M.C. Escher

Laatste jaren

De Laaste Jaren 1961 -1972


In het zeer succesvolle jaar 1960 heeft Escher veel prenten verkocht, onder andere aan de fameuze collectioneur Lessing J. Rosenwald uit Jenkintown, Pennsylvania, USA. Hij heeft ook talloze nieuwe vrienden gekregen; één daarvan is de al eerder genoemde professor MacGillavry, die zo onder de indruk is van Eschers vlakverdelingsstudies dat ze gaat proberen deze te laten publiceren onder auspiciën van de International Union of Crystallography. Escher juicht dit plan toe. Op 2 januari 1961 schrijft hij aan MacGillavry: 'Ik blijf hopen, dat zulk een plan verwezenlijkt kan worden; het zou een bekroning betekenen van dit werk, dat ik beschouw als belangrijker in de grond van de zaak, dan mijn grafische prenten, die zich meer richten tot een niet gespecialiseerd publiek.' In 1965 zullen MacGillavry's pogingen tenslotte met succes worden bekroond, wanneer haar boek Symmetry Aspects of M. C. Escher's Periodic Drawings verschijnt. 

Temidden van de vele nieuwjaarsbrieven is er ook één van prof. von Hippel, een vooraanstaand geleerde die een onderdeel van het MIT leidt, waaraan ook Loeb is verbonden. Escher spreekt deze laatste sinds zijn bezoek aan Cambridge, Mass. met zijn voornaam Arthur aan. Met hem en zijn vrouw Lotje is Escher nu goed bevriend. Ze gaan elkaar regelmatig schrijven. Zo nu en dan wordt ook dankbaar gebruik gemaakt van Loebs vele connecties, bijvoorbeeld wanneer een nieuwe kunsthandelaar zich aanmeldt. 

Baarn 21-11-1961 | 'Hoe staat het leven bij jullie? Ik hoorde van een gruwelijk strenge winter en dikke sneeuwval aan de oostkust van de us. Ook bij jullie? Hier hadden wij weer eens een uitzonderlijk zachte en natte winter. Mag ik jullie even lastig vallen met de vraag of je mij een paar inlichtingen wilt geven over de heer Paul Schuster? Hij schreef mij begin van deze maand over zijn kunsthandel en het verlies van zijn gehele collectie schilderijen en prenten bij een brand in december 1960. Als onderdeel van zijn plan om de zaak weer op te bouwen door aankoop van nieuwe stukken, vroeg hij mij prijzen en noem- de als referenties, behalve jullie, ook von Hippel en Fletcher. 

Ik stuurde hem een lijst van prijzen (die ik de laatste tijd verhoogde, omdat ik anders geen tijd meer overhoud voor het maken van nieuw werk en waarop hij geen reductie krijgt, zodat hij vrij is met het bepalen van zijn eigen winstmarge), maar dacht niet dat hij zo snel van stapel zou lopen als hij blijkt te doen: heden kreeg ik een tweede brief, waarin hij tien prenten bestelt. Ook was ik plezierig in correspondentie met Martin Gardner, die columnist van de Scientific American is (en schrijver van aller- interessantste annotaties bij de Alice boeken van Carroll, die hij onlangs opnieuw uitgaf). Hij is een vriend van H. S. M. Coxeter uit Toronto (aan wie ik weer veel te danken heb) en publiceert over diens werk als mathematicus een artikel in het aanstaande april  nummer van genoemd tijdschrift, dat verlucht wordt met twee van mijn symmetrische vlakvullingen, waarvan één in kleuren op het omslag. En dat wordt mij allemaal zomaar in de schoot geworpen! (En dan durf ik nog te sputteren over gebrek aan tijd voor nieuw werk, door al die correspondentie.)' 

Loeb antwoordt dat Schuster een goede naam heeft en dat Escher nu zo populair is, dat de tien prenten wel spoedig verkocht zullen zijn. Ondertussen gaat ook de correspondentie met George en Corrie gewoon door. 

Baarn 26-11-1961 | 'Dat jullie niet veel sneeuw hebben gehad, verwondert mij na de verhalen van de us-oostkust. Ik kreeg namelijk een gezellige brief van de twee tantes Cassidy, mijn tafelgenoten op de Toscanelli, die zich interesseren voor mijn tentoonstelling in Philadelphia in de Art Alliance, die zij met veel moeite bereikten, vanwege de dikke sneeuwlaag: It is the worst winter in more than seventy-five years. We have al ready had about fifty inches ofsnow. Transportation has been at a standstill many days and heaven onIy knows when it will return to normal, schreven zij mij 9 februari. Over die tentoonstelling heb ik jullie blijkbaar nog niet geschreven. Die werd mij zomaar in de schoot geworpen door Rosenwald. Ik heb er helemaal geen gezeur mee en alleen de kans op eventuele verkoop. Alle tentoongestelde prenten, een stuk of veertig, zijn in R's bezit en de soesa komt helemaal op zijn hoofd neer. Of liever op dat van zijn secretarissen, want hij is «quite famous not only as art patron but as a philantrophist; we laughed when you asked if we know his name» vertellen de Cassidietjes.

Mijn correspondentiedrukte is eindelijk wat geluwd, zodat ik weer wat kon werken aan de band van Möbius. Maar drie dagen geleden kwam Arthur uit de lucht vallen en wij vertrekken aanstaande woensdag met hem, per KLM naar Genève, waar op het vliegveld zijn auto staat om ons verder naar het Barboleusje te vervoeren. [Arthur heeft een chalet gehuurd in het Zwitserse gehucht La Barboleusaz.] Dat wordt dus een gezellige, comfortabele reis met z'n drieën. Hij is nu bezig grote koffers vol spullen in te pakken, want hij gaat zich voor enige jaren in een appartementje in Lausanne vestigen in verband met zijn promotiewerk. Jan volgt een cursus op de Berlitzschool in Lausanne; schreef ik dat al? Dat schijnt de beste methode te zijn om in korte tijd voldoende Frans te leren. [Jan gaat ook in Lausanne geologie studeren].

Fiet [de Willebois] is stervende. Ik hoorde uit Utrecht, dat ze kanker heeft en dat er niets aan te doen is. Ik ben er wel diep door getroffen, want ze is zo'n oude goede vriendin van mij en haar moed en levenslust sinds lang een wonder. Telkens schrijf ik een paar regeltjes aan mijn bootreisverhaal op de Toscanelli. Zo dient die vervelende Giro, Radio, Rotary toch voor iets goeds, want ik vertel over mijn plezier als vrachtschip passagier in 't algemeen. En het is de eerste maal dat ik dat doe.' 

Baarn 26-3-1961 | 'De dag nadat wij uit Zwitserland terugkwamen, hoorde ik dat Fiet overleden was. Zij laat voor mij persoonlijk een ellendige leegte achter. Ik hield blijkbaar veel van haar, trouwens, dat wist ik ten dele. Ik heb het druk gehad met «praten» sinds ik terug ben. Die leuterpraatjes over mijn werk, beginnen mij de keel uit te hangen. Een mens is dan ook werkelijk nóóit tevreden. De nutteloosheid, de holheid, de onmacht, het zich gevleid voelen, de onuitstaanbaarheid van jezelf, na afloop, als je je voelt als een uitgeknepen citroen. Ik heb altijd geweten, dat zwijgen goud is en spreken modder en ik spreek hoe langer hoe meer. Alle vogeltjes zitten elkaar achterna, in onze tuin. De langstaartmezen hangen te bengelen aan de hangende takjes van de treurwilg, die vol dikke, op barsten staande knoppen zitten. In 't bos lachen de spechten aan alle kanten.' 

In juni en juli 1961 maakt Escher een boottocht met Paul Keller door de Middellandse Zee; het zal zijn laatste zeereis zijn. Jetta logeert in die tijd in Zwitserland. Terug in Baarn vindt Escher een flinke stapel post, waarover weer flink wordt geklaagd, hoewel er ook leuke dingen zijn, zoals een artikel van de beroemde kunsthistoricus Gombrich. 

Baarn 30-7-1961 | 'Bijzonder in mijn schik ben ik met een artikel van een zekere prof. E. H. Gombrich, kunsthistoricus aan de universiteit van Londen, in het nummer van 29 juli 1961 van The Saturday Evening Post, getiteld «How to read a painting» (Adventures ofthe mind). Na een inleiding waarbij allerlei bekende beeldende kunstenaars de revue passeren, gaat hij lang en breed uitweiden over de manier, waarop je mijn prenten moet bekijken, aan de hand van drie reprodukties. Niet zonder enige kritiek op de (eventuele) esthetische waarde van mijn werk, is hij er blijkbaar toch bijzonder door getroffen, want hij gáát maar door, meer dan drie kolommen lang. En de uitgevers betaalden nota be ne honderdveertig dollars als reproduktierechten voor die drie onnozele prentjes! Dat muisje zou ook wel weer eens een staartje kunnen hebben. En zo vrees ik, dat ik nooit meer uit de brievenschrijverij kom en de herdruk van oude prenten. Misschien ook maar goed, want wie weet of ik niet reeds doodgebloed en uitgepraat ben. Misschien maak ik wel nooit meer enig nieuw werk dat de moeite waard is.' 

