder, over Empoli naar Poggibonsi, en vandaar naar San Gimignano. Het laatste stuk gaan ze met een rijtuigje, 'terwijl de 17 torens van San Gimignano hoe langer hoe dichter bij kwamen. Het was gelijk een droom, die onmogelijk werkelijkheid kon zijn.' Escher begint er serieus te tekenen. Op 28 april schrijft hij in zijn dagboek: 'Ik begon 's morgens met het maken van een schetsje van een olijf met op de achtergrond de 'silhouet van de torens van het stadje.'
 Op 2 mei gaan ze weer naar Poggibonsi, waar Lex de trein naar Florence neemt. Escher keert naar San Gimignano terug. Op 5 mei bezoekt hij Volterra; nog dezelfde dag reist hij via San Gimignano en Poggibonsi naar Siena, waar hij een kamer vindt in pensione Guiseppa Alessandri, via Salustro Bandini 19, waar hij meermalen is teruggekomen. Hij is een bewonderaar van de gebroeders Lorenzetti en de vroege Sienese schilders, die hij daar in overvloed kan vinden. Op 9 mei maakt hij zijn eerste schets in de stad; op 10 mei tekent hij het uitzicht uit zijn kamer. De volgende dagen vindt hij mooie plekjes om Siena uit de verte te tekenen. Op 14 mei maakt hij een 'zeer grote' wandeling in de omgeving van Siena. Over de hellingen van de Monte Maggio noteert hij: 'De aarde was meestal donker rood. Ik zag daar o.a. een grote tor die achterwaarts lopende een grote bal (van plantenvezels en aarde) de berg op duwde. De bal had een middellijn van 3 cm. Het wijfje kwam achter haar echtgenoot aangewandeld. Beide torren waren geheel zwart.' Een stel dergelijke mestkevers zal hij in 1935 in hout graveren.
 Op 15 mei reist hij verder naar Orvieto. In de Dom ziet hij 'mooie fresco's van Signorelli, hoewel reeds 15de eeuws'. Hij maakt schetsen van de stad en van de steile rotswanden. De natuur in de omgeving vindt hij 'de mooiste die ik tot dusver zag'.
 Op 22 mei vertrekt Escher weer. Via Terontola en Perugia reist hij naar Assisi. Daar ontmoet hij in Hotel Minerva de Nederlandse schildergraficus Huub Gerretsen, een jaar ouder dan hij, die vele kennissen met hem gemeen heeft, onder andere van de school te Haarlem. Kort voor zijn dood zal Gerretsen Deze ontmoeting beschrijven. 'Op een dag kwam er een jongen binnen, die O zeldzaamheid Hollander bleek te zijn. Hij had een markante neus, heldere blauwe ogen, een wat onzekere mond en een uitdrukking van gulle goedhartigheid. Hij vertelde hoe hij van Italië genoot, een land om nooit weer uit weg te gaan. Na zijn vertrek kreeg ik nog een kaart van hem uit Ravenna. Daarna hebben wij elkaar nog dikwijls ontmoet. Enorm zoals zijn gezicht toen in de loop der jaren is veranderd; het profiel als uit camee gesneden, de havikachtige neus, de wenkbrauwen sprietig als de uitsteeksels van een insect ze behoorden bij zijn uitrusting; maar de ogen nog even helder blauw, de lach nog gul uitschietend als indertijd in de zon van Italië.'
 Op 29 mei reist Escher weer verder: via Foligno en Fabriano naar Urbino, waar hij onder de indruk raakt van de prachtige omgeving: 'Ik zou hier waarschijnlijk maanden moeten blijven om de onstuimig golvende heuvels en de zeer rijke plantengroei te leren begrijpen.' Op 31 mei gaat hij per bus en trein naar Calmazzo, vanwaar hij in zes uur naar Urbino terugwandelt, door het schitterende landschap.

     

 

  Italiaans landschap (omgeving van Siena), tekening januari 1923

 

Op 2 juni reist hij naar Ravenna, via Pesaro en Rimini. Omdat hij op zijn aansluiting moet wachten, heeft hij in de laatstgenoemde stad ruim de tijd om de Dom te bekijken en aan het strand te liggen zonnebaden. Ook in Ravenna blijft hij niet lang: op 5 juni gaat hij via Ferrara naar Venetië, waar hij onder meer de Biennale bezoekt. Dan op 9 juni naar Padua; hier had hij wat langer willen blijven, maar hij begint ongedurig te worden. De volgende dag al vertrekt hij naar Milaan, waar hij op 12 juni de trein naar Nederland neemt; zoals hij aan zijn ouders schrijft, 'om niet teveel te verwerken te hebben'. Thuisgekomen kan hij zijn ouders een map met reistekeningen laten zien, waarvan 'de oude Es' met zijn gebruikelijke gedetailleerdheid opmerkt: 'alle gemaakt met de pen, de meeste in zwarte lijnen, enkele met halftinten, verkregen door uitkrabben'.

