M.C. Escher

Rome

Rome 1924 -1935

Op 19 juli 1924 arriveert het echtpaar Escher-Umiker in villa Rosande, na een bezoek aan Eschers broer en schoonzuster in Brussel. In de volgende maanden reizen ze door Nederland en logeren zij bij familie en vrienden. Natuurlijk moet Jetta de oude vertrouwde plekjes zie; Escher fotografeert haar bij de Borger eik, die hij eens in linoleum sneed. Ook maken ze een boottocht naar de Kagerplassen.

Op 15 oktober keren ze terug. Ze reizen naar Chartres, waar ze de kathedraal bekijken. Eind oktober zijn ze weer in Italië; daar ontmoeten ze Jetta's ouders. Ze gaan naar Siena, waar ze uiteraard weer hun intrek nemen in pensione Alessandri logeren, en bezoeken San Gimiganano. In de loop van november nemen ze hun intrek in pensione San Carlo in Frascatie. Deze stad, met zijn prachtige parken heeft goede verbindingen met Rome; ze zouden er graag gaan wonen, maar ze kunnen geen geschikt huis vinden. In Rome zelf lukt dat wel. Ze kunnen de bovenste verdieping kopen van een huis dat nog in aanbouw is, in de buurt op de hellingen van de Monte Verde: via Allessandro Poerio 100.

Zolang hun huis nog niet is opgeleverd, moeten ze elders onderdak vinden. De winter brengen ze door in het pensioen in Frascatie. Escher maakt een groot houtsnedeportret van zijn vrouw, en een gezicht op Vitorchiano, in de buurt van Vitorchiano. In maart is het huis klaar, maar ze kunnen het niet betrekken: het blijkt nog veel te vochtig te zijn. Ze besluiten het de hele zomer te laten drogen; ze zullen zolang hun intrek nemen in de Albergo del Toro in Ravello, waar ze elkaar hebben leren kennen. De herinneringen en de prachtige omgeving hebben overigens zo'n sterke invloed, dat de Eschers de komende jaren nog vaak de zomermaanden in Ravello zullen doorbrengen.


ROME  

Begin oktober kan het huis in Rome eindelijk worden ingericht Halverwege de maand komt Nol Escher om het leven tijdens een bergtocht in Tirol; Escher moet hals over kop naar Meran (het latere Merano) om het stoffelijk overschot van zijn broer te identificeren. Kort daarna komen de bedroefde ouders in Rome naar het nieuwe huis kijken. Vader Escher maakt in zijn dagboek opmerkingen over de weinig solide bouw.

In december 1925 tot en met maart 1926 werkt Escher aan een serie van zes houtsneden over de scheppingsdagen. Samen met zestien andere houtsneden en een dikke veertig tekeningen exposeert hij ze van 2 tot 16 mei in de zalen van de vereniging van Romeinse graveurs, in het Palazzetto Venezia in Rome. De tentoonstelling trekt veel aandacht; de besprekingen zijn over het algemeen positief. Ook in Nederland verschijnen recensies, in de NRC en in De Tijd; die in de NRC is van de hand van dr Leopold, een Nederlands archeoloog die is verbonden aan het Nederlands Historisch Instituut in Rome. Met hem, en ook met de directeur van dat instituut, dr Hoogewerff, krijgt Escher een uitstekende relatie. Van de prenten op de tentoonstelling krijgt De tweede scheppingsdag (Scheiding der Wateren) de meeste lof toegezwaaid; Escher zal er dan ook nog veel van verkopen. De Eschers zijn niet tevreden met hun huis; het is te klein, vooral omdat er gezinsuitbreiding op komst is. Jetta voelt zich overigens goed. Op enige afstand van hun woning vinden ze een betere (via Alessandro Poerio 94, een paar jaar later omgenummerd tot 122). De koop wordt in juni gesloten, maar voorlopig kunnen ze het huis niet in: het is nog niet klaar. Op 23 juli wordt George geboren. Escher vindt hem 'adorabel, lief en mooi', zoals hij aan zijn ouders schrijft. In een brief aan Roosje (die inmiddels met zijn vriend Jan is getrouwd) geeft hij een ironische beschrijving van de doopplechtigheid. 'Bij aankomst vonden wij Koning Emanuel en Mussolini geduldig op de trap zitten wachten en het Fascisten-muziekkorps van de Monte Verde speelde het Nederlandse volkslied. Verder waren er een stuk of wat kardinalen en koorknapen die wierook slingerden.' Eind september krijgt Escher een telegram van Fiet van Stolk uit Vietri; haar man Aad is gestorven. Escher reist er onmiddellijk heen. Hij treft Fiet met haar twee kinderen in een armelijke, vuile omgeving aan, en verhuist hen naar een hotel in de omgeving. De begrafenis van Aad grijpt hem zeer aan. Met Fiet zal hij door de jaren heen een dierbare vriendschap houden. In oktober komen de ouders van Escher opnieuw naar Rome. Ze blijven er een maand. De nieuwe woning wordt bekeken; hij is nog verre van afgewerkt. Er zijn dan ook complicaties bij de bouw. Eindelijk, in februari 1927, kan het huis worden betrokken. Escher heeft op de vierde etage een eigen atelier, waarmee een langgekoesterde wens in vervulling is gegaan. 


