M.C. Escher

Vader van Escher


Vader Escher 1843 -1939

 

'Sarah was niet meegegaan naar Ameland. Ze verwachtte in juni weer een baby. Ze wilde nl., daar we slechts jongens hadden, zo gaarne nog een meisje krijgen en daarom hadden we, hoewel beide -maar vooral ik- ruim oud voor baby's, het voor het laatst nog eens beproefd. 17 Juni bleek het echter weer een jongen te zijn. We noemden hem naar Sarahs geliefde oom Van Hall Maurits Cornelis en in de wandeling Mauk of zo lang hij nog klein was Maukie.' Zo beschrijft Ir. George Arnold Escher (1843-1939) de geboorte in 1898 van zijn jongste zoon, de latere graficus M.C. Escher. Deze beschrijving staat in een eigen levensschets, die Escher Sr. vooraf laat gaan aan een dagboek, waarmee hij in 1910 begint. Hij krijgt vijf zoons: Eddy en Beer uit zijn eerste huwelijk met Charlotte de Hartitzsch; George, Nol en Mauk uit zijn tweede huwelijk met Sarah Gleichman. Dit gaat over leven en werk van de jongste van die zoons. Maar eerst willen we even stilstaan bij de markante persoonlijkheid van vader Escher, zoals deze uit diens levensschets en dagboek naar voren komt.

 

In zijn laatste levensjaren wordt het schrijven van het dagboek een steeds belangrijker bezigheid voor vader Escher. In 19 19 constateert hij dat het schrijven ervan een geschikt werkje voor hem is, als afwisseling van het lezen, dat zijn ogen veel meer dan het schrijven vermoeit. Hij noteert dagelijks nauwgezet de namen van mensen die hij ontmoet heeft, en maakt uittreksels van gesprekken, brieven, artikelen en boeken, van alles wat hem maar interesseert. Als hij in 1934 in hotel De Tafelberg in Oosterbeek logeert, verheugt het hem het plaatsje aan de schrijftafel met lamp in de salon onbezet te vinden en daar zijn dagboek, 'hoe onbelangrijk ook', te kunnen vervolgen. En als zijn ogen, zijn oren, zijn benen en zijn ingewanden (het zwakke punt van de familie) hem op het laatst bijna helemaal in de steek laten en zijn schrift op de laatste bladzijden van het 6Iste deel praktisch onleesbaar wordt, probeert hij toch iedere dag ten minste de datum, de windrichting en de temperatuur te noteren.

 


BEROEPSKEUZE  


Nuchterheid is een kenmerk van Escher Sr. Typerend is hoe hij in zijn jeugd, al vóór hij naar het gymnasium gaat, bij zich zelf systematisch nagaat voor welke loopbaan hij in aanmerking komt, 'waarbij ik in hoofdzaak geleid werd door mijn hoofdgebrek: een slecht en langzaam werkend geheugen en een in 't algemeen langzaam werkende geest', schrijft hij in zijn levens-schets. 'Dit gebrek had nl. ten gevolg dat ik zeer moeilijk van buiten leerde, en dat ik feiten en ook uitdrukkingen en zinswendingen, die ik gehoord of gelezen had, niet lang onthield en er dus weinig gebruik van kon maken bij het vertellen of het maken van een opstel, m.a. w. ik was en ben nog steeds een slecht spreker en ook het stellen op schrift gaat mij moeilijk af. Ik zocht dus naar een beroep waarbij het niet vooral op feitenkennis aankwam en waarbij geen redevoeringen behoeven gehouden te worden. Daardoor vervielen reeds dadelijk de betrekkingen van advocaat, rechterlijk ambtenaar, burgemeester, predikant, docent, acteur. Na zo nog een hele reeks andere mogelijkheden als ongeschikt te hebben afgewezen, komt hij ten slot te bij wat hij wel meent te kunnen. 'Wel gevoelde ik en had ik enige geschiktheid voor onderzoek naar het onderling verband van natuurkundige verschijnselen en daarop gegronde menselijke constructies. Daar in natuurkundige vakken moeilijk een betrekking te verkrijgen is zonder te moeten doceren, bleef er niet veel over dan een constructievak, dus ingenieur. Ik heb mij deze keus nooit berouwd.'

 

In 1859 voltooit hij de afdeling bèta van het gymnasium en gaat daarna studeren in Delft. Op 22 juni 1863 beëindigt hij zijn studie en krijgt hij de titel van Civiel Ingenieur. Hij werkt dan enige jaren aan de Staatsspoorlijn Amsterdam-Den Helder, tot hij op I januari 1867 na een vergelijkend examen in dienst kan treden van Rijkswaterstaat.