Baarn 3-11-1961 | 'In de radio trof mij het bericht van een Nobelprijs voor scheikunde voor Melvin Calvin, die mij enige jaren geleden bezocht en die stapelgek is op mijn prent Verbum; kon toen een betrekkelijk geringe prijs niet betalen en kocht niet lang geleden een van de laatste afdrukken voor tweehonderd vijftig dollar. Toch wel leuk, dat hij het maar niet vergeten kon.' 


NIEUWE PLANNEN

Half oktober 1961 heeft Escher een voorstel gekregen van prof. von Hippel om in het najaar van 1962 weer een lezing te komen houden in Cambridge (Mass). Er zal dan ook een tentoonstelling van zijn prenten plaatsvinden. Hij gaat daar graag op in; net als in 1960, wil hij één en ander combineren met een bezoek aan George en Corrie in Canada. Tijdens zijn verblijf in de USA zal hij weer logeren bij Arthur en Lotje Loeb, met wie hij uitvoerig correspondeert. 

Baarn 5-1-1962 | 'Ken je prof. Herbert L. Beckwith, Director of Exhibitions van het MIT? Von Hippel heeft hem erbij gehaald, in verband met mijn tentoonstelling in het aanstaande najaar. Beckwith schreef mij nu onlangs een prettige brief: ze willen mijn rommeltje graag (zegt hij) tentoonstellen van 10 september tot 2 oktober 1962. Ken je soms ook prof. Cyril Stanley Smith, van «Humanities», aan MIT? Die Smith kocht mijn vier meter lange prent Metamorphose. Dat deed von Hippel trouwens ook. Zojuist, tijdens het schrijven van deze brief, bracht de post mij een exemplaar van Elementary Particles van Chen Ning Yang. Hij vroeg mij indertijd, of hij mijn «ruitertjes» daarin mocht afbeelden. Ze staan ook op het kaft. Die ruitertjes rijden de hele wereld rond en allerlei vreselijk knappe koppen zien er wat in, maar wát ze erin zien daar snap ik geen laars van. Jammer, maar ik voel mij wél gestreeld en vereerd, en knoei ondertussen maar rustig verder, als ze me voldoende tijd laten. Ik heb gelukkig op dit ogenblik weer een nieuwe prent in mijn hoofd, die eruit wil. Titel: Rode Mieren. Het brandt mij op de tong om jullie er meer van te vertellen, maar ik houd mijn mond, uit bijgelovigheid.' 

Behalve aan het schrijven van brieven en het maken van afdrukken, is Escher ook veel tijd kwijt aan nieuwe opdrachten. Hij moet onder meer een ontwerp maken voor een zuil in het nieuwe gebouw van de Provinciale Waterstaat in Haarlem. Tussen alle drukte door vindt hij toch gelegenheid om allerlei interessante boeken te lezen: de dagboeken van Pepys, The Wind in the Willows van Kenneth Grahame, en 'verschillende boeken van Teilhard de Chardin. Hij is er zo enthousiast over, dat hij besluit ze aan George en Corrie toe te sturen. 

Baarn 4-11-1962 | 'Dan krijg je dus, mét Pepys III, een hele zooi. Nu ik erover zit te denken, zal ik jullie antwoord maar niet eens afwachten, want het is allemaal eersteklas kwaliteit in hun soort, en jullie zitten immers verlegen om nieuwe literatuur? We zijn allemaal net eekhoorntjes. Laatst heb ik er één, een uur lang, bespied met mijn kijkertje. Als in een zenuwcrisis was dat dier, midden in de winter nota bene, bezig een nest te bouwen in de oksel van een knoestig boompje. Af en aan, steeds maar takjes afknagen en naar het nest vervoeren. Meestal zocht hij ze onpraktisch veraf en moest dan een lange, vermoeiende weg terug naar het nest in aanbouw, met de soms lange, zwiepende tak tussen z'n tanden, die telkens bleef steken en zich vasthaakte. En maar trekken en weer terug en een betere weg vinden. En op het nest die warboel trachten te fatsoeneren. En dit alles zonder een ogenblik rust een uur lang, als bezeten, inderdaad bezeten door een drang, schijnbaar zonder enig overleg. Totdat, plotseling, zijn bezetenheid spoorloos verdween. Sinds die dag, twee weken geleden, heeft hij alles vergeten; ik zie hem nooit meer naar dat nest kijken; hij komt er soms vlák bij, maar hij ziet het niet en ruikt het niet, het bestaat niet meer voor hem. Op een iets langere afstand ben ik zelf precies zo. Ook ik werk als een razende aan iets, waarvan mijn ziel en zaligheid, op dat ogenblik afhangt. En een jaar later ben ik glad vergeten en kan ik mij met geen mogelijkheid meer herinneren, waaróm of het mij zo boeide. We zijn allemaal stukjes van de Evolutie (om met Teilhard te spreken) en als hij gelijk heeft, dan eindigt die evolutie, over miljoenenjaren in het mysterieuze «point Oméga».' 

Baarn 18-11-1962 | 'Professor von Hippel, the big man van het MIT-Insulation Research, overlaadt mij met vriendelijkheden. Loeb noemt hem «de patriarch». Hij koopt nu weer meerdere zeer dure, nagenoeg uitverkochte prenten van mij. Mickelson is ook weer eens op hol geslagen met de aankoop van prenten. Hij doet soms zó wild, dat ik m'n hart vasthoud, maar tot nu toe betaalt hij geregeld. En dan hebben wij de heer Roosevelt, die ook maar doorgaat van zijn belangstelling blijk te geven. Zijn laatste stunt is het laten kopiëren van mijn beukehouten bol met twaalf vissen, op verkleinde schaal, in ivoor, door een Japanse netsuke beeldhouwer. Om mijn vertrouwen in diens kunnen te geven, zond hij mij foto's van verbluffende staaltjes van kleine plastiekjes. Als ik mijn toestemming tot die reproduktie geef, krijg ik zelf als beloning één van de maximaal twee exemplaren die gemaakt zullen worden. Het zullen bolletjes van circa vijf centimeter middellijn worden. Daar verheug ik mij natuurlijk erg op!' 


ALLEMAAL MISGELOPEN

Onder de vele bestellingen is ook een afdruk van de prent Dag en Nacht, die von Hippel als geschenk aan zijn vriend Niels Bohr wil geven. De plannen voor de tweede Amerikaanse trip nemen steeds gedetailleerder en steeds uitgebreider vormen aan, en Escher verheugt zich er, ondanks alle drukte die het hem geeft, erg op. Eind april wordt hij echter plotseling in het ziekenhuis opgenomen voor een zware operatie en Arthur moet dan namens hem schrijven, dat het hem hierdoor onmogelijk is geworden om alle gemaakte afspraken na te komen. Hij zal een lange tijd nodig hebben om weer overeind te krabbelen, en zal lichamelijk nooit meer geheel de oude worden. Loeb is één van degenen die van Arthur bericht krijgt. 

Baarn 16-5-1962 | 'Geachte professor Loeb, Tot mijn leedwezen moet ik u berichten dat mijn vader drie weken geleden plotseling in het ziekenhuis opgenomen moest worden voor een spoedoperatie. Hoewel de operatie met succes gelukt is, gaat zijn herstel slechts zeer langzaam. Het zal dan ook nog zeker twee maanden duren voor hij zover is dat hij weer thuis kan komen. Het gevolg van dit alles is dat hij, ook mede door het advies van de chirurg en dokter zal moeten afzien van zijn reis in september en oktober naar de Verenigde Staten en Canada. Hierdoor vervallen dus helaas ook zijn serie lezingen en tentoonstellingen, die afgesproken waren. Zodra hij zelf weer kan schrijven (wat nog heel lang kan duren), zal mijn vader ongetwijfeld u persoonlijk inlichten.' 

De genezing duurt inderdaad heel lang. Eind september schrijft Escher hierover aan zijn vrienden. Arthur en Lotje Loeb. 

 Baarn 23-9- 1962 | 'Veel dank voor jullie hartelijke brief van 11 september. Ook in mijn agenda staan de verschillende feestelijkheden die ik zou hebben beleefd in Canada en de Verenigde Staten gedurende deze maanden: logeerpartij bij jullie, tentoonstelling en lezing voor het MIT, bezoek aan von Hippels Logcabin in the White Mountains, tentoonstelling in Middletown, Conn .... enz. Allemaal misgelopen, maar hopelijk uitvoerbaar een volgend jaar. 