GROEIENDE BEKENDHEID 

Intussen krijgt Escher in Nederland steeds meer tentoonstellingen, soms alleen, maar ook vaak samen met anderen. In 1926 exposeert hij in Arnhem en Amsterdam; in 1927 weer in Amsterdam; in 1928 in Leiden. In 1929 is hij zo bekend geworden, dat hij in vijf plaatsen kan exposeren, veelal alleen: achtereenvolgens in Rotterdam, Utrecht, Leeuwarden (in zijn geboortehuis!), Arnhem en Den Haag. Daarna neemt het aantal exposities gestadig toe. In 1931 wordt hij lid van De Grafische, en in 1932 van Pulchri Studio. Deze verenigingen van kunstenaars houden respectievelijk eenmaal (in Amsterdam, in het Stedelijk Museum) en driemaal per jaar (in Den Haag) een ledententoonstelling, waaraan Escher steeds met een paar prenten meedoet. De kritieken zijn vaak uitvoerig en meestal gunstig. Men neemt een eigen talent waar. Typerend is, dat in de wijze waarop dat onder woorden wordt gebracht, een aantal karakteristieken naar voren komt dat door de jaren heen steeds weer zal terugkeren in de reacties op zijn werk. Men vindt het 'niet spontaan', 'niet picturaal', 'beredeneerd', In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 2 oktober 1927 schrijft R. W. P. de Vries bijvoorbeeld: 'Eschers pentekeningen, penseeltekeningen en houtsneden zijn van een dogmatische zekerheid, van een welbewuste koele nuchterheid, die alle spontaneïteit uitsluit. Hij verdiept zich in de techniek en tracht deze zo gaaf mogelijk te houden. Waar hij dan ook ten slotte in zijn houtsneden zuiver mechanisch moet zijn, lijkt hij mij op zijn best. Hij vermijdt daarin dan ook ieder picturaal effect en geeft in koel wit en zwart het landschap en het stadsbeeld. Wat hem daarin steeds boeit, is niet het toevallige, het schilderachtige, maar het typerende, het «geheel», dat veelal iets blokkendoosachtigs heeft.' En Just Havelaar schrijft in Het Vaderland van 1 februari 1929: 'Escher is een geduldig, streng, koel tekenaar. Maar men kan ook te recht op zijn doel afgaan. Het werk wordt te intellectueel. Het is meer geduldig dan intensief. Het maakt de indruk te veel uit 't hoofd te zijn gemaakt, wat iets anders is dan uit intuïtieve verbeelding voortgekomen!' Verscheidene kunsthandelaren nemen zijn werk in depot. Niet alleen in Nederland, maar ook in Parijs, Zürich, Ratavia en zelfs in de USA. Een kennis van hem uit Rome introduceert hem bij William Douglas, New Haven, Connecticut. Deze verkoopt voor 220 dollar aan studenten ('dat zijn dus goede vooruitzichten', merkt vader Escher in zijn dagboek op) en weet de collectie prenten vervolgens bij 'the best print man of New York' onder te brengen. Een zeer grote verspreiding krijgt de houtsnede Scheiding der Wateren, doordat de v.v.o. (Vereniging tot bevordering van het Aesthetisch element in het Voortgezet Onderwijs) voor een zacht prijsje driehonderd drukken van Escher koopt. De prenten komen in scholen te hangen. 