 


JAPAN 


Als hij enige jaren bij Rijkswaterstaat werkzaam is geweest, begint bij hem het plan te rijpen een tijd in het buitenland te gaan werken. Er zijn mogelijkheden om in dienst van de Japanse regering te treden. Twee collega's zijn hem in 1872 al voorgegaan. Het jaar daarop wordt hij voorgedragen als één van de ingenieurs voor rivier- en havenverbetering in Osaka en op 3 augustus 1873 vertrekt hij met de Iroaouaddy uit Marseille. Escher reist eerste klas, zijn assistent De Rijke met familie tweede klas en de als werkbaas aangenomen metselaar Arnst met vrouw derde klas. De vijfjaar die Escher in Japan doorbrengt, vormen een hoogtepunt in zijn ingenieursloopbaan. Herinneringen uit die periode, de voorwerpen die hij later mee terugbrengt, kleuren zijn verdere leven, naar telkens weer in zijn dagboek tot uiting komt.



Het oude Prinsessenhof in Leeuwarden, het geboortehuis van Escher



HET EERSTE HUWELIJK 


In 1878 verlaat Escher de Japanse dienst. In Nederland kost het hem weinig moeite om weer aan  het werk te komen. Na enige nuttige bezoeken aan Waterstaat collega's solliciteert hij met succes naar de vacante post van arrondisements-ingenieur te Maastricht. Zijn financiële positie verbeterd door zijn verblijf in Japan en door een erfenis. Hij ga nu op zoek naar een echtgenote. 'In dit opzicht was echter het katholieke Maastricht minder geschikt', schrijft hij in zijn levensschets. 'Wel kende ik onder de protestantsen verscheidene begaafde en aantrekkelijke vrouwen er meisjes, doch deze voldeden bij lange niet aan de formule v = half m + 10, waarin v de gewenste leeftijd van het meisje, rn de tijd van de man voorstelt; deels waren zij te oud, deels te jong voor mij, deels waren zij niet gezond genoeg. De eis van gezondheid meende ik vooral voor mij te moeten stellen omdat mijn eigen gezondheid, althans de krachtigheid van mijn gestel, maar matig en ik toch zoveel mogelijk kans wilde hebben op gezonde kinderen.' Na twee jaar werken in Maastricht volgt overplaatsing naar Breda, en daar liggen de huwelijkskansen gunstiger. Een collega noemt de sjieke freules De Hartitzsch te Ginniken: Sidonie, Amelie, Edmée, Charlotte en Angeline. Hij maakt met hen kennis en komt vooral onder de bekoring van Charlotte. Door zijn overplaatsing naar Gorkum met ingang van 1 januari 1882 moet hij zich spoedig 'declareren'. Het antwoord is positief en het huwelijk vindt plaats op 1 juni, ingezegend door zijn neef, ds. David Escher, in de kerk van Ginniken. In 1883 wordt Eddy geboren, en twee jaar later Beer. De geboorte verloopt goed, maar kort daarna moet Charlotte geopereerd worden aan een tumor; zij sterft op 33-jarige leeftijd. Het is voor hem een zware slag. Charlottes zusters komen om beurten ongeveer twee maanden logeren om het huishouden te bestieren, 'en zo marcheerde het. De kinderen werden geregeld door mij gewogen en hun gewichten grafisch door mij voorgesteld.' 



HET TWEEDE HUWELIJK  


Na nog enige overplaatsingen vestigt Escher zich in 1890 in Leeuwarden, waar hij hoofdingenieur tweede klasse wordt. Via zijn zwager wordt hij attent gemaakt op Sara Gleichman, dochter van de bekende liberale minister van financiën J. G. Gleichman en via moeders kant stammend uit de patriciërs familie Van Hall. Haar frisse gezicht, met rode wangen, haar eenvoud, en haar liberale geest trekken hem erg aan. Door het grote vershil in leeftijd, zeventienjaar, gaat de formule v = tm + 10 niet hele maal op, maar daar zij zeer degelijk en bezadigd is, laat hij dat niet te zwaar wegen. Op 27 oktober 1892 treedt hij met haar in het huwelijk. De inzegening vindt plaats in Den Haag door ds. P. Heel met wie een nauwe band blijft bestaan. In Leeuwarden huurt hij een groot patriciërshuis, Het Oude Princessehof. Voor zijn kantoor werkkamer is er volop ruimte. In dit huis worden George (20 juni 1894), Nol (20 februari 1896) en Mauk (17 juni 1898) geboren. Later, wanneer het Princessenhof inmiddels als gemeentemuseum is ingericht, zal de laatstgenoemde er nog eens exposeren.