Het is maar goed dat ik de hele zaak heb afgezegd bijtijds, vóór ik nog kon weten hoe verschrikkelijk lang mijn ziekte zou duren. Wel is waar ben ik al weer drie en een halve week thuis, maar, na een eerste maal ontslagen te zijn uit het ziekenhuis, einde juli, werd ik na een week wéér opgenomen en nogmaals geopereerd in mijn buik; niet zo ingrijpend als de eerste maal, maar toch drie uren lang, voor het verwijderen van een groot aantal «fisteltjes» zoals ze dunne kanaaltjes noemen, die ontsteking veroorzaakten en de wond beletten zich te sluiten. Nu gaat het eindelijk, tenminste wat de operatieve kant betreft, een stuk beter: de wond lijkt definitief gesloten en ik hoef geen verband meer te dragen. Het opnieuw krachtig en gezond worden, laat echter nog veel te wensen over: ik voel mij nog zo slap als een vaatdoek en lig vele uren van de dag op apegapen op een bank. Deze brief schrijf ik, gezeten op een rechte stoel, bij wijze van dagelijkse training, want volgende week wacht mij de krachtproef van het bijwonen van het huwelijk van zoon Arthur in Wassenaar. Van echt ouderwets werken aan nieuwe prenten, noch van het dringend noodzakelijk afdrukken van oude prenten, komt nog niets: veel te vermoeiend tot dusver. Wel een gekke sensatie om je zo zwak te voelen, als je je hele leven bijkans altijd gezond bent geweest, zoals ik.' 

Het bijwonen van het huwelijk gaat goed en Escher houdt zelfs een speech. Hij maakt nu plannen om tenminste het komende jaar naar Canada te komen, hoewel hij er bij tijd en wijle lang niet ze- ker van is ertoe in staat te zullen zijn. Hij schrijft hierover naar Canada. 

Baarn 30-10-1962 | 'Ik ben steeds zo mager als een lat, heb volstrekt geen honger, hoe moeder zich ook inspant om lekkere kostjes voor mij klaar te maken. Vreemd om ineens zo'n oude krukkige man te zijn. Maar laat ik ophouden met zeuren en liever blij zijn met de voldoening die ik uit mijn werk put. De grootste voldoening gaf mij echter het besluit van de International Union of Crystallography om mijn gekleurde regelmatige vlakverdelingen voor de studenten in de kristallografie uit te geven. Op hun laatste internationale bijeenkomst te München zijn ze daartoe unaniem besloten. Mijn vriendin MacGillavry komt weldra de definitieve collectie uitzoeken. Ze hebben er drie jaar over gedaan om tot deze beslissing te komen, maar de autoriteiten wonen dan ook over de aardbol verspreid. En nu zie ik in het nabije verschiet de mogelijkheid opdoemen om eindelijk mijn vrije werk te hervatten! Wat zou het heerlijk zijn om een nieuwe prent te maken!' 

Baarn 16-12-1962 | 'Het leventje van de twee oudjes aan de Van Heemstralaan gaat weer zijn gewone gangetje van vroeger, langzamerhand. Ik werk wat ik werken kan en moeder desgelijks. Een erg egocentrisch bestaantje: ik gun mij haast geen tijd voor iets anders dan houtsnijden, eten en rusten. Dat logeren zal wel in de herfst plaats vinden. Ik voel mij nog zó onzeker (dicht bij de dood zou je het kunnen noemen, omdat ik voortdurend aan die vervloekte carcasse herinnerd word), dat ik het in de lente niet aandurf om de veilige haven van het Baarnse ziekenhuis verweg te weten.' 

Baarn 17-11-1963 | 'In Groningen was het heerlijk. Ik werd speciaal gekoesterd en verzorgd in het geriefelijke huis van mijn vrienden Dekking en 's avonds, ondanks modder en sneeuw, kwamen er ze- ker driehonderdvijftig mensen naar mijn dia's kijken. Wat zijn Groningers, tenminste in dit geval de leden van het Natuurkundig Genootschap, een hartelijke en belangstellende troep. Het ging dan ook gesmeerd, mede dankzij Arthurs nieuwe dia's (van merendeels oude prenten). Na afloop werd er in de bestuurskamer nog lang nageboomd en ik zat erbij met een onuitsprekelijk dankbaar gevoel van: ik leef dus nog, ik ben blijkbaar nog niet dood. Mijn oude vriend Jan Willebois krabbelt ook weer wat overeind. Hij ligt mij toch blijkbaar nader aan het hart dan ik mij de laatste jaren heb gerealiseerd en het is wel een curieus idee, dat wij nagenoeg gelijktijdig zo diep in de ogen van magere Hein keken en kijken. 

Die tocht naar Groningen geeft mij weer moed voor de toekomst en komende week ga ik er tweemaal op uit naar Amsterdam: voor een vergadering van het bestuur van de «Grafische» (de eerste maal sinds een jaar) en om de verjaardag van mijn vriend Bas Kist bij te wonen. 't Is te gek dat ik dat doe, maar ze dringen zó aan en dus zal het wel moeten. Zulke strapatsen breken mij later weer op en kosten mij twee dagen om weer «bij» te komen. Ondertussen moet ik dezer dagen eindelijk proefdrukken maken van mijn Rode Mieren. Wie weet wat er van terecht komt.' 


OUDE VRIENDEN STERVEN

Begin april 1963 ontvangt Escher uit de Verenigde Staten bericht, dat zijn eerste Amerikaanse promotor Charles Alldredge, na een lange ziekte, op 18 maart overleden is. Hijzelf voelt zich geleidelijk aan steeds beter, maar met zijn vriend Jan de Willebois blijft het heel slecht gaan, zoals hij aan George en Corrie schrijft. 


In 1962 ontwerpt Escher een vlakverdelingsversiering voor een zuil in het nieuwe gebouw van de Provinciale Waterstaat in Haarlem. Op 23 maart 1962 vindt de officiële onthulling plaats

In juli 1966 maakt Escher in Canada deze voorstudie voor een 'Knoop'-litho. Tot die litho zal het echter nooit meer komen

Baarn 14-4-1963 | 'Telkens is hij weer aan de rand van leven en dood en krabbelt dan weer wat bij. Hoeveel maanden verplegen zijn vrouwen dochter hem nu? De smartelijkheden in de levens van zo vele van mijn vrienden treffen mij dieper dan vroeger. Nu ik de Rode Mieren heb afgemaakt, ben ik bezig aan het herzien van de veertig stuks regelmatige vlakvullingen die gereproduceerd zullen worden in de kristallografische uitgave. Een heel werk en onbegrijpelijk plezierig; onbegrijpelijk omdat er toch geen creativiteit aan te pas komt. Het is het moeizaam herkauwen van tekeningen van jaren geleden. Het zal het ritme wel zijn dat mij zo boeit. Maar enkele nieuwe zijn er ook bij: MacGillavry wees mij op het ontbreken van een paar systemen en daar verzin ik dan nieuwe vogeltjes, visjes of reptieltjes voor. Het schrikbeeld van een krukkige ouderdom (mocht die mij beschoren zijn) wordt verzacht door de hoop steeds maar nieuwe vlakvullingen te kunnen maken, tot in den treure. 

Enige corresponderende relaties van de Bell Laboratories vragen mij om lezingen te komen houden. Zo denk ik dan alweer vooruit tot het najaar 1964.' Besloten wordt dat er in 1963 geen reis naar Canada komt, maar dat Escher met zijn kinderen, ook die uit Canada, een zomervakantie in La Barboleusaz zal houden. Op 24 september, kort na Eschers terugkomst uit Zwitserland, sterft zijn oude vriend Jan de Willebois. Zelf voelt hij zich echter sterker, Hij maakt weer veel afdrukken van oude prenten, en houdt verschillende lezingen. Wanneer een sombere bui hem overvalt, probeert hij die door werken te verdrijven. 

Baarn 16-11-1963 | 'Als ik aan de ouderdom denk (natuurlijk in verband met mijn eigen toekomst en met die van moeder), dan word ik zeer somber gestemd. Het zwakker worden, het afnemen van de werkkrachten, het is een rotzooi. Daarom tracht ik nu nog te doen wat ik kan en, aangezien men mij voortdurend vraagt om afdrukken van mijn prenten, druk ik maar verder. Telkens komen er mensen op bezoek, ook menige Amerikaan. Ik heb al mijn prijzen verhoogd, maar het schijnt nog niet veel te geven. Ondertussen wen ik, heel langzaam, aan mijn lichamelijke minderwaardigheid en het lijkt wel of mijn darmen zich iets herstellen en ook wennen aan de voortdurende noodzaak van purgeren met zware medicijnen. Er moet geen tijd zijn voor piekeren; en dat lukt mij de laatste weken heel aardig. Ik heb het jullie al zo dikwijls gezegd: het moeilijkste van alles is tevredenheid en aanvaarding.' 

