M.C. Escher

Jeugdjaren

Jeugdjaren 1898 -1922

In de tijd dat de drie jongste zonen George, Nol en Mauk nog klein zijn, gaat hun moeder bijna ieder jaar met hen en het kindermeisje naar Zandvoort aan Zee. Mauk, de jongste van het stel, is het zorgenkind en komt in Arnhem onder behandeling van dr. Van der Heide, directeur van het kinderziekenhuis. Deze schrijft in 1905 een langduriger verblijf aan zee voor; met het gevolg dat hij in een kinderpension wordt ondergebracht en na de zomervakantie naar de dorpsschool toe moet. Aan die school zijn Eschers ellendigste jeugdherinneringen verbonden. Met een vuurrood pak, door zijn moeder uitgezocht, moet hij door het dorp heen naar school, nagejouwd en getreiterd door de andere kinderen. In 1906 komt hij weer in Arnhem terug. In 1907 beginnen zijn timmerlessen van Van Eldik; pianoles krijgt hij van mevrouw Stenfert Kroese-Dupuy, zuster van een bekend muziekcriticus. In 1912 komt hij op de HBS in de Arnhemse Schoolstraat, waar hij tot 191 8 blijft. Deze periode van zes jaar is van grote invloed op zijn verdere ontwikkeling. Op school haalt hij behalve voor tekenen- geen goede cijfers en hij blijft in de tweede klas zitten. De tekenleraar F.W. van der Haagen interesseert zich voor hem en leert hem linoleumsneden maken. Later vormt zich een hechte vriendschap tussen hen. Voor het eindexamen zakt hij, maar niet door onvoldoendes in wiskunde, hoewel hij ook daarin zeker niet uitblinkt. Later, als prenten van hem vooral door mathematici worden bewonderd, pleegt hij met enige overdrijving te zeggen dat hij van wiskunde geen benul heeft. Bij het aanvaarden van de Hilversumse Cultuurprijs in 1965 drukt hij zich wat genuanceerder uit: 'Op de burgerschool in Arnhem was ik een bijzonder povere leerling in rekenen en algebra, want ik had, en heb nog steeds, grote moeite met de abstracties van cijfers en letters. Toen er, in de stereometrie, een beroep werd gedaan op mijn voorstellingsvermogen, ging het wel wat beter, maar toch heb ik, ook daarin, op school nooit uitgeblonken.'


MUZIEK 

In zijn schooljaren sluit Mauk levenslange vriendschappen. Tot zijn intiemste vrienden behoren Roosje Ingen Housz, Jan van der Does de Willebois, diens oudere zuster Piet, en Bas Kist. Met Roosje, Bas en Conny Urngrove vormt hij een strijkkwartet. Mauk speelt violoncel, want de vleugel heeft inmiddels bij hem afgedaan. De eerste cellist en onderdirecteur van de Arnhemse orkest Vereniging, Leo Ruijgrok, geeft hem les. Maar ook de cel krijgt na enige jaren weinig aandacht meer. Met een Mauk typerende mengeling van sentimentaliteit en zelfspot schrijft hij in 1919 aan Roosje: 'Ik heb gisteren in een sentimentele bui m'n cel weer eens opgepakt. Er lag een dikke laag stof op! En ik heb m'n huisgenoten tot halfdrie wakker gehouden met m'n klagelijk gejammer; en dat allemaal op twee snaren; omdat de G en de C gesprongen zijn, sinds lang! Ik werd spookachtig belicht door m'n doodshoofd, in wiens bol ik een elektrisch lampje heb laten maken. Ach ja! Wat is de mens?' Mauk zal de laatste zijn om te beweren, dat hij op muzikaal gebied veel presteert. Bij de violoncel heeft hij moeite met de grotere grepen, omdat zijn handen te klein zijn. Zijn zoon George herinnert zich later, dat hij weleens aan de piano somber klinkende akkoorden improviseerde, zonder dat dit echte melodieën werden. Wanneer hij zich in de tweede helft van zijn leven in Baarn vestigt, neemt hij nog een korte tijd fluitles bij Adriaan Bonsel, eerste fluitist bij het Omroeporkest. Hij werkt er hard en met plezier aan, maar zijn onderlip blijkt na enige tijd te dun voor hoge noten en hij moet het tot zijn spijt opgeven. Wel zal hij zijn hele leven graag concerten bezoeken; de muziek betekent veel voor zijn werk. In zijn brieven en teksten geeft hij daar telkens weer uitdrukking aan.