RIDDERING  


Intussen doet zich voor Escher Sr. een probleem voor. Hij wordt voorgedragen als ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. 'Ik begeerde die echter volstrekt niet: ten eerste omdat ik mij zelf met vele andere niet geridderde personen vergelijkende mij inferieur rekende in kennis, werkkracht en daardoor in prestatie van nuttig werk, zodat ik mij door een ridderorde boven deze personen onbillijk onderscheiden zou achten. Ten tweede omdat het geven van zichtbare onderscheidingen in 't algemeen door mij wordt afgekeurd. De overweging dat de hoofdingenieurs van de Rijks Waterstaat allen op hun beurt gedecoreerd worden en niet decoratie dus een onderscheiding ten slechte zou zijn, deed mij besluiten de zaak te laten rusten.' Tot zijn genoegen stelt hij vast dat er geen voorschrift bestaat het lintje te dragen. Dat zou hij als bluf beschouwen, waarvan hij afkerig is. 



NAAR ARNHEM


In 1903 volgt overplaatsing naar Arnhem en aankoop van het huis aan de Utrechtsestraat 19. De kinderen hebben het daar zeer naar hun zin. Arnhem heeft een mooie, gevarieerde omgeving en er worden vele uitstapjes gemaakt. Dicht bij huis is een viaduct over een spoorwegemplacement, waar de kinderen graag blijven kijken naar de treinen. Vader Escher laat in de tuin een uitbouwtje aan het huis maken, zodat Nol en Mauk er kunnen timmeren. Daar komen twee schaaf- banken te staan, die Eddy en Beer in Leeuwarden al hadden gebruikt. Een aannemersknecht, Van Eldik, komt geregeld les geven en brengt Mauk de liefde voor het hout bij. De 'Van-Eldik-techniek' van eindeloos nat maken en schrapen, om de harde nerf van het oppervlak van een langshouten plank perenhout te verwijderen, is de graficus Escher later voor zijn houtsneden goed te pas gekomen.



MET PENSIOEN


 Met ingang van 1 juli 1908 gaat 'de oude Es', zoals hij nu door zijn vrienden genoemd wordt, met pensioen. Hij weet zijn vrije tijd goed te besteden, woont vergaderingen en lezingen bij, vervult bestuursfuncties, is actief in adviescommissies, waar zijn technische kennis en, als het nodig is, zijn ruime beurs zeer gewaardeerd worden. Bovendien is hij een trouw lid van het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs. Op de vergaderingen is hij een vaste bezoeker op de eerste rij, met zijn oogklep, zoals zijn jongste zoon hem heeft getekend. En er is altijd wel iets met één van zijn vijfzoons aan de hand, zodat hij regelmatig bijspringt. Zijn vrouw doet veel aan sociaal werk. De hele familie is zeer ingenomen met een nieuwe hobby van hem. In Parijs heeft hij een grote sterrekijker gekocht, die op het platte dak van het huis wordt geïnstalleerd. Samen met zijn kinderen bestudeert hij daar de hemellichamen. Vooral Mauk raakt erdoor gefascineerd, en zal er zijn hele leven mee bezig blijven. In het dagboek van 'de oude Es' komt hun gezamenlijke interesse voor astronomie telkens weer naar voren. Zo noteert vader Escher op 10 juli 1933 dat Mauk aan een litho van de lichtende zee werkt en in de donkere hemel de Grote Beer wil aanbrengen. Hij merkt dat hij vergeten is dit sterrenbeeld gespiegeld aan te brengen (de voorstelling op de steen komt immers gespiegeld op de afdruk te staan). Dat kan natuurlijk niet; 'de oude Es' vermeldt, dat de vergissing onmiddellijk werd hersteld. 