REIZEN EN TREKTOCHTEN

Niet ver van Rome, in Anticuli, woont de bescheiden Nederlandse schilder Rudolf Bonnet. Nadat hij in Rome heeft kennis gemaakt met Escher, wiens werk hij bewondert, bezoekt deze hem op 14 en 15 april 1927; zij tekenen gezamenlijk. Zij spreken af elkaar na de zomer opnieuw te zullen ontmoeten. 

Van 21 april tot 5 mei maakt Escher met Jetta en haar vader een tocht langs de Etruskische oudheden, via Tarquinia, Viterbo, barano en Norchia. Jetta's zuster Nina Schiber past in die tijd op George. In de warme zomermaanden logeren de Eschers bij Nina te Steckborn in Zwitserland. Daarna brenge zij een bezoek aan Den Haag, waar Escher in het nieuwe huis de Laan Copes de tuinkamer tot zijn beschikking krijgt als atelier. 

Als Bonnet begin december 1927 naar Rome komt, wordt  de vriendschap voortgezet. Escher en Jetta vragen hem te eten, samen met Nina, die dan bij haar ouders in Rome logeert. Tijdens de maaltijd vertelt Bonnet van zijn plannen om Tunis te bezoeken wel Escher als Nina worden zo enthousiast, dat zij op slag besluiten om mee te gaan. Jetta, die zelf liever thuis blijft bij George, en Nina 's man, aan wie onmiddellijk getelegrafeerd wordt, vind het best. De drie vertrekken via Napels en Palermo naar Sidi-bu-Said dicht bij de stad Tunis, en naar Kairouan; zij genieten volop. ,s avonds leest Escher voor uit Duizend en één nacht, een passend lectuur. Escher en Nina komen vlak voor Kerstmis in Rome terug: het uitstapje heeft veertien dagen geduurd, en een map vol tekeningen opgeleverd. Bonnet blijft in Tunis. 

In begin 1928 ontstaan onder meer de prenten Luchtkasteel en Toren van Babel. De eerste is gebaseerd op een sprookje dat Escher aan zijn zoon George voorleest. Op Toren van Babel zal hij later, in zijn boek Grafiek en tekening deze toelichting geven: ' Aangenomen wordt dat tijdens de spraakverwarring tevens de verschillende rassen ontstonden; vandaar dat sommige bouwarbeiders wit, andere zwart zijn. Het werk ligt stil omdat zij elkaar niet meer verstaan. Aangezien de kwintessens het drama zich afspeelt aan de top van de in aanbouw zijnde toren, werd deze, als in vogelvlucht, van boven weergegeven. De noodzaak van een sterke perspectivistische wijking naar beneden was hiervan het gevolg. Het doordenken van dit probleem vond pas ongeveer twintig jaar later plaats.

'Van 10 tot 19 april maakt Escher zijn eerste tocht door de Abruzzen. Hij reist alleen, en legt grote afstanden af per autobus. Via Ascoli Piceno naar Loreto, langs de Adriatische zee naar Ortona en dan over Sulmona naar Rome terug. In zijn agenda note hij dat hij onderweg vijftekeningen heeft gemaakt; één ervan, uitgewerkt tot een houtsnede. Kort daarna, van 23 mei tot 25 juni, doorkruist hij met zijn schoonvader Corsica. Jetta niet mee, want zij is weer in verwachting. Uitvoerig worden Bonofacio, Calvi en Corte bezocht; Escher komt deze keer met zeventien tekeningen thuis. Deze leveren drie houtsneden op. 


Alfedena, Abruzzen, krabtekening, augustus 1929

Op 8 december wordt Arthur geboren. Op zondag 3 februari 1929 wordt hij gedoopt in het huis in Rome. de foto houdt grootmoeder Umiker Arthur in haar armen, Padre Costanzi staat naast haar. 


Doopfoto van Arthur, 3 februari 1929

Op de achtergrond hangen afdrukken van de prent La cathédrale engloutie te drogen. Uit het dagboek van 'de oude Es' blijkt dat deze prent geïnspireerd is door een uitvoering van Debussy's gelijknamige prelude door de pianist Erwin Fischer. Als blijk van waardering krijgt Fischer een afdruk.