HET EERSTE GRAFISCHE WERK 

Mauk is weinig godsdienstig, maar zijn ouders laten hem, zoals gebruikelijk in die tijd, godsdienstonderwijs volgen; zo komt hij in oktober 1913 op catechisatie bij ds. Heering. Daar leert hij Bas Kist kennen, die evenals hij belangstelling voor druktechniek heeft. Mauk experimenteert al vroeg met linoleumsneden. Bij de eerste lino's smeert hij op het uitgesneden linoleumplaatje de paarse inkt van een stempelkussen. Eén van zijn eerste prenten is een portret van zijn vader uit 1916. Waarschijnlijk is daarvoor de foto  (van vader en moeder Escher) als voorbeeld gebruikt. Mauk Krijgt tijdens een reis naar Bretagne in 1913 een fototoestel van zijn vader. Op deze tocht bezoeken hij en zijn ouders eerst Antwerpen, Gent en Brugge, waar ze foto's van werken van Memling en Jan van Eyck kopen voor Mauks 'werk- en kunst- hoek'. Het blijven zijn wandversieringen tot zijn dood. In Parijs is de grootste attractie de Eiffeltoren, die helemaal aan de verwachting beantwoordt. Op 7 januari 1917 brengen Mauk en Bas samen een bezoek aan de schilderetser Gert Stegeman (1858-1940) in zijn nieuwe atelier met drukpers in de Sabelpoort te Arnhem. De paar etsen van Mauk uit deze tijd, o.a. de spoorbrug over de Rijn bij Oosterbeek  worden daar afgedrukt.


Zelfportret van M.C. Escher , ca. 1917 (de later door Escher zelf geschatte en door hem op de tekening vermelde datum is hoogst- waarschijnlijk onjuist)



Eschers witte poes, tekening, ca. 1919


LITERATUUR 

Geregeld komen de drie vrienden Mauk Escher, Jan van der Does de Willebois en Bas Kist samen in de zevenhoekige zitkamer van Mauk in villa Rosande in Oosterbeek, waar de Eschers vanaf 1917 wonen. In deze kamer wordt volgens Bas 'ontzaglijk geleuterd'. Alle drie hebben zij belangstelling voor werken met een psychologische inslag. Russische romans zijn 'in', zoals Andrejews De zeven gehangenen, Dostojewski's Schuld en boete, en De dode zielen van Gogol. Veel verzen en stukjes proza worden voorgedragen. Mauk maakt vele wandelingen met Jan, dikwijls 's nachts, en soms grote wandeltochten van een paar dagen met verscheidene leden van de familie De Willebois. Ook speelt hij graag biljart, thuis, in een café of in het huis van de familie Kist.
Hij maakt in deze tijd ook zelf gedichten en prozastukjes. Een paar keer geven ze al blijk van een vermogen om waarnemingen en gevoelens helder onder woorden te brengen. Later zal hij in talloze brieven en voordrachten, en in de teksten die hij over zijn eigen werk schrijft, dit vermogen telkens weer demonstreren.
Er zijn een paar opstellen uit zijn laatste schooljaren bewaard gebleven. In één daarvan vertelt hij over een winterse zondagmorgen waarin hij er met een schetsboek in het besneeuwde landschap op uit trekt.
'Daar loop je dan in een licht-witte wereld als een donker vlekje. Stilte, rust en tintelend licht overal. Dan krijg je een onbeschrijfelijk gevoel over je; dan krijg je een brok in je keel; dan schaam je je donker te zijn in al dat licht. Ik wandelde het smalle paadje langs de spoordijk naar de grote brug over de Rijn. Daar hees ik me op een vooruitspringende punt van de dikke pijler die aan de rand van de rivier de eerste boog steunt. Lijk Pallieter zat ik daar in de warme zon en maakte een schetsje van het lage zomerdijkje dat een mooie blauwe schaduw wierp in de witte wei daaronder. Aan de horizon lag wazig de stad met duidelijk te herkennen kerktorensilhouetten. Terwijl ik daar zo stil in m´n eentje zat kwam er een heel klein vogeltje aanwippen over de sneeuw, misschien wel een winterkoninkje. 't Had plezier in het mooie weer; 't piepte vrolijk en knipoogde tegen de zon. 't Wipte naar het water en snapte een beetje in 't rond. Toen vloog 't weg. Toen ben ik ook maar weggegaan.