VAKANTlES 


Ieder jaar maakt de familie in de zomervakantie een reis naar het buitenland. 'Behalve voor onze eigen reis zorgden wij ook voor geld voor een vakantieverblijf van twee andere gezinnen, die dit voor hun gezondheid nodig hadden', wordt in het dagboek terloops genoteerd. Mauk wordt meestal voor zijn gezondheid naar Nederlandse badplaatsen gestuurd, waar hij een hekel aan heeft. In 1913 weet hij zijn vader -overigens zonder enige moeite- ervan te overtuigen dat er in het buitenland veel mooiere en minstens even gezonde kusten te vinden zijn. En zo wordt Bretagne uitgezocht, waartoe zijn moeder 'hoewel node' haar toestemming geeft. De laatste reis naar het buitenland vóór de Eerste Wereldoorlog moet voortijdig worden afgebroken. De familie vertrekt 11 juli 1914 naar Tirol, twee weken na de moord in Serajewo, die de wereldoorlog inluidt. Maar de Eschers moeten terugkeren als de treinverbindingen dreigen te worden gestaakt. In een goederentrein komen zij met een deel van hun bagage over de brug van Westervoort in Arnhem terug. 



NAAR OOSTERBEEK  


Wanneer de eerste Belgische vluchtelingen over de grens komen, mag Mauk mee naar het station om melk en broodjes uit te delen tijdens de doorreis naar het kamp Oldenbroek. Later, na de val van Antwerpen, wordt Sarah benoemd in een gemeentelijke commissie om vluchtelingen in verschillende gebouwen onder te brengen en bezig te houden. Mauk raakt onder de indruk van al deze ellende; voor Sint Nicolaas maakt hij op de draaibank een houten karikatuur van de keizer, voorzien van een hekeldicht. In de oorlog begint het wonen in het huis in Arnhem bezwaarlijk te worden. De fabriek van Stokvis achter de Eschers wordt uitgebreid om oorlogsmateriaal te fabriceren. Het lawaai is niet van de lucht en de rook slaat in zwarte vlokken neer. Er is weinig tegen te doen; aangezien het huis ook te groot is geworden, nu alleen Mauk nog thuis woont, verhuist het gezin met ingang van 31 maart 1917 naar de villa Rosande in het nabije Oosterbeek. 



Villa Rosande in Oosterbeek.



DE ZILVEREN BRUILOFT  


Op 27 oktober 1917 viert het echtpaar Escher zijn zilveren bruiloft. 'Als vijand van feesten, vooral als ik er een rol bij had te spelen, zou ik deze dag liefst ongemerkt voorbij hebben willen laten gaan: Sarah dacht er anders over en zo hadden we dan behalve de zoons enige familieleden en vrienden bij ons uitgenodigd in Maison de Bruyn, Eusebiusbuitensingel.' De menu's zijn versierd met portretten van het bruidspaar uit 1892 en uit (waarschijnlijk) 1916. Na het diner geeft Mauk een voorstelling als de sneltekenaar Velocitas. 'Onze dienstboden namen in een zijkamer aan het diner deel.' Eén van de geschenken is een door Mauk ontworpen en door de zilversmid Holthuis te Arnhem uitgevoerde kom van gedreven zilver. Thuis maakt Mauk nog een foto van bruid en bruidegom, omringd door bloemstukken en cadeaus, waarop de zilveren kom duidelijk te zien is.



Door M.C. Escher getekend portret van zijn vader, 1916



Fragment uit het dagboek van vader Escher




INFLATIE 


Aan het eind van 1918 maakt 'de oude Es' zich zorgen over de stijging van zijn uitgaven, omdat alles door de oorlog zoveel duurder is geworden. Hij verdeelt zijn uitgaven van dat jaar in achttien rubrieken en rekent voor iedere rubriek het percentage van het geheel uit. In totaal zijn de uitgaven f 41000 en de inkomsten f36450; vóór de oorlog werd er nooit ingeteerd. De hoogste percentages zijn 22 procent voor zijn vier zoons, 21,7 procent voor belastingen, 12 procent voor voeding (die van logés inbegrepen), en ruim 10 procent voor liefdadigheid. De belasting vindt hij zeker niet onbillijk, maar dat wordt heel anders als hij over I920 personele belasting moet betalen voor zijn biljart, namelijk f87 per jaar. Dat is 22 procent van de koopprijs van f 400. 'Zeer onredelijk voor iets, waarvan niemand hinder heeft, in tegenstelling tot auto's die voetgangers hinderen door stank en stof en die de wegen beschadigen en grote kosten van onderhoud en wegverbetering vereisen. Een biljart is heilzaam voor de gezondheid: het houdt jongelui uit de kroeg. Mauk speelt dikwijls biljart met zijn broers of met zijn vriend Bas Kist en moet dus eer worden aangemoedigd dan tegengewerkt.' Vader Escher rijdt tot het laatst liever in een trein of een rijtuig, dan van die verwenste auto's gebruik te maken. 