Baarn 5-1-1964 | 'Ook ik moet erkennen, of ik wil of niet, dat ik mij beter voel. De plannen voor het komende najaar worden dientengevolge heviger: in een bui van optimisme besloot ik in principe om vanuit Canada toch maar een tournee in de us te gaan maken, want ik heb in 't geheel zes uitnodigingen voor het houden van lezingen. Ik moet nu dus gauw beginnen aan een intensieve cor- respondentie om de zaak te organiseren. Misschien komt er wel helemaal niets van terecht en dat zou niet erg zijn, want het is een vermoeiende geschiedenis en ik weet niet eens of ik te zijner tijd daartoe wel in staat zal zijn.' 

Escher start inderdaad een zeer uitgebreide correspondentie en stap voor stap komt er een indrukwekkend schema voor manifestaties in de Verenigde Staten tot stand. Ook werkt hij aan een nieuwe prent, waarover hij onder meer aan Coxeter schrijft. 

Baarn 25-3-I964 | 'Momenteel ben ik bezig met een nieuwe hout snede in de vorm van een vierkant, gevuld met vissefiguren die vanuit het midden naar de buitenkant toe alsmaar kleiner worden. De titel zou dus kunnen zijn «vierkantlimiet». Ik ben bang dat hij vanuit uw theoretisch gezichtspunt een stuk minder interessant zal zijn dan mijn eerdere cirkellimiet prenten, maar vanuit mijn praktisch gezichtspunt is het in elk geval een eerste oplossing van een probleem dat me allang bezighoudt. Zodra ik met dit werk klaar ben, zal ik u een afdruk sturen'. Aan George en Corrie wordt gemeld dat Eschers halfbroer Eddy er zeer slecht aan toe is. 

Baarn 23-5-1964 | 'Oom George en ik hadden nogmaals een onderhoud met de neuroloog die oom Eddy behandelt. Hij gaf ons een beeld van de hopeloze toestand die wij langzamerhand beter begrijpen. Ik ga deze brief posten en daarna wat in het bos lopen. Gisteren omstreeks zes uur's avonds, was ik in het «tulpenbomen bosje» en er zongen twee zanglijsters vraiment à tue tête tegen elkaar op. Ik heb er sprakeloos van verwondering naar staan luisteren. Wat een duet! De wilde eenden met hun slierten jonge eendjes zijn alweer achter de rug, maar de tamme ganzen van kasteel Groeneveld komen nog wel eens luid kwakend en aan mijn broekspijpen trekkend, om mij heen staan als ik toevallig wat brood bij mij heb. Dat zijn zo mijn gelukkigste ogenblikken. Maar het gebladerte wordt al zwaar en de eerste lente is voorbij. Maar dat donkere lover heeft ook zijn bekoring. Eigenlijk is dat bos altijd mooi, in alle seizoenen, als je maar niet te moe bent. Rare, onbegrijpelijke, wrede en prachtige wereld.' 

Baarn 5-7-1964 | 'In de trein naar Utrecht werd ik opeens geweldig gepakt en ontroerd door een hemel met wolkjes op verschillende hoogten. Zo'n sensatie van ruimtelijkheid, van driedimensionaliteit, zoals ik in lange tijd niet had beleefd. Zoiets kun je dan plotseling beleven, zelfs in een overbevolkt landje als Holland. Als je maar naar boven kijkt, dan zie je ineens zo'n tijdeloze en grenzeloze eeuwigheid. Vind je het gek, of kun je het een beetje mee beleven?' Op 1 oktober vertrekt Escher met Jetta vol goede moed en met een druk programma voor de boeg naar Canada. Kort na hun aankomst daar, gaat het Escher echter plotseling weer zo slecht, dat hij in een ziekenhuis in Toronto moet worden opgenomen, waar hij opnieuw wordt geopereerd. Al zijn afspraken voor lezingen en tentoonstellingen moeten ook deze keer worden afgezegd. Ditmaal kan hij weer vrij snel uit het ziekenhuis. Begin november zijn ze terug in Nederland, en Escher pakt zijn bezigheden meteen weer op, zoals uit de brieven naar Canada blijkt. 

Baarn 14-11-1964 | 'Wij maken het allebei prima; ik hoor moeder zo nu en dan neuriën en zelf ben ik geweldig actief. Zo nu en dan zou ik wel, als Juliet, kunnen huppelen van plezier. Het enige vervelende is de toegenomen aandacht die ik dagelijks aan mijn lichaam moet wijden, maar voor de rest voel ik mij bepaald beter dan vóór Mac DonaId een gat in mijn buik prikte. Wellicht zou ik beter doen mij te laten bekijken, maar ik heb er vooreerst geen plan op. Wat is dat leven, die levenslust, toch een hardnekki- ge bedoening. Je kunt net zoveel denken aan en over de dood, je komt er geen steek verder mee en je gaat maar voort met je aardse bezigheden, hoe stom en onbelangrijk of ze ook zijn. Ik ga nog even door na het bezoek van Jan Klijn; gezellig en op- beurend (hoewel ik dat niet nodig heb) in zoverre, dat het rapport van Mac DonaId geen enkele aanwijzing van geconstateerde, geváárlijke gezwellen bevat. Er is wat aan het groeien, maar dat is relatief onschuldig ... voorzover ze hebben geconstateerd. (Dat neemt niet weg, dat Mac D. mij persoonlijk zeide, dat hij het voor echte kanker aanziet, en ook aan Klijn merk ik dat hij het vermoedt.) Hij geeft mij groot gelijk: blijf jij voorlopig maar uit onze handen; zorg dat de boel blijft «lopen» en trek je verder van niets wat aan. Zodra ik pijn krijg, begin ik natuurlijk tóch te gillen. Ik stuur je vandaag het boekje The Wallet of Kai Lung, van Ernest Bramah, dat ikzelf met veel plezier las: een uitzonderlijke, gemaniëreerde humor, quasi Chinees, maar eigenlijk typisch Europees, overbeschaafd.' 


CONCERT

Baarn 13-12-1964 | 'Het stormt en het regent. Sinds de dag dat wij thuis kwamen uit Canada, toen het twee graden vroor, is het voortdurend zacht geweest. Gisterenavond reed ik in de auto van mijn vrienden Klijn, door windstoten en regenvlagen, met hen mee naar het Concertgebouw in Amsterdam, waar wij net Hollands Strijkkwartet hoorden in Beethoven, Schubert en Mendelssohn. Dat was het eerste concert van een reeks van vijf waar ze mij deze winter heen zullen brengen. Ik vond het heerlijk, die levende klanken en genoot ook van de ouderwetse concertsfeer, maar vermoeiend was het wél. Ik hoor er toch nog een beetje bij, blijkbaar, bij dat rare gedoe van al die hongerige muziekliefhebbers. Van Beethoven speelden ze opus 132, dat gereed kwam twee jaren voor zijn dood, toen hij vijfenvijftig jaar oud was. Een moeilijk verstaanbaar kwartet, vol van onverwachte wendingen en waarschijnlijk zeer diepe gedachten. Het boeide mij erg, zo nu en dan en verder zat ik gewoon maar te genieten van die rare «Kleine Zaal», ovale ruimte met een overdaad van stuckrullen, vol aan- dachtige mensen en van de vier executanten, die zich daar zaten in te spannen om de muziek zo gaafmogelijk te laten klinken. Hoe is het mogelijk, in een tijd als de onze, vol ingeblikte muziek, dat er nog zoveel aandacht is voor het primaire, directe musiceren en dat vier muzikanten op een vastgestelde datum, om half negen 's avonds plotseling de concentratie kunnen opbrengen die een zaal vol mensen in vervoering brengt. Het zweet parelt op hun voorhoofden, zij zijn als in een trance en verdomme, het lukt hun weer voor de zoveelste maal. Het is een compleet wonder wat zich daar voltrekt. Nap de Klijn en Carel van Leeuwen Boomkamp en de oude, versleten Paul Godwin, met z'n prachtige altviool. Het is gewoon ongehoord en die oude Beethoven van bijna honderdvijftigjaar geleden, die wentelt zich in z'n graf, met al z'n problemen, z'n doofheid, z'n eenzaamheid en z'n smart. Je ziet, ik heb er wel wat aan gehad, aan dat eerste concert na ik weet niet meer hoeveel jaren. Het is eigenlijk allemaal even boeiend zo'n avond. Ook de praatjes in de pauze met mensen die je in jaren niet meer gezien hebt, oude concert rotten, habitués, die weer eens een avond op klanken komen dromen en een heleboel jonge mensen voor wie Schubert en Mendelssohn misschien nieuwe ervaringen zijn. Alle snobisme en aanstellerij ten spijt: wat wordt er een hoop genoten zo'n avond. Wat jammer toch, dat moeder haar eenzaamheid niet kan overwinnen en dat zij zoiets niet met mij mee kan beleven.'