Met het plan in zijn achterhoofd om een Geïllustreerd boek over de Abruzzen te maken, onderneemt Escher in het voorjaar een tweede tocht door dit onherbergzame oord. Dichterlijkheid ontbreekt niet in een brief die hij op 4 mei, vlak voor zijn vertrek aan Bas Kist schrijft. 'Hoezeer spijt het mij, zulk een voorjaarstocht niet in jouw gezelschap te kunnen doen. Het is mijn gewoonte geworden zulk een tocht elk jaar in de lente te doen, geest en lichaam verfrissend en stof opdoende voor het werk van de volgende maanden. Ik ken geen groter genot dan zwervende door dalen en over heuvels, van dorp tot dorp, de ongekunstelde natuur op mij te voelen inwerken en het onverwachte en nooit gedachte te genieten, in grootst denkbare tegenstelling met het dagelijkse leven thuis. De onaangenaamste zaken: een bed niet vrij van ongedierte, voedsel van dikwijls minderwaardige kwaliteit dat alles verschijnt ons niet alleen als de voorwaarde maar zelfs als onderdeel van onze genietingen. Dikwijls denk ik er aan zulke tochten later in gezelschap van mijn zoon of zonen te kunnen ondernemen; dat moet wel voor kinderen het grootst denkbare genot zijn. Het Abruzzenboek is niet doorgegaan - wel een map met prenten maar de tocht van 12 mei tot 10 juni 1929, in gezelschap van de Zwitserse kunstenaar Guiseppe Haas- Triverio, heeft 28 tekeningen opgeleverd. In Anverso, Scanno, Alfedena, Castel di Sangro en Sulmona overnachten zij enige dagen achtereen. Castrovalva is te bereiken uit Anverso en Scanno; Goriano Sicoli uit Sulmona. 


HERONTDEKKING VAN DE LITHO  

In de zomer komt Escher, alleen, in Den Haag logeren. Zijn vader noteert in zijn dagboek dat op 6 juli Bas op bezoek komt. 'We bekijken de schetsen door Mauk gemaakt op zijn reisje in de Abruzzen en een daarvan te Steckborn uitgewerkt volgens een nieuw door hem uitgedacht procédé, nl. op dik en voor olie ondoordringbaar papier (perkamentachtig) een laag drukinkt en daarin door min of meer wegkrabben met een klein zakmesje tinten van verschillende helderheid te voorschijn brengen. 't Is vooral geschikt voor donkere tekeningen, als van 't inwendige van kerken en andere gebouwen, waarbij minder moeite vereist wordt om licht - dan om donker - voor te stellen. Voor schetsen gebruikte hij dan donker gekleurd passe-partout papier. Lichte vensters werden dan verkregen door opplakken van stukjes wit papier. Bas Kist bekeek alles kritisch en gaf Mauk o.a. de raad steendrukken te maken.'

Escher besluit zijn kennis van de litho-techniek op te frissen bij zijn vroegere leraar van de kunstnijverheidsschool: Dieperink. Hij schaft zich het nodige materiaal aan en gaat aan het werk. Het ontstaan van de eerste litho van een Italiaans landschap wordt door vader Escher stap voor stap gevolgd. Op 14 juli vermeldt hij in zijn dagboek: 'Mauk een lithogr. steen met «tusche» [steeninkt] en water ingesmeerd met penselen uit mijn verfdoos. Deze steen is te klein voor het reproducerenvan de schetsen ´studie van Gorgano Sicoli´ een verkleinde tekening met behulp van een vierkantstelsel `Op 18 juni ´M. trekt zijn gereduceerde schets met wit afdrukpier over op zijn zwart ingewreven steen. Daarna begint hij met een klein zakmesje de tekeningen uit te werken door arceringen uit te krabben.' Op 20 juli: 'M. is vroeg opgestaan, heeft alleen ontbeten en is op de badkamer ijverig aan het bewerken van zijn  lithogr. steen. 'Op 22 juli: omstreeks 11 uur laat Mauk mij zijn voltooide tekening op de steen zien. Zij schijnt ons beiden zeer geslaagd. Op 25 juli: 'M. terug uit Amsterdam met een uitmuntend geslaagde afdruk van zijn op steen getekende bergstadje in de Abruzzen, gemaakt in de werkplaatsen van de Hr. Dieperink door een ruim 6o-jarige steendrukker die bijzonder bedreven is in allerlei soorten van steendruk, waarvan het door Mauk gevolgde procedé slechts zelden voorkomt.' Een tweede litho wordt opgezet, maar niet afgemaakt. Escher is er te ´onrustig´ voor. De steen wordt ingepakt en enaar Rome gestuurd; Escher gaat naar Italië terug.