DELFT 

Inmiddels is Mauk in de vijfde klas van de HBS gekomen; het wordt tijd om aan zijn verdere loopbaan te denken. Zijn ouders vinden dat hij een 'normale' betrekking moet hebben. Een loopbaan als architect komt, ook volgens Mauk, het meest in aanmerking. Zijn moeder gaat naar Amsterdam om met professor Derkinderen te spreken, die de HTS te Delft adviseert en niet de Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, waar Mauk meer Voor voelt. Maar er komt een kink in de kabel wanneer hij op 3 augustus 191 8 Voor zijn eindexamen zakt, met onvoldoendes Voor geschiedenis, staatsinrichting, staatshuishouding en boekhouden. Hij zoekt troost, noteert vader Escher in zijn dagboek, 'in tekenen en in linoleumsnijden van een zonnebloem'.



Escher met zijn 'lotgenootjes' in Zandvoort, 1905 (voorste rij, tweede van links, in matrozenpak


Er is echter toch een mogelijkheid om uit Oosterbeek weg te komen. In die tijd bestaat er een bepaling dat dienstplichtigen die voor het eindexamen zijn gezakt, slechts voor de onvoldoende vakken herexamen hoeven te doen. Mauk, die tot nu toe steeds uitstel van militaire dienst heeft gekregen, zou in 1919 in dienst kunnen gaan, bijlessen kunnen nemen en ondertussen al in 1918 in Delft zijn studie voor bouwkundig ingenieur kunnen beginnen.
De Rector Magnificus van de HTS in Delft gaat met dit plan akkoord. Mauk mag colleges volgen, wordt lid van het studentencorps, krijgt een kamer bij een knecht van de Sociëteit, ontwerpt decors voor het groenentoneel en maakt een tekening voor de studentenalmanak met de titel Groentijd.
Hij moet zijn studie in Delft voortdurend onderbreken. Door een langdurige huidinfectie raakt hij dusdanig achter met de colleges dat hij, zoals hij in januari aan Roosje Ingen Housz schrijft, ze niet meer tracht in te halen; 'Ik stel me voor nu maar veel te tekenen, ook technisch.' Hij vraagt of hij een portret van haar mag maken. Op 23 februari 1919 schrijft hij haar over een bezoek aan professor Roland Holst: 'Hij raadde me sterk aan eens in hout te gaan snijden en die raad heb ik dadelijk opgevolgd, met bijgaand resultaat. Grote blokken hout waren me te duur, en kleine zijn eigenlijk alleen geschikt voor ex-librissen. Ik was dus genoodzaakt een exlibris te maken.' Het is er eentje geworden voor zijn liefste vriendin Roosje. 'Ik stuur het je maar, al is het niet erg fraai maar het is dan ook mijn eerste houtsneedje. Het is een heerlijk werk, maar veel moeilijker dan in linoleum, omdat dat kopse palmhout geweldig hard is.' Vijf dagen later stuurt hij haar dertig afdrukken: 'Zie- hier 30 rozen'.
Hij vermeldt in de begeleidende brief met trots een kritiek in het weekblad De Hofstad op zijn inzending voor de jaarlijkse leden tentoonstelling van de vereniging Artibus Sacrum, waarvan hij en Bas Kist lid zijn: 'Bij de werken, die in de eerste plaats onze aandacht trekken behoren voorts de mooie houtsneden (?) van M.C. Escher , die een paar portretten en een zonnebloem inzond, sober van behandeling en in mooie tegenstelling van zwart en wit.' Mauk plaatst zelf een vraagteken bij 'houtsneden', omdat het in feite om linoleumsneden gaat.