 

WEER NAAR HET ZUIDEN

Escher Iaat zijn meubels uit Haarlem komen en neemt weer zijn intrek bij zijn ouders in villa Rosande. Zijn naam komt nu voor korte tijd weer geregeld in het dagboek van 'de Oude Es' voor. Op 6 augustus noteert deze: 'met Mauk door de grote kijker op het dak de merel bekijken, zoals die, als gewoonlijk zit te fluiten in de daar dode beukenboom in de Beukenlaan. 't Is een zwarte vogel met gele bek. Hij zit telkens op dezelfde plaats vanwaar hij rondom een vrij uitzicht heeft. S. geniet van dat gefluit onder het plukken van frambozen, erwtjes en bonen,en bij mijn bezoeken aan de wc vanwaar ik hem goed kan zien. Maar Escher vind thuis geen rust. Eén van zijn vele Italiaanse schetsen wordt uitgewerkt tot houtsnede, en daar blijft het bij. Hij wil weer naar het zuiden, en de gelegenheid daartoe doet zich al vrij spoedig voor. Zijn vrienden Aad en Fiet van Stolk gaan met hun twee kleine kinderen naar Spanje, per Nederlandse vrachtboot. Hij mag mee; als hij op de kinderen wil helpen passen, krijgt hij de helft van de reiskosten naar Alicante vergoed half september vertrekken ze. Escher grijpt deze kans met beide handen aan. Na een weekje vakantie op Terschelling, samen met Jan van der Does de Willebois, stouwt hij een grote hutkoffer - door zijn vader afgestaan- vol met zijn spullen (waaronder een van zijn ouders gekregen prismakijker). Hij is niet van plan spoedig terug te keren, wat zijn moeder zeer verdriet. Op 13 september scheept hij zich in Amsterdam in op de juno. Eerst varen ze naar Rotterdam en Pernis om lading in te nemen; op 16 september steken ze '"echt" in zee. Er staat een flinke wind. 'Het schip doet mij denken aan een hobbelpaard- de aarde is de draaimolen.'Maar Escher wordt niet zeeziek. Het is de eerste keer dat hij een vrachtbootreis, en hij krijgt meteen de smaak te pakken. Met de bemanning kan hij goed overweg, en het eten is prima. In zij dagboek noteert hij nauwgezet wat er onderweg te zien is . Vanaf de Golf de Biskaje wordt het schip regelmatig begeleiddoor scholen dolfijnen. Op de avond van 21 september roept de 'meester' hem naar de boeg. 'Daar zag ik een onvergetelijk mooi schuwspel: enige bruinvissen, geheel verlicht door de fosforescerende zee, speelden vlak voor het schip. Zij schoten vooruit met een staart van licht achter zich. 'De volgende dag  maakt hij er een tekening van. In februari 1923 zal hij aan dit onderwerp ook een houtsnede wijden. Op 24 september meert de Juno af in Céuta. Escher verbaast zich erover dat er, hoewel het zondag is, meteen wordt gelost. Nog dezelfde dag varen ze door naar Málaga. De volgende haven is Alicante, waar de Van Stolks van boord gaan. Escher neemt daar afscheid van ze, en gaat dan weer aan boord; hij heeft besloten met de Juno door te varen naar Tarragona. Als ze langs de monding van de Ebro komen, wordt de kleur van het zeewater 'plotseling van donker blauw tot groen en later tot nog lichter groengeel. De overgang was zeer plotseling. Oorzaak daarvan is het slib der rivier. Ik maakte daarvan een schetsje in kleur.'

 

STIERENGEVECHTEN

Op 30 september gaat hij in Tarragona van boord. Nog dezelfde dag vertrekt hij per trein naar Barcelona, waar hij bezienswaardigheden bekijkt. Ook woont hij een stierengevecht bij, dat hij 'afstotend van barbaarsheid' vindt. 'Vooral de vele paarden die opgeofferd worden zijn treurig en afschuwelijk om aan te zien, vele daarvan werden weggeleid, al lopende, terwijl grote klonten en brokken ingewanden uit hun opengereten lijf hingen. In het geheel, van half vier tot 6 uur, werden er 17 paarden en 6 stieren vermoord.' Op 5 oktober maakt hij een uitstapje naar Vich; de volgende dag vertrekt hij naar Madrid, een treinreis van vijftien uur. 'De reis was zeer interessant en afwisselend van landschap. , In Madrid bezoekt hij natuurlijk het Prado, 'dat enorm veel schilderijen bevat van grote meesters die mij niets kunnen schelen, en enige mooie: Bosch, Memling, Breughel en primitieve Spaanse'. Ook hier gaat hij naar een stierengevecht, 'dat mij ondanks de gruwelijke moordpartij der paarden beter beviel dan in Barcelona'. Na twee dagen in Avila, waar hij de bezienswaardigheden bekijkt en het uitzicht bewondert, reist hij op 12 oktober door naar Toledo. Aan Jan van der Does de Willebois schrijft hij over deze 'oude trotse stad': 'een warnet van smalle steile bochtige steegjes, een machtige kathedraal en vele oude kerken in zijn geheel gelegen op een rots en omstroomd door de trage Taag, waarover twee hoge wijdgebogen bruggen toegang verlenen tot de stad'. Eén van deze bruggen, de Puente de San Martin, wil hij tekenen, maar het kost grote moeite om een goed plaatsje te vinden bijna overal is het onbeschrijflijk vies, of er zitten grote ratten. 'Eindelijk, eindelijk vond ik een schone gladde steen, waarop ik mij vermoeid nederzette en begon te tekenen, hetgeen mij wondergoed gelukte, en waarvan het resultaat mij met blijdschap vervulde.'