CALABRIË

Van 28 april tot 25 mei 1930 maaakt Escher een tocht door Calabrië. Behalve de trouwe Haas gaat schilder Roberto Schiess mee, voorzien van een cither, en Jean Rousset, een jeugdige Franse historicus, die een groot fototoestel meesjouwt. De laatste is een ontwikkeld man, met wie Escher goed kan opschieten, en die uitblinkt in het maken van puntdichtjes. Het gezelschap stapt in Pizzo uit de trein en volgt de kustlijn naar het zuiden. Zodra zij de grote weg verlaten en het armelijke binnnenland intrekken, moeten zei van een muilezel pad of van een droge rivierbvedding gebruikmaken. Van Pizzo gaat de weg langs de Tropea, Scilla en het zuidelijkste puntje van Calibrië: Mélito. En dan begint de tocht pas goed, met een lange wandeling door de rivierbedding vóór zij Pentedalitto bereiken om daar enige dagen door te brengen. De eerste dag dat Escher daar zit te tekenen, strijkt er een bidsprinkhaan neer op zijn tekenmap; hij blijft zo lang onbeweegelijk zitten, dat hij als model kan dienen. Vijf jaar later heeft deze bidsprinkhaan een passende plaats gekregen in de houtgravure Droom. De tocht gaat verder, via Palizzi en langs de westelijke kust naar Stilo, Crotone, Santa Severina en Rosani, vanwaar zij, deels met de trein, Morona en Rocca Imperiale bereiken, waarna zij naar Napels terugkeren. Uiteindelijk zal de reis dertien prenten opleveren. 

Schiess heeft overigens een voortreffelijk middel tegen de wantrouwige houding van de bergbewoners. Als hij de cither uit zijn foedraal haalt en begint te tokkelen, is het pleit al gewonnen. In Spezzano slaagt hij erin de stationschef op zijn muziek te laten dansen, waarbij deze zelfs vergeet het sein van vertrek te geven. Jean Rousset herdenkt dit later in een puntvers: 'Baru comme Apollon et jouer de cithare| il fit dancer les muses er même un chef de gare'.


DE EMBLEMATA 

Aan het eind van 1930 schrijft Escher een moedeloze brief naar huis. Hij sukkelt met zijn gezondheid; door de vele ziekten van zijn gezinsleden en hemzelf kan hij niet rondkomen, te meer daar hij niets meer verkoopt. Hij twijfelt aan zijn eigen capaciteiten. Dergelijke depressies komen in zijn leven telkens weer terug. Zodra hij weer frisse indrukken kan opdoen of met iets nieuws kan beginnen, is deze neerslachtigheid echter snel voorbij. Deze keer komt de nodige stimulans door de kunsthistoricus G. J. Hoogewerff, niet alleen directeur van het Nederlands Historisch Instituut in Rome, maar ook geregeld medewerker aan Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Hij komt met zijn vrouw bij Escher op bezoek en stelt een gezamenlijk project voor. Hij wil met Escher emblemata maken: geïllustreerde epigrammen van vier regels, ingeleid door een Latijns motto, zoals in de zeventiende eeuw gebruikelijk was. De hoofdredacteur van Elsevier vindt ze niet geschikt als bijdrage voor zijn blad. Wel wil hij daarin een artikel van Hoogewerff over de grafiek van Escher plaatsen. Dat artikel verschijnt in het nummer van oktober 1931. Het is de eerste maal dat een bekend kunsthistoricus zich intensief met Eschers werk bezighoudt; het is een uitstekend artikel. 