HAARLEM 

Op 31 mei komt een afwijzende beschikking van het ministerie van oorlog op zijn verzoek om nog in militaire dienst te kunnen komen. Dat heeft tot gevolg dat hij zonder volledig eindexamen HBS geen examens mag afleggen in Delft en zo wordt besloten om de studie daar af te breken. Mauk is er allerminst rouwig om. Hij probeert nu bij een architect in de leer te gaan, maar men raadt hem aan eerst enige praktische ervaring en theoretische ken- nis van het bouwvak op te doen op de School der Maatschappij voor


Portret van boer Zutphen, bijwie Escher in de zomer van 1920 logeert


Zelfportret in stoel, tekening, 1920


Bouwkunde en Kunstnijverheid te Haarlem. Op 17 september 1919 verhuist hij naar Haarlem; hij krijgt de beschikking over een zitkamer met aangrenzende slaapkamer. Zijn hospita geeft hem een spierwitte poes cadeau. De lessen beginnen op 19 september. Een week later schrijft hij aan Jan van der Does de Willebois dat hij kennis heeft gemaakt met S. Jessurun de Mesquita, die les geeft in natuurtekenen en grafische kunsten. Mauk toont Mesquita zijn werk, waar deze genoeg in ziet om hem te adviseren ermee door te gaan. De directeur, Verkruysen, is het met dit oordeel eens; na de toestemming van zijn ouders kan Mauk zich geheel wijden aan wal hij aanduidt als zijn lievelingsbezigheid: 'aan de Grafische en Decoratieve Kunsten, in het bijzonder de houtsnede'. Hij heeft zijn bestemming bereikt, en Haarlem vindt hij verre te verkiezen boven Arnhem en Oosterbeek.
Zijn nieuwe huisdier is aangenaam gezelschap en een ideaal model, dat hem inspireert tot een houtsnede, die begin november 1919 gereed komt. Twee maanden later staat deze houtsnede voluit in het weekblad Eigen Haard afgebeeld, met een artikel De schoone eenvoud, geschreven door zijn vriend Henk Calkoen (volgens Eschers vader een te vleiend stukje). Calkoen is verloofd met Heleen van Thienen, voor wie Mauk eens een ex-libris maakte met twee pelikanen.
De pelikanen als symbool van ouderlijke zorg zijn in het ontwerp voor de kalender van 1920 voor de levensverzekeringsmaatschappij. Arnhem heel wat natuurgetrouwer, omdat de directeur van deze in. stelling, de vader van Bas, hem een fotoboek van groot formaat van de dierentuin in Hamburg ter beschikking heeft gesteld. Daaruit komen ook de wilde dieren, die later met de naakten de paradijsprenten zullen bevolken. Eva tekent hij naar levend model op zijn kamer. 'Tot nu toe had ik reeds 4 maal het model op mijn kamer', schrijft hij op 16 maart 1920 aan Jan; 'het is een heerlijk werk, en ik zal de eerste studie de volgende week wel afkrijgen. Zo'n meisjeslichaam is ontroerend mooi.'
In een andere brief aan Jan beschrijft hij (in de derde persoon) uitvoerig de overweldigende ervaring, die hij heeft gehad in een kerk, luisterend naar het orgel. Een fragment hieruit: 'Maar plotseling joeg de stormwind door de pijpen van het orgel en een donderende stem verkondigde de glorie Gods! ! Toen is de jonge man gaan liggen op z'n rug op de koude stenen [. ..], en dat wel midden in de kerk. Hij voelde z'n kleine hartje zwellen temidden van de orkaan, van de loeiende donderstem. En net zo min als hij, konden de zuilen van de kerk, de klank verdragen. Ze rekten zich uit, zoals een mens zich uitrekt als hij 's morgens wakker wordt, zó sterk dat ze bang waren een ongeluk te krijgen.