CULTUUR PRIJS

Baarn 14-11-1965 | 'Er staan mij vermoeiende dagen te wachten. De gemeente Hilversum begiftigde mij met hun jaarlijkse cultuurprijs en die wordt mij 5 maart met veel ratteplan uitgereikt. Nóg meer plezier doet het mij, dat ik zelf heb mogen uitkiezen, wie ik als uitvoerder van de muzikale omlijsting wens. Ik noemde, zonder mij een ogenblik te bedenken, Janny van Wering met haar clavecimbel en die komt waarachtig aan mijn liefste wens tegemoet, en zal de vijfentwintigste variatie van de Goldbergdito's voor mij spelen, de mooiste van de reeks, voor mijn smaak. Zij speelt drie of vier maal tussen de bedrijven door, louter Bach, allemaal op mijn verzoek! Dat mij zoiets nog eens overkomt, daar lap ik de hele prijs voor aan mijn laars. Dat gebeurt dus 5 maart. De negende vlieg ik naar Parijs, tien minuten eerder dan moeder naar Kopenhagen. Dertig van mijn prenten worden in het instituut [Institut Néerlandais] een maand lang tentoongesteld en de elfde houd ik mijn lezing. De dertiende vlieg ook ik naar Kopenhagen. 17 of 18 maart zijn wij weer thuis. Wel, wel, wel, als mijn buikje zo rustig en gestadig blijft pruttelen als nu, dan kom ik er wel doorheen.' 

In zijn voordracht bij de aanvaarding van de Hilversumse prijs, formuleert Escher onder meer nog eens de aard van zijn prenten en zet hij vraagtekens bij het begrip kunst.

'Ik probeer in mijn prenten ervan te getuigen, dat wij leven in een schone, geordende wereld, en niet in een normeloze chaos, zoals het soms lijkt.

Mijn onderwerpen zijn óók dikwijls spééls. Ik kan het niet laten om met onze onomstotelijke zekerheden te sollen. Het is bijvoorbeeld een plezier, om willens en wetens twee en drie dimensionaliteiten, plat en ruimtelijk, door elkaar te haspelen en om met de zwaartekracht de draak te steken.

Weet u zéker, of een vloer niet tevens een plafond kan zijn?

Bent u er vast van overtuigd, dat u hóger komt, als u een trap oploopt?

Staat het voor u vast, dat een half ei niet tevens een lege dop is?

Dergelijke, ogenschijnlijk dwaze vragen, stel ik ten eerste aan mijzelf (want ik ben zelf mijn éérste toeschouwer), en daarna aan, anderen, die zo vriendelijk zijn mijn werk te komen bekijken. Het geeft voldoening om te merken, dat er nogal wat mensen plezier hebben in dit soort van speelsheid, en dat ze niet bang zijn om muurvaste realiteiten te relativeren.

Bovenal ben ik blij met het contact en met de vriendschap van mathematici, die ik eraan te danken heb. Zij hebben mij dikwijls nieuwe ideeën aan de hand gedaan en er ontstaat soms zelfs een wisselwerking tussen hen en mij. Wat kunnen zij speels zijn, die geleerde heren en dames!

Om u de waarheid te zeggen, zit ik een beetje in mijn maag met het begrip «kunst». Wat de één «Kunst» noemt, is voor een ander dikwijls géén «kunst». «Mooi» en «lelijk» zijn ouderwetse begrippen, die er tegenwoordig maar zelden meer aan te pas komen; misschien terecht, wie zal het zeggen? Iets afstotends, iets datje een morele kater bezorgt, iets dat je ogen of je oren pijn doet, kan bést kunst zijn!

Alleen «kitsch» is géén kunst, dáárover zijn wij het allemaal eens. Jawel, maar wat is kitsch? Als ik dat maar wist!

 Zulke gevoelsmatige waardebepalingen zijn mij te subjectief en te vaag. Als ik mij niet vergis, bestonden de woorden «kunst» en «kunstenaar» in de Renaissance en daarvóór, nog niet. Toen sprak men gewoon van architecten, beeldhouwers en schilders, als beoefenaars van een ambacht.

Ook de grafiek is zulk een eerlijk handwerk, en ik beschouw het als een voorrecht om lid van het gilde der grafici te zijn. Het snijden met een guts, en het graveren met een burijn in een spiegelglad gepolijst houtblok, is niet iets waarop je prat hoeft te gaan; het is gewoon een prettig werk. Alleen gaat het, naar mate je ouder wordt, iets moeizamer en langzamer en vliegen de spaanders wat minder onstuimig over je werktafel, dan vroeger wel eens.

Een graficus ben ik dus met hart en ziel, maar het predikaat «kunstenaar» geneert mij een beetje.' 

Baarn 7-3-1965 | 'Onderwijl brokkelt het leven af, om ons heen. Alweer een goeie oude vriend stierf plotseling: de oude Andréa, negenenzeventig jaar. In zijn gang viel hij om en was meteen dood. Hij had net nog vier litho's voor mij afgedrukt, tweehonderdzestig afdrukken in 't geheel. Daar heeft hij enige maanden lang over gewerkt, want het ging heel langzaam en er was ook geen haast bij.' 


FLOCON

Baarn 25-4-1965 | 'Schreef ik over mijn enthousiasme aangaande een topologische (à propos: wat is topologie eigenlijk? Ik vind het niet in mijn vreemde woordenboek; weet slechts dat topo plaats betekent en ken natuurlijk topografie) knoop, die mijn frère spirituel Albert Flocon, niet mooi genoeg, in zijn boek met gravures afbeeldt? (Hij leidde mij in, toen ik in Parijs mijn lezing hield en schonk mij dat hoogst curieuze bibliofiele werk van hem. Nu heeft hij een artikel over mijn werk in Jardin des Arts geschreven, dat misschien wel eens ooit gepubliceerd zal worden.) Een dikke knoop zonder einde, van kabeltouw bijvoorbeeld, die aller interessantst de drie coördinaten toont. Daar wil ik beslist een prent van maken, omdat ik er méér in zie dan hij, blijkbaar. In zijn atelier hangt een groot schilderij (want hij schildert ook, behalve zijn graveurswerk en onderricht aan de Académie des Beaux Arts), waarop één mijner persoonlijke perspectivische grappen is afgebeeld, met de bijvoeging: hommage à M. C. Escher. Dus nu moet ik een prent maken van zijn knoop als hommage à Albert Flocon. Ik hoop dat het mij lukt om hem in het Maison Descartes in Amsterdam een lezing en tentoonstelling te bezorgen, maar krijg geen antwoord op een brief aan de directeur van dat instituut en vrees dat er te weinig belangstelling zal zijn bij Frans-minded Amsterdammers voor zulk een expert in de bol perspectief als hij is.' 

Baarn 13-6- I965 | 'Ach, die knoop! 's Avonds ben ik soms duizelig van de inspanning. Kun je je een beetje voorstellen hoe moeilijk of hij is? Ik ben nu eindelijk aan een relatief definitief plan toe: drie afbeeldingen, samen in één kleurenhoutsnede, met een vierkant, een kruisvormig en een cirkelvormig profiel van de worst. Een perspectivische heksentoer. Ben ik dan zó stom, dat ik het moeilijk vind? Ik lijd misschien wel aan ouderdomsaftandsheid. Gek, dat «de mensen» mij dikwijls voor zo «knap» aanzien.' 

Baarn 8-8-1965 | 'Eindelijk is onze reis nu besproken. De week van 12-18 september bleek al helemaal vol te zitten! Zo vroeg van tevoren al uitverkocht. Daarom heb ik plaatsen moeten reserveren op dinsdag 21 september. De aankomst in Toronto zal wel weer op hetzelfde uur zijn als verleden jaar, want van Schiphol naar Montreal is er niets veranderd. Wij kunnen dan blijven tot maandag 11 oktober 's avonds. Het boek Symmetry Aspects is uitgekomen. Het ziet er wel smakelijk uit, maar viel mij toch tegen, na het lange verheugen erop.' 

Baarn 7-9-1965 | 'Ik heb het gevoel of ik het nog nooit zo druk heb gehad als nu; het lijkt wel of de mensen gek geworden zijn; er komt geen eind aan de bestellingen en het resultaat wat mijzelf be- treft, is natuurlijk: schrijven, schrijven, afdrukken, afdrukken. Ook Parijs is nu begonnen: een prentenhandelaar [Prouté], le plus sérieux de Paris volgens mijn vriend Flocon, bestelde er zes. Tel- kens ontvang ik hier Amerikanen en telkens ook moet ik rolletjes versturen. Zo is er voorlopig geen enkele kans op nieuwe bestudering van de knoop. Meer dan ooit ben ik echter van plan ermee door te gaan, want het succes van de eerste, mijns inziens onvoldoende geslaagde kleurenhoutsnede, is opmerkelijk.' 

Baarn 16-1-1966 | 'Deze maand moet ik drie lezingen houden, waarvan twee gedurende de aanstaande week. Ik volg dus MussoIini's raadgeving: Vivere pericolosamente, want ik ben tegenwoor- dig nooit helemaal zeker of er niet plotseling een lek kan ontstaan. Maar ja, als je niet wat waagt, kun je wel op je bed blijven liggen. Ik kijk de mensen tegenwoordig anders aan dan vroeger. In zo'n volgepropte concertzaal als gisterenavond bijvoorbeeld: hoeveel van die, ogenschijnlijk onbezorgde, van muziek genietende luisteraars, verkeren misschien in analoge omstandigheden?' 