Voor Hoogewerff sluiten in de kunst gevoel en cerebraliteit elkaar niet uit. Een kunstwerk kan een helder doordachte mededeling bevatten. Hij ziet Eschers prenten als synthesen of constructies, die een grondige doordenking vergen. Hij wijst ook op de nuchterheid en de humor in deze prenten en gaat uitvoerig in op de belangrijkste werken die tot dan toe ontstaan zijn. Zijn artikel besluit hij met een verwijzing naar de Emblemata (waarvoor hij overigens zelf, onder de schuilnaam A. E. Drijfhout, de epigrammen leverde): 'Mogelijk zal men, van de «emblemata» kennis genomen hebbend, Eschers kunst opnieuw «cerebraal» noemen. Men mag daaraan de betekenis hechten die men wil, doch naar onze mening wordt zijn werk in alle uitingen gekenmerkt door diepe bezinning en waarachtige vergeestelijking.' Hoogewerff en Escher vinden de Bussumse uitgever Van Dishoeck bereid, de Emblemata in 1932 in boekvorm te laten verschijnen. 

Houtblok en proefdruk

Bij de Eschers thuis, via Alessandro Poerio, 1932. Op de voorgrond houtblokken profdruk van de (tweede) titelpagina van XXXIV Emblemata, met het afdrukgereedschap


DE HEKS VAN OUDEWATER

De vroege zomer van 1931 wordt doorgebracht in Ravellolito, wat vijftien prenten zal opleveren. Op 3 juli komt het hele gezin uit Rome naar Den Haag. Escher brengt een bezoek aan het atelier van Fokko Mees, waar de voordelen van het bewerken van kops hout met de burijn ter sprake komen. Hij wordt erdoor gestimuleerd, deze techniek in praktijk te brengen. Op 3 september koopt hij een burijn met een loep om de fijne gleufJes te onderscheiden, en nog dezelfde dag begint hij aan een houtgravure: de uitnodigingskaart met de leeuw van Sint Marcus, uit Ravello, voor de tentoonstelling bij Liernur in Den Haag, van 1 tot 31 oktober. 'Een aardige tentoonstellingskaart met een kundig gesneden leeuwtje van archaïsche allures', schrijft Het Vaderland, nodigt ons uit deze expositie te gaan zien; en wie aan de uitnodiging gehoor geeft, zal zich in zijn verwachtingen niet teleurgesteld voelen.

'Inmiddels is Escher bevriend geraakt met Jan Walch, schrijver van de dagelijkse rubriek Goede Morgen in Het Vaderland. Walch kreeg destijds één van Eschers prenten ten geschenke van vrienden. Jaren geleden schreef hij een vertelling over de heks van Oudewater. Hij is verrukt over dat stadje met de oude toren, de Heksenwaag, en het door de Marktbrug gedeelde grachtje. Escher is er nooit geweest, maar hij heeft de vertelling gelezen. Hij gaat bij Walch op bezoek en het duurt niet lang voor zij beiden enthousiast zijn voor een goed verzorgde uitgave van de vertelling, met houtsneden. Zo gaan zij voor dag en dauw naar Oudewater; het laatste eind te voet om nog wat buiten te kunnen wandelen. Escher maakt foto's en koopt een paar prentbriefkaarten; materiaal dat hem voor de illustraties te pas zal komen. Drie weken later stuurt hij Walch de eerste houtsnede van de heks op een bezemsteel, bij heldere nacht boven de slapende stad zwierend.


PRIESTER MUMMIES  

In februari en maart 1932 zijn er voor het eerst prenten van Escher in het Haags Gemeentemuseum te zien; hij doet daar mee aan de expositie 'Moderne Nederlandse houtsneden'. Hij laat de Emblemata zien. In deze zelfde tijd schrijft de PTT een openbare prijsvraag uit voor een ontwerp voor een vredespostzegel. Van de 807 inzendingen hoort Eschers ontwerp bij de vijftien beste, maar het wordt niet uitgevoerd. Van 3 tot 13 april 1932 gaat Escher mee met een archeologische expeditie naar Gargano onder leiding van de Italiaanse professor Rellini. Ook de al eerder genoemde Nederlandse archeoloog Leopold is van de partij. Escher maakt een flink aantal schetsen, maar deze blijven het eigendom van Rellini. Van 22 april tot 20 mei maakt Escher samen met Haas-Triverio een tocht door het noordelijk deel van Sicilië. Van Palermo reizen zij langs de kust via Cefalu naar Taormina, dan via de omgeving van de Etna, die tot augustus sneeuw op de top draagt, naar Randazzo en de fantastische lavaformaties bij Bronte. In Sperlinga spreken de wonderlijke rots woningen Escher sterk aan. 