En de jonge man lag op z'n rug op de koude stenen van de kerk, en hij strekte z'n armen uit, als of hij gekruisigd moest worden. En hij greep met z'n vingers de grote stenen vast, en voelde toen dat hij lag op z'n grote moeder aarde. Hij voelde dat moeder aarde een kogel was, en bijna raakten z'n uitgestrekte armen elkaar aan de andere kant van de aarde. En boven zich zag hij de golvende en zwaaiende zuilen. Maar nog sterker en donderender joeg de wind door de pijpen van het orgel. Het orgel werd een heel stuk groter; de pijpen reikten van de hemel tot de aarde, en de jonge man voelde zo'n sterke wind, dat hij opstond van de stenen en de lucht in vloog, midden tussen de zwaaiende zuilen door.
In de zomer van 1920 logeert Mauk met Jan drie weken op Texel bij boer Zutphen. Hij maakt daar veel tekeningen, onder meer van zijn gastheer en diens veertienjarige dochter .
In december is hij bij zijn ouders thuis. Hij laat hen zijn laatste tekeningen zien, waaronder een studie van het interieur van de Sint Havo te Haarlem, waar hij dikwijls in de kou zit te werken . Ook probeert hij op hen een voordracht uit over de dodendans in de kunst. In februari 1921 houdt hij deze voordracht met lichtbeelden voor leerlingen en leraren van de school in Haarlem. Het geheel duurt drie uur. Mesquita komt er speciaal voor over uit Amsterdam, en Verkruysen is er zeer mee ingenomen. In oktober van ditzelfde jaar houdt hij ook nog een voordracht over sprookjes.
Van beide voordrachten zijn aantekeningen bewaard, die laten zien hoe grondig en systematisch Mauk deze onderwerpen aanvat. Het gaat hem niet alleen om directe uitbeeldingen van de dodendans, maar ook om de dodendans zelf, het feit dat elk ding ten dode is opgeschreven, als algemeen verschijnsel. Hij begint zijn voordracht met een schema waarin hij werkt met categorieën als Het Levende, Het Levenloze, Bewegend en Bewegingsloos. Hij past deze toe op het menselijk bestaan, de natuur en de dingen, en in het bijzonder op de verschillende kunstvormen.
Ook in zijn voordracht over sprookjes probeert hij een aantal basisprincipes naar voren te halen. Hij wijst erop, dat van een sprookje zowel de inhoud als het ontstaan 'niet-historisch: tijdeloos' zijn. Daaraan voegt hij toe, dat dit op drie manieren te constateren valt: ' 1 Dat het door niemand gemaakt is, 2 Dat de handeling zélf aan geen tijdsverloop onderhevig is, 3 Dat de handeling in het heden plaatsvindt'. Met vele voorbeelden licht hij dit toe, waarbij hij ook mogelijke reacties aanhaalt van twee typen mensen, door hem aangeduid als 'droogstoppels' en 'armen van geest'.


FRANKRIJK EN ITALIË

Mauk en zijn ouders maken een lange reis langs de Riviera en door Italië, van 22 maart tot 16 mei 1921. Het is typerend voor Mauks grafisch ingestelde blik, dat de subtropische bloemenpracht hem niet zoveel zegt. Uit Menton schrijft hij daarover aan Jan: 'dat alles is, als je het voor het eerst ziet, natuurlijk overweldigend, en dus: interessant, maar als je er een week of wat middenin zit, dan vind je het al heel gewoon'. Liever dan deze bloemen tekent hij grote vetplanten en olijfbomen. Ook zoekt hij graag hoge punten op om het uitzicht op bijvoorbeeld een haven te kunnen tekenen. Terwijl zijn ouders zich in Marseille met de 'pont transbordeur' over de havenmond laten zetten, gaat hij met de lift naar boven om over de luchtbrug te lopen. Veel later , in 1936, zal hij van deze brug een prent maken.
Hij heeft nog een meevallertje, door aan de roulettetafel in Monte Carlo II 50 francs te winnen. Die komen goed te pas wanneer het gezelschap in Florence komt, en hij daar een polychrome kop van Sint Hernardino kan kopen en een majolica-tegel met een afbeelding van Sint Franciscus.