 

EEN MARATHON -TREINREIS

Na een paar dagen wil hij weer verder, naar Granada. Eens per twee dagen is er een goede treinver- binding. Op 17 oktober zal hij 's morgens om vijf over halfnegen vertrekken. Om kwart over acht is hij op het station, maar het nemen van een kaartje en het bevrachten van zijn koffer duurt erg lang. 'Om 8.35 stormde ik het perron op zag voor mijn ogen en voor de allereerste keer een Spaanse trein op tijd vertrekken (gelijk ik later vernam, is koning Alphons persoonlijk overgekomen om de stationschef een medaille te overhandigen). Woedend en onmachtig staarde ik de trein na,' schrijft hij later aan Jan. Omdat hij geen twee dagen op de volgende goede verbinding wil wachten besluit hij om later op de dag 'met een ellendige boemel en bijzonder slechte aansluiting' toch naar Granada te vertrekken. De reis duurt meer dan vierentwintig uur; hij doet Jan er uitvoerig verslag van, compleet met uitgebreide beschrijvingen van uiterlijk en gedrag van zijn medepassagiers. Over een meisje van twee jaar schrijft hij: 'Zij ging naast haar moeder zitten, greep uit een rieten mand een tros druiven, en begon met een hoogst ernstig gezicht deze druiven één voor één te verorberen. Zij deed dat volgens bepaald systeem: eerst bekeek zij een druif aandachtig van alle kanten, stak hem daarna in haar mond, haalde hem er weer uit, bekeek daarna de prachtig glimmende en doorschijnend geworden druif opnieuw, en at hem vervolgens met veel smaak op; spuugde de pitten en de schil netjes op de grond. ' In zijn dagboek beschrijft hij een 'minnend paartje': 'De mannelijke helft daarvan was afstotend lelijk, had een stoppelbaard van  ± 2 weken oud, verrotte tanden en weinige op zijn schedel als vastgeplakte bruine haren. Het was wonderlijk dit afstotend uiterlijk door het ook allesbehalve mooie vrouwtje met verheerlijkte blik te zien bekijken.

 

GRANADA EN SEVILLA

In Granada bezoekt hij het Alhambra. Hij heeft zich er niet veel van voorgesteld, maar dat valt erg mee. 'Het was wonderlijk Oosters. Het vreemde was voor mij de grote rijkdom der versiering (basreliëf in stuc) en de grote waardigheid en eenvoudige schoonheid van het geheel. Deze arabieren waren aristocraten zoals er tegenwoordig geen meer zijn', schrijft hij in zijn dagboek. 'Het vreemde der moorse versiering is de totale afwezigheid van enige menselijke of dierlijke, ja bijna zelfs van enige plantaardige vorm. Dit is misschien een kracht en een zwakheid tegelijkertijd.' Op 20 oktober maakt hij er een schets van een stuk tegelbekleding dat hem interesseert 'wegens de grote ingewikkeldheid en meetkundige artisticiteit'. Op 24 oktober vertrekt hij naar Sevilla. Daar informeert hij bij de Nederlandse consul naar de mogelijkheid om met een Nederlands schip naar Italië te varen. Dat blijkt inderdaad te kunnen; op 2 november reist hij naar Cádiz, waar hij zich op 6 november inscheept op het vrachtschip Bacchus, met bestemming Genua.