Op het plein voor de kerk in Gangi vragen een paar straatjongens of zij soms dode priesters willen zien. Een grote sleutel komt te voorschijn; omringd door een joelende bende dalen zij de trappen af van de crypt. Bijna alle wanden zijn voorzien van lange rijen nissen, waarin zich de mummies bevinden. Via de tempel van Segeste gaat de reis terug naar Palermo; daar is nog gelegenheid om in het klooster Monreale te tekenen. Escher komt van deze vruchtbare reis terug met drieëntwintig schetsen: volop werk voor de wintermaanden. 

In Rome levert de goede relatie met het Nederlands Historisch Instituut hem de opdracht op om van het Friese kerkje 'San Michele dei Frisoni' een litho te maken met de Sint Pieter, de colonnade en het Vaticaan als achtergrond. Het levert een moeilijke perspectivische constructie op, maar Escher slaagt erin, de situatie duidelijk herkenbaar af te beelden. De prent vindt, zoals zijn vader met voldoening in zijn dagboek opmerkt, veel aftrek bij Friese geestelijken en hoge prelaten. Uit dit dagboek blijkt dat Escher in 1932 bezig is met enkele technische experimenten meer variatie in zijn prenten te brengen. Voor de houtsnede 'Carubba-boompje' heeft hij verschillende plankjes gebruikt, en nuanceert hij het zwart bij het ininkten. En voor zijn litho's heeft hij een toestelletje besteld, dat uit Londen moet komen, waarmee zachte tinten op de steen gesproeid kunnen worden. Wanneer in de zomer van 1932 de Emblemata in boekvorm verschijnen, brengt dit de kunstcriticus Hein 's Gravesande ertoe, Escher (die weer eens bij zijn ouders logeert) in Den Haag op te zoeken. De komende jaren zal 's Gravesande regelmatig contact met hem houden en in verschillende bladen over zijn werk schrijven.


NACHTELIJK ROME

Het jaar 1933 zet goed in met de verkoop van 26 prenten - houtsneden en litho's - aan het Rijksprentenkabinet te Amsterdam. Eerder hadden al het prentenkabinet te Leiden en het Haags Gemeentemuseum prenten verworven. In het algemeen hebben de Nederlandse prentenkabinetten jaren heen vrij geregeld werk van Escher aangekocht. Intussen zijn de plannen rijp voor een tweede reis naar Van 2 tot 30 mei 1933 trekt hij daar met Haas en Robert rond. Deze keer leveren de negentien gemaakte tekening houtgravures en litho's op. De vorige keer waren dat alleen houtsneden. Op 22 juni is de hele familie in het ouderlijk huis in Den Haag verenigd. Escher krijgt daar bezoek van Walch en van de Van Dishoeck om over de uitgave van het boekje over de Oudewater, dat De vreselijke avonturen van Scholastica heten, te spreken. Het zal bij Joh. Enschedé in Haarlem worden gedrukt. Van een bespreking met de he drukkerij maakt Escher gebruik om daar de ingewikkeld bewerkingen te volgen, die nodig zijn voor het drukken van bankbiljetten. Hij is zeer geïnteresseerd. In de eerste maanden van 1934 werkt hij aan een reeks van Rome bij nacht. In iedere prent experimenteert hij met een andere arceringstechniek om een effect v licht / donker te bereiken. Een in de avond ter plaatse gemaakte tekening, wordt telkens meteen de daarop volgende dag daarop omgezet in een houtsnede. Vader Escher schrijft op 25 maart in zijn dagboek: 'Hij gaat de laatste tijd veel 's nachts uit om Rome bij nacht (avond?) te schetsen en daarnaar houtsneden te maken. Een origineel idee, dat misschien opgang zal maken? Zijn tekenpapier verlicht hij bij het schetsen door een zaklantaarntje. Hij neemt ook een vouwstoeltje mee op te zitten. 