Baarn 30-1-1966 | Gisteren heb ik een groot deel van de dag besteed aan het antwoorden van een brief van Martin Gardner, die van plan is deze lente een van zijn Scientific American columns aan mij te wijden. Dat vind ik een loffelijk en niet te versmaden voornemen en ik moest er omstandig op antwoorden, want de man is de vriendelijkheid zelve. Hij zal bij Cornelius Roosevelt in Washington het benodigde illustratiemateriaal gaan uitzoeken. R. bezit namelijk een tachtigtal mijner werken en is altijd onmiddellijk bereid om ze te lenen aan wie er behoefte aan heeft.' 

Baarn 24-4-1966 | 'Ik ben ons reisplan nu aan het opmaken... is méér dan een maand voor jullie niet te bar? Zal ik mij niet gaan vervelen en dus een onaangename gast worden, zo'n hele werkeloze maand lang? Wat deze consideratie betreft kreeg ik een lumineus idee: ik neem gewoon werk mee! Sinds een week ben ik namelijk begonnen aan de uitwerking van het plan dat al een jaar door mijn hoofd spookt: een «Möbius-knoop», type kruisprofiel, links boven op de eerste «Knoop»-prent. Met vuur en vlam ben ik aan de arbeid; kan mijn geluk niet op, want wat is er heerlijker dan een hersenschim te verzinnelijken. Maar met woede en tandenknarsing tevens, want wat is er hinderlijker dan voortdurend gestoord te worden door Amerikanen die onze deur plat lopen, toenemende correspondentie en vooral gehandicapt door een gezondheid die dagelijks zoveel tijd vergt. Maar allez, ik ben tenminste begonnen! Een heel jaar lang heb ik er telkens over zitten piekeren en eindelijk meen ik een bevredigende oplossing van het vraagstuk gevonden te hebben.' 

Baarn 11-9-1966 | 'Eerdaags komen er twee lui, een science correspondent en een art critic, van The Observer, hier kijken, die een artikel over mij in hun eerbiedwaardige krant willen schrijven. Verder kreeg ik nu officieel bericht van het Haags Gemeentemuseum over een grote overzichtstentoonstelling in 1968. Voor het eerst zullen daar ook veel schetsen en tekeningen uit vroeger dagen getoond worden.' 

Baarn 29-1-1967 | 'Dit zal maar een kort briefje worden, want om elfuur komen er twee Amerikanen. Het leven spoedt zich voort als een op hol geslagen veulen en ik loop er hijgend naast om te proberen het bij te houden. 't Is wel een vermoeiend geval. Ik heb het weer moeilijk gehad, zowel wat buik als wat slaap betreft. Zo nu en dan heb ik er schoon genoeg van, van zo'n leven met voortdurend vechten. Als het niet is tegen mensen, dan tegen omstandigheden; je komt er verdomme nooit vanaf. Altijd schrap staan en gespannen. Lui liggen op het levende lichaam van een vrachtboot, dát is je ware, maar dat is voor eeuwig verkeken, wat mij betreft.' 


EEN SUPERLANGE METAMORFOSE  

Baarn 2-6-1967 | 'Het vervelende is, dat mijn hoofd volstrekt niet naar deze soort van zaken [financiële beslommeringen] staat, omdat ik druk bezig ben met het overdenken van een alleraardigste opdracht, die de PTT mij misschien wil geven. Een nieuw, enorm postkantoor in Den Haag heeft een loketruimte met een muuroppervlak daarboven van achtenveertig meter lang. Dat moet, met een soort van fries van circa een meter zestig hoog, versierd worden. De esthetisch adviseur van de PTT wil daarvoor graag mijn oude Metamorphose gebruiken, fotografisch vergroot en daarna op de muur geschilderd (niet door mij!, door een goede vakman). Mijn Metamorphose is echter twintig centimeter hoog en vier meter lang. Bij een hoogte van een meter zestig, bedraagt de lengte dus slechts tweeëndertig meter. Ik moet er dus nog zestien meters bijbreien, oftewel, ontworpen op de oorspronkelijke schaal van de houtsnede beeldstrook, nog twee meters lang nieuwe metamorfoses toe- voegen of tussen flansen. Dat zal best lukken, maar het is een heel werk. Ik ben benieuwd of het allemaal zal gebeuren zoals ik het nu, nog vaag, voor mijn geestesoog zie.' 


Escher aan zijn administratie, 1963

Baarn 5-11-1967 | 'Ik lees (bijvoorbeeld in slapeloze uren des nachts) een indrukwekkend boek van Gerard Cornelis van het Reve. Het is, meen ik, zijn eersteling, in 1947 geschreven: De Avonden. Verbazingwekkend, ontroerend, griezelig, en vooral: troebel. Dat is, geloof ik, het ware woord. Het is troebel. Als ik het niet kende, zoals hij het beschrijft, zou ik het niet herkennen en dan zou het mij ook niet kunnen treffen. Ik zal mij er maar niet voor schamen, want het is de zestiende druk; er zijn dus nog wel een paar andere mensen, die erdoor werden getroffen. Het is daarbij zo verdomde typisch Hollands. Maar een groot schrijver is hij ongetwijfeld. Ik heb dan ook maar gauw een tweede boek van hem gekocht, om mij te troosten zodra ik het eerste uit heb.' 


Knopen, driekleurenhoutsnede, augustus 1965

Baarn 19-5-1968 | 'Ik was laatst weer eens in het Haagse postkantoor. Ze zijn nog maar heel weinig opgeschoten, maar de jonge schildersknecht (éénentwintig) doet het bijzonder goed en met veel plezier. Het zal nog wel een halfjaar duren eer het helemaal klaar is. De tentoonstellingsopening nadert nu ras. Het zal de 7 de juni 's avonds voor genodigden plaats hebben. Men verwacht van mij een kort lezinkje. Zondag 9 krijgen wij Roosevelt te eten; dat kan wel gezellig zijn, met al die mensen, evenals het laatst leuk was met von Hippel te dineren. Het is een pak van mijn hart dat ik, tussen de bedrijven door, toch ook nog de bekleding van de twee zuilen in het nieuwe Baarnse lyceum ontwierp. De tekeningen op ware grootte van de door de Porceleyne Fles uit te voeren geglazuurde tegels worden morgen verzonden. Twee fragmenten uit de driekleuren houtsnede Metamorphose 


Twee fragmenten uit de driekleuren-houtsnede  Metamorphose III, 1967/'68

Baarn 13-11-1968 | 'De opening [van de Haagse tentoonstelling] was een groot succes (mag ik wel zeggen). De grootste zaal die het museum ter beschikking had, hun aula met driehonderdtwintig plaatsen, was afgeladen vol en in de hal daarbuiten stonden meer dan honderd mensen, die er niet meer in konden. Speeches van de beide directeuren (museum en prentenkabinet) en daarna strijkages van mijn kant, benevens een korte lezing met dia's die veel succes oogstte en waarbij ik mij volkomen op mijn gemak voelde, namen meer dan een uur in beslag. Het bezoek van Roosevelt was enig! Natuurlijk kocht hij een tiental prenten van oude datum en bestelde veertig exemplaren van de catalogus, om in de us aan vrienden en belangstellenden uit te delen.' 


Ringslangen, driekleuren houtsnede, juli 1969


LEVEN 0P ZICHZELF

Eind 1968 vertrekt Jetta uit Baarn; ze kan het daar niet meer uithouden en gaat naar Zwitserland, waar ze wordt opgevangen door zoon Jan. Escher leeft nu op zichzelf, maar vindt een uitstekende huishoudelijke hulp in mevrouw Taets van Amerongen. 

Baarn 12-1-1969 | 'Sinds mijn vorige brief van veertien dagen geleden viel er hier eigenlijk weinig schokkends voor. Mijn leventje zonder moeder en aangenaam verzorgd door Hans Taets (op mijn voorstel noemen wij elkaar sinds het nieuwe jaar maar bij de voornaam, hoewel haar dat moeite kost, maar mij volstrekt niet) kabbelt rustig voort. Rustig wil zeggen: ik doe mijn best om al het werk dat van mij verlangd wordt zo goed mogelijk uit te voeren, zonder mij teveel te vermoeien. Dat laatste is moeilijk, want het afdrukken van houtsneden is een zaak van dagtaak berekenen, de juiste hoeveelheid drukinkt aan te maken enz. Elke oude plank, die ik weer, soms pas een jaar of zelfs twee jaar na de vorige oplaag, ter hand neem, is een waagstuk, want meestal ben ik de speciale moeilijkheden en foefjes inherent aan dat probleem, wat vergeten. Maar die moeilijkheden, of liever gezegd: de voldoening die je smaakt als je merkt dat het tóch weer lukt, is het voornaamste zout van mijn huidige leventje.' 