 

TERUG IN ITALIË

De zeereis bevalt hem weer uitstekend. Bij mooi weer maakt hij schetsen van het schip. 's Avonds speelt hij met de kapitein, de eerste stuurman en de eerste machinist een spelletje kaart. 'Onderwijl heb ik mij stuipen gelachen om de Godsliederlijke taal die de kapitein al zingend uitbraakte.' Op 11 november komen ze in Genua aan. Op 13 november reist hij door naar Pisa, en vandaar op 15 november naar Siena, waar hij weer in het vertrouwde pensione Alessandri terechtkomt. Hij blijft er lang en werkt hard. Op eerste kerstdag schrijft hij aan Jan: 'De voor mij absoluut nieuwe sfeer waarin ik leef, de verrassende onverwachtheden en ongekende stemmingen die mij in deze gezegende woonplaats iedere dag opnieuw geboden worden, zou niet met voldoende dankbaarheid door mijn hart en met voldoend opnemingsvatbaarheid door mijn hersens verwerkt kunnen Zo ik niet poogde per brief er anderen enigermate in te laten en zo ik niet poogde met tekenstift en houtsneeguts de over waaraan ik hier blootsta (gelijk een door kinderhand opgeworpen zandkasteel aan het strand blootstaat aan de lachende branding) vast te leggen en voor een wijle aan de vervloekte vergetelheid te ontrukken.' Hij is verrukt over het lichte blauw van de hemel boven de heuvels in Toscane: 'Blauwer dan de Middellandse Zee, blauwer dan het blauw der Nederlandse vlag blauwer dan sneeuw wit is blauwer dan pik zwart is.' Ook het stadje zelf bekoort hem zeer. O!  de nachtelijke straten van Siena. Ik maakte er een houtsnee van die ik gisteren beëindigde. Op oudejaarsavond doet hij Jan lyrisch verslag van een wandeling door de regen. 'Op mijn terugweg wacht een grote vreugde mijn kinderlijk gemoed: mijn oog wordt getroffen door de glinstering van kwartskristallen. [. ..] Zij liggen aan de weg, bij tien honderd-, bij duizendtallen. En ik buk mij en zoek de mooiste uit en neem ze mee naar huis, gelukkig, als waren het diamanten. Gelukkig is hij zeker. Op 18 januari 1923 schrijft hij: 'zelden of  nooit voelde ik mij rustiger, plezieriger, prettiger, dan in de laatste tijden. Veel wondere prenten ontstromen mijn veelal nijvere handen, en de vraag of ze schoonheid bevatten, Laat ik ter beantwoording aan het misselijk nageslacht.' Wel heeft hij seksuele problemen, 'en dit wel hoofdzakelijk wegens de overvloedige aanwezigheid hier ter stede van het vrouwelijke en wondere geslacht'. Om zich te 'cureren' is hij voor een paar dagen naar San Gimignano  gegaan, 'mede teneinde daar enige schetsen te maken. Het was niet veel beter: ik was daar als énige vreemdeling temidden van een grote schare nieuwsgierige jongedames. ' Ook het fascistisch regime in Italië baart hem zorgen: Mussolini ziet hij als fataal voor het land, 'en wat betreft de handelingen zijner volgelingen, de Fascisten iedere onbevooroordeelde ziet hoe onmogelijk, hoe kinderachtig en misdadig zij zich gedragen'. Half februari schrijft hij zijn ouders dat hij de laatste tijd niet veel tot werken komt; hij denkt spoedig naar Napels te gaan, naar Rome, in de zomer weer naar Siena en de volgende winter misschien naar Sicilië. Anderhalve week later stuurt hij ze vier afdrukken van houtsneden; het gezicht op San Gimignano bevalt vader Escher het best. Op 1 maart vertrekt hij via Rome naar Napels, waar hij de volgende dag aankomt. Hij vindt het er druk en duur. Wel bewondert hij het uitzicht. Na ruim een week is hij op de stad uitgekeken; Op 12 maart bezoekt hij Pompeï, op 14 maart vertrekt hij naar Ravello (zo'n 35 kilometer ten zuidoosten van Napels, even ten noorden van Amalfi). Eerst reist hij per trein naar Vietri, waar hij een rijtuig neemt dat hem naar Ravello brengt; een rit van drie uur lang! prachtige Amalfitaanse kust. Hij neemt zijn intrek in de Albergo del  Toro; daar denkt hij lang te blijven, schrijft hij aan zijn ouders en aan Jan.

 


Midsland, Terschelling, tekening, 2 september 1922. De afgebeelde persoon is waarschijnlijk Jan van der Does de Willebois.

  

Op 31 maart noteert hij in zijn dagboek het vertrek van een paar pensiongasten. Voor hen in de plaats komen 'de heer Umiker met vrouw en dochter. Zwitsers industrieel, die 20 jaar lang in Rusland woonde.