Eschers 'werk en tekenhoek' in Arnhen ca. 1915


Uit het dagboek van zijn vader, en uit een briefkaart aan Jan, blijkt dat Mauk zich in de beschikbare tien dagen geweldig voor Florence gaat interesseren en telkens op ontdekkingstochten uitgaat.


PAASBLOEM EN SINT FRANCISCUS   

In oktober is Mauk klaar met een serie houtsneden voor het boekje Flor de Pascua (Paasbloem), geschreven door zijn wat oudere vriend Aad van Stolk. De half badinerende, half serieus bedoelde filosofische teksten inspireren hem. Heel rudimentair laten de houtsneden in dit boekje al motieven zien, die later een centrale betekenis zullen krijgen: het spiegelen (De zondebok), kristalvormen (Mooi), en de bolspiegel (De bol). (In augustus heeft hij overigens al zijn eerste bolspiegel-tekening gemaakt; de bol heeft hij meegenomen van een bezoek aan Innsbruck. ) Het omslag is ontworpen door Van Stolks vrouw Fiet, de zuster van Mauks vriend Jan. Het boekje verschijnt in november 1921.
In die maand schrijft hij aan Jan over een prent, die hij zou willen maken: 'een boom met talloze vogels in zijn takken, in een wei vol bloemen en dieren en mensen, een verre horizon en een lucht vol wolken'. Dit idee wordt in januari 1922 verder uitgewerkt: 'Sinds zeven volle dagen ben ik gelijk een gek aan het werk geslagen: een liefelijke Sint Franciscus benevens vele wonderlijke vogelen is goddank in wording.'
 


Bas Kist maakte een portret in linoleumsnede, van zijn vriend Mauk; deze brengt enige verbeteringen aan door de omlijsting weg te snijden en een vleugje tabaksrook uit te sparen. Beide staten zijn op hetzelfde vel papier afgedrukt


M.C. Escher ca 1920

Deze prent van groot formaat is de eerste die vele malen verkocht zal worden. Toch is Mauk, zoals zijn vader op 9 maart in zijn dagboek meldt, 'ontevreden om weinig succes met zijn werk, ook met het uithangbord, hem opgedragen door de sociale inrichting Van Wijk-Rom van Stolk te Rotterdam'. Het gaat hier om het ontwerp voor een uithangbord voor het clubhuis De Arend; Mauk heeft de opdracht gekregen via Rorn, de broer van Aad. Hij maakt ook een vignet in houtsnede voor De Arend Voorzover is na te gaan, is hij nooit voor dit karwei betaald. Dat vindt hij ook niet erg, getuige een brief die hij anderhalf jaar later, op 19 september 1923, aan Jan schrijft: 'Vertel eens aan Rom van Stolk dat ik van mijn mama ter lezing kreeg een stukje van Van Wijk in het blad «Volksontwikkeling» over de werkzaamheden in de Arend, en dat ik, na lezing, het onaangename gevoel kreeg een nietsnut te zijn in vergelijking met de zeer zware, fraaie en menslievende arbeid die hij verricht. Ik ben ervan overtuigd dat zij wegens gebrek aan geld, niet van plan zijn de door mij geleverde arend voorlopig te betalen, en daarom zal het hen waarschijnlijk weinig interesseren dat ik mij, na lezing van genoemd artikel, schaamde over het feit, ooit enige vergoeding voor genoemd artikel gewenst te hebben.' Mauk heeft nieuwe inspiratie nodig. Hij hoopt die in Italië te kunnen vinden; met Bas en Jan maakt hij plannen om in april naar Florence te gaan. Zijn kamer in Haarlem zegt hij op; een beslissende stap in zijn leven is gezet. 


Lees meer →