Door M.C. Escher getekend portret van zijn moeder, ca 1921




GEEN TIRAN  


Vader Escher zet altijd rustig en duidelijk zijn standpunt uiteen zonder sterke aandrang uit te oefenen. Als Mauk bijvoorbeeld in 1919 aan zijn vader voorstelt om de bouwkunde eraan te geven en over te gaan naar de grafische kunsten, wijst deze hem op de moeilijkheid om in de kunst voldoende te verdienen om een gezin te onderhouden. Maar als Mauk dat toch graag wil, zal hij zich daar niet tegen verzetten. Zijn zoons moeten ten slot te zelf beslissen. Maar hij kan niet nalaten te tobben over het toenemend aantal kleinkinderen, 'in verband met het niets verdienen van hun ouders'. Tot overmaat van ramp wordt zijn kleinzoon Ruud, zoon van Beer, ook 'artiest' (de componist Rudolf Escher). 



Vader en moeder Escher, ca 1916




NAAR DEN HAAG


In 1927 wordt besloten naar Den Haag te verhuizen. Dat is al een oud plan om dichterbij 'onze jongens' te zijn. Nol is intussen verongelukt op een bergtocht. Mauk is graficus geworden en woont in Italië; in Den Haag kan Sarah hem beter helpen bij het organiseren van tentoonstellingen in Nederland. In het nieuwe huis voelt het echtpaar Escher zich dadelijk thuis; 'de oude Es' wordt lid van sociëteit De Witte, geïntroduceerd door zijn vriend Lindo uit de Japanse tijd. Elke keer wanneer vader Escher werk van zijn jongste zoon onder ogenkrijgt, waarvan de techniek hem zeer interesseert, is zijn eerste reactie: zou het wel genoeg opbrengen? Dit gezichtspunt beïnvloedt zijn oordeel. Traditionele onderwerpen kan hij zeker waarderen, afwijkende voorstellingen daarentegen baren hem zorgen. Over een 'raadselachtige houtsnede', de' Kleine metamorphose noteert hij: 'Het geheel herinnert mij de vroeger door hem gemaakte lettertekeningen voor pakpapier van de Bijenkorf. Ik beschouw het als een voortzetting van dergelijke vroegere produkten van hem en zeer geschikt om als specimen van dit soort arbeid van hem te bewaren'. En na een enthousiaste brief van de kunstcriticus 's Gravesande over de houtsnede 'Dag en Nacht' van 1938: 'Natuurlijk verheugen wij ons over deze bewondering. Mij komt het voor, dat hij de voor deze houtsnede gevraagde prijs van f 50,- te hoog heeft gesteld. Hij zal daarvoor m.i. niet licht een koper vinden, al is de moeite, die hij voor dit werk besteed heeft, daarmee niet te hoog getaxeerd.' De officiële opdracht om een boekje over Delft te illustreren, de aankoop van prenten door het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, de toenemende belangstelling die de grote prentenkabinetten voor het werk van Mauk tonen, en de voortreffelijke kritieken, stellen zijn vader weer wat gerust. 



M.C. Escher op vakantie in Bretagne, 1913




HET EINDE


Na zijn negentigste begint 'de oude Es' lichamelijk af te takelen. In 1935 moet hij een tweedaags tochtje naar ZuidLimburg, georganiseerd door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, afzeggen. 'Voor mij helaas met mijn gebrekkige loop, gezicht en gehoororganen niet wel mee te maken.' Muziek kan hij door de radio met behulp van een koptelefoon best volgen; lezen gaat nog redelijk goed, wanneer hij zijn vergrootglas en een natriumlamp gebruikt. Zijn vriend Lindo haalt hem geregeld af om naar 'De Witte' te lopen. Hij wandelt graag onder geleide. 's Avonds rustig De Ingenieur doorbladerend en bezig met zijn dagboek voelt hij zich 'genoeglijk'. Op het laatst wordt hem de krant voorgelezen, waarna hij zelf zijn lectuur voortzet. Op 4 juni 1939 vermeldt het dagboek nog een bezoek van zijn vriend Lindo, die juist in de krant heeft gelezen, dat ir. Frans Bourdrez in China is overleden, 'een nakomeling van mijn opzichter'. En dat is de laatste aantekening. Ir. G.A. Escher overlijdt op 14juni.


Vader en moeder Escher 25 jarig huwelijk 27 okt 1917

Vader en Moeder Escher bij hun vijfentwintigjarig huwelijksfeest op 27 oktober 1917. Op de tafel naast Moeder Escher staat de door M. C. Escher ontworpen zilveren kom  


Lees meer →