FLORA EN FAUNA

Op 2 april schrijft hij aan Jan: 'ik werk hard! Dit is wel hoofdzakelijk de oorzaak van mijn geluk, want de zeer lieflijke natuur, de warme lente en de goede huisvesting zou zeker niet alléén in staat zijn mij gelukkig te maken. Ik leg mij hier uitsluitend toe op pentekening, de houtsnijderei liet ik in Siena achter, De tekeningen 'dienen slechts als dagboek [met zijn geschreven dagboek is het nu inderdaad afgelopen] dwz om later te weten wat ik hier zag en om wat ik zie, goed te zien.  Hij hoopt al doende zijn tekentechniek te kunnen verbeteren. Ik wil mijn vreugde hebben aan de allerkleinste kleinigheidjes aan een mosplantje van 2 cm diameter op een stukje rots, en ik wil hier proberen, wat ik al zo lang wenste, nl. om deze allerkleinste nietigheidjes zo nauwkeurig mogelijk na te tekenen  Maar zelfs de eenvoudigste plantjes kosten grote moeite 'Aan al de mooie kleine bloemetjes begin ik nog niet daartoe is de kleur, zo niet onontbeerlijk, dan toch wel wenselijk en ik wil niet kleuren. Op 20 april beschrijft hij een boswandeling. 'Ik werd wonderlijk aangedaan door al dat engelenvolkje op de bodem. Er bloeien daar weet-ik-veel wat voor soorten van bloemetjes allemaal ik ken de namen niet. Maar ik was zo ontroerd, dat ik ben gaan zitten, pogende zo min mogelijk grasjes en plantjes onder mijn vulgaire billen plat te drukken. Toen was ik met mijn hoofd vlak bij de zwijgende, vrolijke, stille, jubelende-hemelse hemelkindertjes. Ze zijn zo nederig, ze zijn zo stil en ze vinden het best als je hen bekijkt, als je hen mooi vindt. Ze vinden het ook best als je helemaal niet komt kijken dan staan ze daar met elkaar alleen in het reusachtig uitgestrekte bos en groeien en bloeien evenzo goed en zijn stil en vrolijk en zwijgend. Ik ben er heilig van overtuigd dat ze helemaal niet weten de zwijnerij en de vuiligheid van de mensen in hun vieze stinkende huizen, -zij weten slechts de hemel.-' Ook het plaatselijke dierenleven heeft zijn volle aandacht. Hij geeft een humoristisch ooggetuigenverslag van de paring van twee hagedissen. 'Een enorm dikke en prachtige groen en zwart en wit gespikkelde man lag in de zon te braden, toen langzaam en koket een kleine, slanke en grauwe vrouw van onder de dorre bladeren, aanvallig kronkelende naderbij kwam gestapt. Zij zagen elkaar natuurlijk wonderwel, maar deden beiden als of zij van hun wederzijdse aanwezigheid onbewust waren. De zware man lag met half gesloten ogen te ronken, en de vrouw keek naar de zon. Plotseling pakt de man met bliksemsnelheid de staart van de vrouw aan he alleruiterste puntje tussen zijn kiezen. De vrouw doet nog imme zij van de prins geen kwaad weet en kijkt naar de zon. De man, r fonkelende ogen blijft een minuut lang met een bête gezicht en de vrouwelijke staart-punt tussen zijn kiezen liggen. Daarna, met kleine rukjes, pakt hij de staart hogerop vast, nog hoger, nog hoger, tot hij eindelijk het vrouwelijke lichaam in het midden vast heeft. Je kunt begrijpen hoe het hem daarbij te moede moet zijn geweest: zo'n naakte vrouw tussen z'n kiezen! De vrouwechter, wordt het langzamerhand wonderlijk te moede, zij kronkelt zich angstig tussen de kiezen harer amant en denkt: wat ben ik begonnen, wat ben ik begonen!! Dan met een wonderlijke zwaai draait de man zijn achterlijf dusdanig, dat hij het vrouwelijk achterlijf raakt en de paring zal toen wel tot stand gekomen zijn. De man hield daarbij nog immer de vrouw tussen zijn kiezen. Op deze manier zou het de mens niet gelukken.' 


Pagina uit Eschersreisdagboek april 1922


VERLIEFD TEGEN WIL EN DANK 

Op 5 juni schrijft Escher aan zijn boezemvriend Jan: 'Naast mij aan het kleine tafeltje waarop mijn papier ligt, zit een meisje van 25 jaar. Zij is Op 't ogenblik bezig een koekje op te eten, en dat ziende word ik plotseling hevig ontroerd, want het is warm en dies heeft zij een blousje aan zond mouwen. De armen van een meisje ontroeren mij immer heftig. Niet wanneer zij dik zijn en rood, maar ietwat aan de magere kant en jong en een beetje door de zon verbrand. Het schijnt mij toe, allerbeste oude, dat ik je in lange, lange tijd niet meer schreef; en dit waar mocht zijn, dan is dat meisje daarvan de aangename oorzaak. Zij neemt sedert een maand veel van mijn gedachten in beslag.' 