Baarn 16-3-1969 | 'Snel maar weer even de kletspraat van zondagochtend; het is al laat en om één uur halen de Klijntjes mij weer af, om, mede in gezelschap van Hans Taets, naar het voorlaatste concert van dit seizoen in Amsterdam te gaan. Ik hoop toch zó dat ze ook het volgende seizoen nog bereid zijn om abonnementen te nemen, dat wil zeggen dat ze mij veroorloven het voor hen te doen en dat ik mee mag rijden in hun auto, want, nu ik alleen ben nog sterker dan vorige jaren, geniet ik van welluidende klanken en van vriendschap. Maar zeker is het niet, want Rie Klijn gaat er, wat haar gezondheid betreft, niet op vooruit en wij zijn allemaal, zijzelf wel in de eerste plaats, bevreesd dat zij er de volgende winter niet meer zal zijn. Bevreesd is het ware woord niet, want als doktersvrouw en ex-medisch studente, geloof ik niet, dat de dood haar erg veel angst inboezemt. Maar jammer is het, verschrikkelijk jammer. 

Kwart over vijf en al thuis van het concert! Nog best tijd voor een kop thee en een appendix aan deze brief. Tijdens de muziek, in die grote zaal vol luisterende mensen achter een podium met meer dan honderd strijkende en blazende muzikanten, trof het mij, dat wij ons toch heel wat meer ontwikkeld hebben dan een chimpansee of een dolfijn. Allemachtig, wat is de menselijke samenleving gecompliceerd! De gedachte aan een chimpansee komt door het boek dat ik al meer dan een maand lang bij kleine stukjes en beetjes lees: De Naakte Aap, van Desmond Morris, «Een zoölogische studie van het menselijke dier». En over de dolfijn hoorde ik vanmorgen in het zondagse radioprogramma Weer of geen weer, enige frappante opmerkingen door de zoöloog die aan het hoofd staat van de Harderwijkse Dolfinarium, waar ze, in navolging van Marineland in de buurt van Los Angeles (dat ik in 1960 bezocht), dolfijnen dresseren. De intelligentie van deze dieren schijnt wellicht groter te zijn dan van de chimpansee en genoemde heer slaakte de verzuchting dat het zo jammer is, dat ze geen handen en vingers hebben, want dan zouje wat zien! Toch kan ik mij moeilijk een vioolspelende dolfijn voorstellen. Vanavond heb ik weer eens tijd om een beetje op te schieten in mijn naakte aap, omdat de krant op zondag niet verschijnt.

Er speelde vanmiddag een beroemde Russische pianist het eerste concert voor piano met orkestbegeleiding van Chopin; een wonder van virtuositeit, zowel bij de componist als bij de uitvoerder. Vroeger spuugde ik min ofmeer op Chopin, want als je jong bent is het meestal alles of niets. Nu maakt misschien de ouderdom mij «milder», zoals je dat noemt. Er valt heel wat te bewonderen in zo'n spektakelstuk en dat speculeren op de romantische sentimentaliteit van al die oudere dames met gepermanente grijze krullen is eigenlijk ook machtig boeiend. Je ziet ze bijna smelten als de piano weer een polonaise achtige solo ten beste geeft. Als je zo zit te genieten van alles en nog wat tijdens zo'n concert, dan vraagje je af: hoelang nog is zoiets mogelijk in onze gemechaniseerde wereld? Hoe lang zullen meer dan honderd muzikanten van vlees en bloed bereid zijn zich zó in te spannen (ik las dezer dagen in de krant, dat orkestleden tijdens repetities en uitvoeringen zó in spanning zijn al was het alleen maar door het gezamenlijke ritme dat hun polsslag abnormaal versnelt), twee uren lang voor een zaal vol mensen? Dat kán toch niet lang meer duren? En al dat gestrijk en getoeter kun je toch ook nabootsen op een paar elektronische instrumenten? Het wordt trouwens nu al te duur voor de Staat om te subsidiëren. Ook het theater verdwijnt al. Hele kleine theatertjes en huisorkestjes zullen het misschien nog een tijdje uithouden. Enzovoorts. ' 

Baarn 20-9-1969 | 'De hippies in San Francisco gaan maar door met het clandestien drukken van mijn werk. Enige gruwelijke resultaten kreeg ik weer in handen door bemiddeling van een vriendelijke klant daar in de buurt. Onder andere werd mij, behalve weer giftig gekleurde affiches, een programma, of catalogue van achtenveertig pagina's opgestuurd van de zogenaamde «Midpeninsula Free University», Menlo Park, Californië. Met drie reprodukties van mijn prenten, afgewisseld door foto's van verleidelijke naakte meisjes.' 

Baarn 6-7-1969 | 'Mijn vliegreis naar jullie is nu definitief vastgesteld en besproken op 19 augustus. Er is alle kans dat ik voor die tijd klaar kom met mijn houtsnede; de tweede plank is al aardig op weg naar voltooiing.' Ook aan Arthur en Lotje Loeb schrijft Escher over deze houtsnede (Ringslangen), die zijn allerlaatste prent zal zijn. 

Baarn 13-8-1969 | 'Ik verbeeld mij niet dat het een «meesterwerk» zal worden (hoewel wij bij elk werk overnieuw eigenlijk moeten doen alsof wij dat geloven), maar wél ben ik uiterst tevreden over het feit, dat mijn hand nog volstrekt niet bibbert en dat mijn ogen, mede dankzij mijn door cirkelvormige TL-buis verlichtte loep (die het hout niet verwarmt!) voldoende goed blijven voor zulk een uiterst nauwkeurig werkje. Ik doe dergelijk werk nu al meer dan vijftig jaar en ik ken op deze rare, angstwekkende aarde, eigenlijk niets prettigers. Wat wil een mens meer? Wél moet ik ondertussen mijn oren dichtstoppen, want mijn Amerikaanse klanten zeuren steeds om snellere bediening, maar ik laat ze nu maar eens een keer wat wachten.' 


ROSA SPIER HUIS

In het voorjaar van 1970 moet Escher opnieuw in het ziekenhuis worden opgenomen voor een zware operatieve ingreep. Als hij weer thuis is, kan Escher naar Canada schrijven, dat hij zijn intrek zal nemen in het verzorgingstehuis van de Rosa Spier Stichting in Laren N H. 

Baarn 6-5-1970 | 'De kwestie Rosa Spier Huis is eindelijk in kannen en kruiken! Vanaf 1 juni huur ik: een zitslaapkamer(tje) (drie zestig bij drie vijfenzestig) met, daar vlak tegenover (erg belangrijk: alleen maar gang oversteken; eerst werd mij aangeboden een combinatie met vijftig meter gang ertussen) het atelier, zeven zesenvijftig bij drie zestig, waarvan ik voor mijn werk slechts ongeveer de helft nodig heb en de rest als zitkamer zal gebruiken. Ik ben van plan pas in augustus te verhuizen. Van mijn reis naar Canada komt dit jaar dus niets. Ik hoop dat Jan en Liesbeth in die maand tijd hebben om mij te komen helpen verhuizen, zoals zij aanboden. lrma kan dan nog, voor het laatst in juli hier komen logeren, waar zij altijd erg op vlast, en jullie, C, J, en K, kunnen hier komen logeren, als je daar tenminste tijd voor kunt uittrekken nevens de zussen en de vrienden en tante Sinie. De laatste maal voordat grootvader in zijn hofje gaat wonen.' 

Baarn 24-5-1970 | 'Gisteren bracht ik een bezoek aan mijn chirurg in het Diakonessenhuis. Hij was erg tevreden over mijn «toestand», tevredener dan ik zelf ben, want ik voel mij slap en erg gauw moe. Overmorgen komen de bestuursleden van de «Escher-Stichting» weer eens hier vergaderen. Dat zal wel weer een hele dag worden. Onder andere moet er ernstig beraadslaagd worden over het nieuwe boek, dat Meulenhoff uit gaat geven, tegen het eind van het jaar, alsmede over de beteugeling van dief achtige reprodukties van mijn prenten, nu ook bijvoorbeeld in Zweden.' Verder vermeldt Escher dat Bruno Ernst op bezoek zal komen. 'Dit wordt al de vierde zondagmiddag, van vier uur tot half zeven, dat hij bij mij komt om gegevens te verzamelen voor een boek over mijn werk, speciaal bekeken vanuit het standpunt van een mathematicus. Hij zei mij: als ik nu niet alles uitje probeer te trekken wat mijn theoretische inzicht kan verhelderen, dan ben je misschien dood en dan komt er nooit iets van dat boek, waarover hij zich, eventueel in een verre toekomst veel voorstelt. Het is ook erg leuk voor mij, om te zien hoe hij mijn intuïtieve aanpak helder onder woorden tracht te brengen, woorden die ik zelf nooit heb gebruikt, noch gekend.' 