Het meisje is Jetta Umiker. Haar vader, een Duits-Zwitser, had een zijdespinnerij in de buurt van Moskou, maar is na de revolutie met zijn gezin via Finland naar Zwitserland gevlucht. Al vijf jaar lang trekken de Umikers van de ene plaats naar de andere, 's winters in Italië en 's zomers in Zwitserland. Jetta heeft een zwakke gezondheid, 'daar zij gedurende een halfjaar in Finland honger geleden heeft en te veel mensen heeft zien vermoorden', schrijft Escher Hij heeft erg met haar te doen, ook al omdat haar vader haar ervan weerhoudt om katholiek te worden, wat een vurige wens van haar is. Umiker is fel anti godsdienstig; religie is de bron van alle kwaad vindt hij. Een verbitterd man; toch kan Escher goed met hem opschieten. 

Escher realiseert zich dat hij steeds heviger op Jetta verliefd wordt. Hij meldt de symptomen met een hem typerende objectiviteit aan Jan. 'Wanneer eenjonge man leeft in de onmiddellijke na bijheid van eenjong meisje, en hij merkt op een goede dag plotseling, en tot zijn verwondering, dat hij alles doet wat hij kan om uit te blinken in de ogen van dat meisje, d. w .z. zover zijn verlegenheid dat toelaat, en dit wel op de meest zotte manieren, dan blijkt daarin zonneklaar dat de charme van het meisje zich genesteld heeft tussen de gedachten van de jonge man. Maar de zotte jonge man zelf- hij vraagt zich af, terwijl zijn hartje sneller klopt dan anders: houd ik van het meisje?' 


Fosforiserende 'bruinvissen' (eigenlijk dolfijnen) voor de boeg van de Juno;  tekening, 29 september 1922


Het dek van de Bacchus, tekening, 8 november 1922


Hij twijfelt aan zijn vermogen om lief te hebben, en vergelijkt zichzelf met het hondje dat in de buurt van het pension rondscharrelt en om liefde, d.w.z. aandacht, bedelt: 'een week geleden was ik zover dat ik op het punt was tegen het meisje te zeggen: ik houd van je; een fout die ik reeds 2 maal beging tegenover 2 andere meisjes, en hetgeen synoniem is met: houd van mij!, hetgeen wederom zeggen wil: ik ben een arme kleine hond met treurige ogen en trillende poten; ik heb geen meester die mij te eten geeft en in wiens huis ik des nachts op een expresselijk voor mij bestemd kussentje kan sla- pen; ik zwerf des nachts rond door de nauwe straatjes van het stadje, met mijn staart tussen mijn dunne achterpoten en ik blaf zo nu en dan irriterend voor de mensen die niet slapen; en ik kom om half één 's middags, als de mensen in de tuin eten onder een baldakijn van wijn- en rozenstokken, schoorvoetend nader en kijk op met mijn angstige ogen naar de gezichten der mensen met hun mummelende kaken, en ik vraag met mijn treurige ogen: geef mij wat te eten en houd van mij!' In de werkelijke wereld werpt Jetta onder het eten het 'echte' hondje inderdaad zo nu en dan een brok toe. Escher beschrijft uitvoerig hoe op een nacht het hondje hem uit zijn slaap houdt, waarop hij opstaat, de tuin inloopt en 'een zware kei' naar het diertje gooit. 'Een hoge gil bewees mij dat ik bij ongeluk raak gesmeten had. Daarna trad diepe stilte in, en na een halfuur gewetenswroeging sliep ik ongestoord totdat de zon mij wekte. De morgen bracht mij het getroffene hondje weer te binnen, en ik spoedde mij naar de plek des onheils, gelijk een moordenaar die het niet kan laten telkens weer terug te keren naar het lijk van de vermoorde. Het vermoorde hondje was echter springlevend en keek mij met zijn angstige kraaloogjes aan en zeide: houd van mij. Ik echter bespeurde slechts medelijden.' 

Escher eindigt de brief met de verzekering: 'Zo stom als vroeger zal ik niet meer zijn.' Maar Jetta's aantrekkingskracht blijkt toch te sterk. Op 21 juni schrijft hij aan Jan: 'Het meisje, waarvan ik je enige dagen geleden vertelde, is met haar ouders naar Zwitserland vertrokken. Zij oefende op mij een invloed uit, soortgelijk aan die van een elektromagneet op een prullig stuk gietijzer; door deze elektromagneet vloeide een gestadig in kracht toenemende stroom, zodat het misselijk stuk gietijzer met immer toenemende kracht zich naar de magneet voelde getrokken. En hoewel ik mij vast had voorgenomen mijn gevoelens omtrent haar liefelijkheid geheim te houden, zo werd tenslotte haar invloed zo krachtig, dat de laatste dag voor haar vertrek het gietijzer zijn laatste restje weerstandsvermogen verloor en met een doffe slag tegen de magneet aankletste, hetgeen zoveel zeggen wil als-dat ik op een wandeling die wij die dag getweeën maakten, haar, voorzover dat aan een zwakkeling gegeven is, mijn hart ontsloot. Dit nu had minder afgrijselijke gevolgen dan te voorzien was. Wij zaten een paar uren lang op een tafelvormige rotsblok en staarden neer op de grote blauwe zee terwijl ik in slecht Frans probeerde te uiten wat ik niet langer voor mij alleen kon houden. Zij was niet al te zeer verwonderd, en, hetgeen de hoofdzaak is, benam mij niet met één slag alle hoop op een komend paradijs. Zij zeide mij zelfs enige dingen die mijn eigenliefde alleraangenaamst streelden. Enfin het was goed daar, boven op dat rotsblok.' 


IN STAAT VAN ENGAGEMENT 

Een paar dagen later vertrekt ook Escher uit Ravello. Op 28 juni is hij in Siena terug. Vader Escher noteert op 9 juli in zijn dagboek: 'Brief van Mauk met foto's van twee door hem gemaakte tekeningen van Ravello. Hij betreurt de afwezigheid van de familie Umiker, vooral die van een dochter met wie hij veel sprak over kunst enz. ' Escher stuurt op 22 juli de foto's ook mee in een brief aan Jan. 'Ik sluit hierbij in een tweetal foto's van tekeningen die ik in Ravello maakte; de donkere, met het gezicht uit de hoogte op de zee en de kleine stad [Atrani] heeft de grootte van een middelmatig servet (middageten), de andere is de helft daarvan. Beide natuurlijk slechts zwart en wit en 0.I. inkt.' Over zijn liefde meldt hij: 'Wij schrijven elkaar. Ik kreeg gisteren een brief, waar ik 9 dagen op wachtte; dat was bijna te lang, maar nu ben ik blij.' Hij heeft een lyrisch gedicht gecomponeerd over Jetta 's handen: 'Tes doigts, longs comme ceux d'un voleur | M'ont doucement volé mon creur'. Hij fantaseert over de toekomst. Maar nog steeds heeft hij zijn twijfels: 'dit alles bedenkende trommelen wij een zegemars, een soort van toekomstmuziek op de gelooide huid van de beer die nog geschoten moet worden en zulks is aangenaam maar dom'. Inmiddels heeft hij zijn baard laten staan een uiterlijk symbool voor de veranderingen die zich in hem hebben voltrokken. 

Van 13 tot 26 augustus wordt zijn eerste eigen tentoonstelling gehouden, bij de 'Circolo Artistico' van Siena. Een mijlpaal, maar hij heeft er nu nauwelijks aandacht voor, Jetta is veel belangrijker. Henk en Heleen Calkoen, die hem in pensione Alessandri komen opzoeken, constateren dat hij zich zit uit te sloven met woordenboeken, om Italiaanse brieven aan zijn geliefde te kunnen schrijven. Op 24 augustus noteert vader Escher: 'Brief van Mauk met portret met baard en mededeling dat hij het meisje Umiker, dat hij te Ravello ontmoette, tot zijn vrouw heeft gevraagd en spoedig naar Zürich vertrekt om met de familie Umiker samen te zijn en dat meisje beter te leren kennen. Hij heeft veel hoop te worden aangenomen en vraagt of wij [tijdens een voorgenomen reis naar Italië] i.p.v. te Siena, eerst te Ziirich willen komen om met de fam. Umiker kennis te maken.' 


Toledo, Puente de San Martin, tekening, 14 oktober 1922

Alles verloopt volgens plan. Op 28 augustus komt Escher in Zürich aan. De eerste paar dagen hebben Jetta en hij 'moeite elkander wat nader te treden', maar het ijs is spoedig gebroken. Ze maken vele wandelingen, waarbij ze weinig oog hebben voor het natuurschoon. De tijd vliegt om. Op 1 september arriveren zijn ouders en zijn broer George. Vader Escher schrijft in zijn dagboek: 'afgehaald door Mauk met zijn baard. Wandeling Hr. en Mevr. Umiker , Mauk steeds met Jetta, die iets ouder is dan hij en evenals haar zuster zwart haar heeft en ietwat melacholiek uiterlijk. Met Umiker spreken we Duits en Frans; Mevr. Umiker de Italianse spreekt behalve Italiaans of Russisch liefst Frans. Mauk spreekt met de familie liefst Italiaans. Onder elkaar spreekt de familie gaarne Russisch Beide dochters Russisch type.' Bij een volgende ontmoeting spreken de wederzijdse ouders over Eschers financliële vooruitzichten. Ze zijn het er over eensdat hij moet trachten werk te krijgen waarmee hij wat verdient. Voorlopig zullen Jetta en hij moeten rondkomen van de toelage die ze van hun ouders krijgen; van driehondert gulden per maand moeten ze in Italië wel kunnen leven. (Escher heeft zijn ouder  inmiddels verteld dat hij in Italië wil blijven wonen; in Nederland vindt hij de mensen naar. Zijn moeder is hierover bedroefd.) Op 19 september schrijft hij aan Jan: 'Ik wens geen positie en zal er nooit één hebben.' Hij en Jetta denken over een winkeltje in Rome. Maar voorlopig willen ze nog niet trouwen. "zoals je begrijpt was het, vooral voor mijn moeder, noodzakelijk een formele benaming te vinden voor de verhouding waarin haar zoon met de baard zich bevindt te opzichte van de dochter der tegenpartij en zo werden wij beiden dan ook na rijp beraad en wellicht slapeloze nachten "in staat van engagement" verklaard.'