In het Rosa Spier Huis heeft Escher het naar zijn zin, maar zijn gezondheid blijft achteruit gaan. Vanaf begin 1971 is hij niet meer in staat, nieuwe prenten te maken of oude af te drukken, maar zodra hij het even kan, correspondeert hij met zijn kinderen en talloze vrienden en relaties. Zo is hij ook zijn oude vriend Bas Kist niet vergeten. 

Laren 15-3-1971 |' Beste Bas, Je zult wel denken: uit het oog, uit het hart. Na je gezellige bezoek van 11 februari weet ik dat je jarig was en een, zo niet luisterrijk, dan toch stemmig feest vierde eindi- gend met een concert in «Musis». Ik liet boe noch ba van mij horen, maar kan tot mijn excuses aanvoeren, dat ik «lijdende» was, in versterkte mate. Daarover wil ik echter niet uitweiden en alleen vermelden dat mijn zeer attente en (meen ik) kundige Larense huisarts, mede bij afwezigheid (vakantie) van de chirurg die mij het laatst opereerde, het initiatief nam tot een rigoreuze antibiotica-kuur. Deze matte mij wél af, maar deed onder andere de flinke koorts volkomen verdwijnen en ook andere enigszins griezelige symptomen althans verminderen.

Op dit eigenste ogenblik lig ik (zoals gebruikelijk) op mijn bank een beetje onhandig te schrijven, want horizontaliteit is nog steeds een verademing als ik noodgedwongen enige tijd heb moeten zitten. Dat was zojuist het geval tijdens een «knip»-séance door mijn kapper. Het gevoel dat vijf weken lange lokken, die de nozemstatus begonnen te benaderen, er weer af zijn, stemt tot tevredenheid.

Verder heb ik telkens het gevoel, dat ik bezig ben strepen te zetten onder levensactiviteiten. Hans Locher kwam laatst een enorme massa prenten bij mij weghalen, zodat ze nu in het Gemeentemuseum prentenkabinet wel zowat twee exemplaren hebben van alles wat ik ooit aan prenten produceerde. Dit was namelijk zijn uitdrukkelijke wens. Overnieuw afdrukken van houtsneden kan ik absoluut niet meer, veel te vermoeiend. Mijn «stok» van houtsneden neemt dus gestadig af, want ik ga door met verkoop «in binnen- en buitenland» zolang de voorraad strekt, hetgeen niet lang meer zal zijn. Wat de litho's betreft: gisteren bracht mijn drukker mij voor het laatst honderdvijftig afdrukken van drie verschillende «bestsellers». Dat duurt dus nog wel een jaartje of langer eer ik die kwijt ben (gesteld dat het verzenden en inpakken doenlijk blijft voor een kruk als ik). Maar ook onder die lithodrukkerij heb ik nu onherroepelijk een streep gezet. Wij pinkten (bijna) een traan weg; de brave oude drukker en ik zullen elkaar in het hiernamaals misschien weer eens ontmoeten.

Ik bereid mij, zonder enige smart, voor op een ononderbroken verblijf in dit onvolprezen Rosa Spier Huis. Tochten naar Canada en Denemarken zitten er niet meer in, of mijn medici moesten wonderen verrichten, waarvoor ik hen niet aanzie; gelukkig maar. Stel je voor, dat zij iedere ziekte genazen. Dan zou er nooit meer iemand doodgaan. Wat een gezellige pot met pieren. En zelfs kortere tochtjes (bijvoorbeeld naar Velp) zie ik mijzelf nog niet zo gauw volbrengen tenzij ik een ambulance wagen huur. Als een mens soms pijn heeft, dan beseft hij pas hoe heerlijk het is om geen pijn te hebben. En is er, in dit tranendal, iets heerlijkers te bedenken, dan in te slapen in een zacht bed? Daarom ben ik ook zo helemaal niet bang voor de dood, mits die zich pijnloos, als een nauw merkbare overgang naar het Nirwana, voltrekt. En medici van goeden wille kunnen zoiets tegenwoordig best bewerkstelligen, mits zij niet in domme dogma's gevangen zitten.

Ik kreeg het aangename bezoek van Cola Debrot plus beeld- schone en lieftallige dochter (die nota bene wijsbegeerte studeert). Ik ben nu naarstig mijn achterstand in kennis omtrent C. D.'s schrijverschap aan het inhalen, want ik had nooit een letter van hem gelezen en dat blijkt toch zéér de moeite waard. (Of beïnvloedt mij het onuitwisbare beeld van dat dochtertje? Zelden zag ik zo iets treffend en charmants.) In plaats van voortdurend over mijn eigen kwalen te urmen, had ik ook wel eens kunnen vragen hoe het met jou gaat. Ik hoop wél.' 

In de loop van 1971 lukt het Escher toch nog, zijn vriend Bas per taxi op te zoeken, en is hij zelfs bij machte een kort bezoek aan Arthur in Denemarken te brengen. Op 10 december verschijnt het Meulenhoff-boek, De werelden van M. C. Escher, en hij maakt het eerste enorme succes daarvan nog mee. Belangrijker vindt hij eigenlijk het boek dat Bruno Ernst heeft geschreven, maar het verschijnen daarvan beleeft hij niet meer. Op 27 maart 1972 overlijdt hij, drieënzeventig jaar oud, in het Diakonessenhuis in Hilversum. 

George Escher heeft zijn vaders laatste dagen in een brief van 5 januari 1978 aan Bruno Ernst beschreven.

'Omstreeks 15 maart [1972] een telefoontje van Vermeulen dat vader snel achteruit gaat. Een paar dagen later arriveer ik in Hilversum, waar Arthur en Jan ook al een paar dagen zijn. Hij is voor het eerst gedeeltelijk kaal. Hij dut een tijdje, wordt half wakker, we maken een praatje, dan slaapt hij weer in. Het blijkt al gauw dat de dokter geen snelle afloop verwacht, en omdat drie zoons tegelijk in een ziekenkamer wat erg veel drukte betekenen, besluiten Jan en Arthur om beurten voor een paar dagen weer aan het werk te gaan.

De eerste paar dagen zijn wat onwennig. We proberen, op aandringen van de zusters, vader te bewegen om een beetje te eten, maar zonder succes. Hij heeft geen zin om dit zinneloze verblijf in bed te rekken, en zou het liefst hebben dat er snel een eind aan kwam. Na een paar dagen krijgt hij uitsluitend intraveneuze voeding, en dat vermindert de problemen, en maakt vader rustiger.

 Nu is een erg gezellige en rustige periode aangebroken. Er is geen drama. Arthur en ik of Jan en ik installeren ons in de loop van de ochtend in vaders kamer, bij zijn voeteneinde of aan de raamkant, met een boek, ofwat schrijfpapier om naar huis te schrijven, tot aan het middaguur. Dan gaan we uit eten, en komen later terug, tot het tijd is om voor die dag naar ons hotel te verdwijnen. Ik vind het erg gezellig, en vader vindt het kennelijk ook prettig om ons in de buurt te hebben, al heeft hij de eerste paar dagen een beetje gesputterd over tijd verpesten. Zo nu en dan slaat hij zijn ogen open, en we maken een praatje, of hij maakt een mopje over het hiernamaals, waar hij zo nu en dan over ligt te filosoferen. Hij weet heel goed dat hij nog maar een paar dagen te leven heeft, en zou het liefst hebben dat zijn einde snel kwam, maar, behalve zo nu en dan een vriendelijk verzoek aan de dokter om niet teveel zijn best te doen, legt hij zich neer bij de noodzaak om dokters en verpleegsters hun vak te laten uitoefenen.

Zo gaat de ene dag na de andere voorbij. Uit het raam kijk ik naar de bomen, de regenvlagen, of de lentezon, met op de achtergrond vaders ademhaling, soms zachter, soms harder, dan ophoudend, als hij wakker wordt. Zo nu en dan wat sinaasappelsap aanreiken, of hem helpen met een beetje anders te liggen, en er tussendoor een praatje met Jan of Arthur, of wat verder lezen in de een of andere Dorothy Sayers of Agatha Christie. Er is weinig verandering te bespeuren. Jan gaat de vierentwintigste of vijfentwintigste terug naar Kopenhagen, Arthur is van plan om een paar dagen daarna (met Pasen?) naar Hilversum te komen.

De zevenentwintigste breng ik de ochtend zoals gewoonlijk me hem door. We hebben zo nu en dan een praatje, en hij tapt een mopje over het belachelijke van zijn situatie dat me nog een tijdlang doet na grinniken. Als ik na het middageten het Diakonessenhuis weer inloop, word ik door een verpleegster opgevangen die me naar dr Glazenburg leidt, die me dan vertelt dat vader in het begin van de middag is overleden. De periode van gezellig samen zijn is voorbij.'



De officiële onthulling van de 'Metamorphose'-wandschildering op de muur acher de loketten van het postkantoor aan het Kerkplein in Den Haag, 20 februari 1969 


Lees meer →