Plantenen bloemen, Ravello, tekening, april 1923


EERSTE TENTOONSTELLING IN NEDERLAND 

Op 6 september moeten de geëngageerden afscheid nemen, want Escher zal zijn familie op de reis door NoordItalië begeleiden. 'Mauk in zich zelf gekeerd om het verlaten van zijn geliefde', schrijft vader Escher in zijn dagboek. Ze bezoeken Genua, Florence en Siena, waar de hele familie Escher natuurlijk in pensione Alessandri moet logeren. Het pension bevalt vader Escher wel, ofschoon de kamers onzindelijk zijn en het meubilair schunnig. Het beslaat de tweede verdieping van een paleis. De stad is vuil en op het marktplein heerst een minder aangename geur. 'Mauk hindert één en ander niet; hij vindt Siena een heerlijke stad.' Natuurlijk brengen ze ook een bezoek aan San Gimignano. Na Siena gaan ze naar Orvieto, Assisi en Ravenna. Als ze in Palanza zijn gearriveerd, de laatste stad die ze in Italië aandoen, komt Jetta over. Escher maakt nog een paar schetsen, vóór hij met haar naar Zürich teruggaat. 


Op het strand van  Viaréggio, 10 juni 1924, Jetta en Escher geflankeerd door beide ouderparen.

In november verhuist de familie Umiker naar Rome. Escher gaat met ze mee. Op 24 januari 1924 krijgen zijn ouders een brief van hem. Hij heeft last van zijn eeuwige kwaal: constipatie en slapheid, veroorzaakt door te grote magerheid. Ook Jetta werd door de dokter te mager bevonden. Zolang ze niet sterker is, mag ze geen kinderen krijgen. Toch stellen zij zich voor, in de lente te trouwen, 'wat voor Jetta goed is om uit de onbehagelijke omgeving van haar vader te komen'. 


Na de huwelijksplechtigheid, 16 juni 1924; het bruidspaar met de ouders, Jetta's zuster Nina en Escher's broer George 


Op Huwelijksreis in Annecy: Jetta op het terras van hun hotel

 In februari krijgt Escher zijn eerste tentoonstelling in Nederland, en wel in Den Haag, in kunsthandel De Zonnebloem. Het is nog geen echte eenmanstentoonstelling, want in dezelfde ruimte wordt tegelijkertijd glas van De Bazel getoond. Er wordt in de pers aandacht aan het werk besteed, en de kritieken zijn over het algemeen gunstig. Zo schrijft J. Dona in Elseviers Maandblad van juni 1924, terugblikkend op deze tentoonstelling: 'Zijn werk is dat van een jonge, frisse geest, die zich niet laat intimideren en wel rustig zijn eigen weg zal gaan. Het is beschaafd als dat van De Bazel, rustig, zuiver en krachtig en toont een sterke neiging tot het decoratieve. ' De houtsnede Sint Franciscus wordt als geschenk voor de publicist Jan Walch aangekocht, naar aanleiding van diens toneelstuk 'Het leven van een heilige'. Escher raakt later met hem bevriend en zal in 1932 één van zijn novellen illustreren. 


De jonggehuwden in Leiden, 28 augustus 1924

HET HUWELIJK 

Er wordt besloten dat ze in Viaréggio zullen trouwen. De voltrekking van het huwelijk geeft een hele rompslomp; vader Umiker maakt moeilijkheden over het huwelijkscontract. Maar alles komt in orde. Op 12 juni wordt het huwelijk gesloten, in het gemeentehuis van Viaréggio. Er moet echter ook een kerkelijk huwelijk volgen, omdat Jetta zich, ondanks de tegenstand van haar vader, in de Rooms-Katholieke kerk heeft laten opnemen. Op 16 juni vindt deze plechtigheid plaats, in een kamer van een katholieke school. Nog diezelfde middag gaan de jonggehuwden op huwelijksreis, via Genua naar Annecy. Tien dagen later noteert vader Escher: 'Brief van M. en J. uit Annecy in zeer opgewekte en luchtige stemming.' Ze zullen drie maanden naar Nederland komen om familie en vrienden te bezoeken.


Lees meer →