EEN AMERIKAANSE PRIJS 

In juli en augustus houden Escher en  Jetta vakantie aan zee, met de kinderen, in gezelschap van broer Eddy en schoonzus Irma uit Brussel. Samen huren ze een huis in Sint Idesbald, vlakbij De Panne, aan de Belgische kust. Van daaruit maakt Escher met Jetta een tocht naar Gent en Brugge, en aleen naar Doornik. Dat zal later nog twee houtsneden opleveren. Intussen heeft Escher een aardig succes in de Verenigde Staten waarmee hij erg is ingenomen. Op de 'Exhibition of Contemporary Prints, Century of Progress' in het Art Institute van Chicago hem een derde prijs toegekend voor de litho Nonza. De (gesponsorde) prijs, groot vijfentwintig dollar, is bedoeld voor aankoop. Zo krijgt het Art Institute een afdruk voor de eigen verzameling. Het is de eerste keer dat een Amerikaans prentenkabinet rechtstreeks een prent van Escher aanschaft. Aangemoedigd door dit succes, zal hij de volgende jaren nog verscheidene malen meedoen aan exposities in het Art Institute. De Arnhemse vereniging Artibus Sacrum- Eschers oude leermeester Van der Haagen zit in het bestuur-organiseert een eenmanstentoonstelling van zijn werk gedurende de hele maand oktober. De expositie wordt geopend door de burgemeester. In Rome krijgt hij een tentoonstelling in het Nederlands Historisch Instituut, op initiatief van Hoogewerff. Hij exposeert samen met de Nederlandse schilder Otto B. de Kat. De opening 12 december en wordt druk bezocht. In het Algemeen Handelsblad verschijnt op 18 december 1934 een artikel over deze tentoonstelling met veel loftuitingen. Escher is een kunstenaar, die na een zeer snelle ontwikkelingsgang thans een hoogtepunt heeft bereikt in grafische techniek als in synthetische natuuruitbeelding, di moeilijk voor nog verdere ontwikkeling vatbaar is; een volkomen rijp, zeer persoonlijk talent. Later - in Grafiek en tekeningen - zal Escher het merendeel van deze prenten echter kwalificeren als 'vingeroefeningen'. 



Werkwijze van Escher voor een 'compositie' hier is Escher te zien op een hoog punt om een schets te maken van een markt scène in Kairouan, Tunesië op 20 december 1927

Schets van buiten de stad

Schets gemaakt van buiten de stadsmuren


Dit is de tekening onstaan uit de observatie en de gemaakte schets


In januari 1928 hergroepeerd hij elementen uit beide tekeningen, waarbij de zorgvuldig uitgewerkte compositie onstaat

NAAR ZWITSERLAND  

In oktober 1934 maakt Escher nog merkwaardige prent van een klein vliegtuigje boven een sneeuw landschap. Deze is bestemd voor de omslag van winternummer 1934-1935 van het christelijk weekblad Timotheus, dat al een paar keer prenten van hem had afgebeeld, wat bij lezers in de smaak was gevallen. Het donkere sneeuwlandschap de rechthoekige akkers wijst duidelijk vooruit naar de beroemde prent Dag en Nacht uit 1938. Waarschijnlijk hee luchtvaartboek, geleend van Hoogewerff, als inspiratiebron gediend. 

Dat de luchtvaart Escher in deze tijd bezighoudt, blijkt uit het feit dat hij begin 1935 voor de PTT een postzegel ontwerpt t.b.v. het Nationaal Luchtvaartfonds. Dit ontwerp wordt inderdaad uitgevoerd, zij het in licht gewijzigde vorm. Het verblijf in Italië loopt in 1935 ten einde, maar eerst maakt Escher nog een laatste tocht met zijn reisgenoot Haas-Triveri door Sicilië, die begint en eindigt in Palermo. Op 9 mei vertrekken zij met de trein uit Rome. Van Palermo gaat de reis naar het westen en verder vrij dicht langs de kust tot Siracusa. Onderweg maa Escher tekeningen van een windmolen bij Trápani, van de uitgestrekte tempelruïnes van de Griekse stad Selinunte, en van de grillige rotsen van Caltabellotta.

De reis gaat verder langs Agrigento en Ragusa. Van Siracusa kunnen zij met een vrachtschip naar Malta varen, waar zij twee dagen blijven. Er is volop tijd om de haven van La Valetta te tekenen, met de voorstad Senglea en de Verdi, het stoomschip van de maatschappij Adria. Dit zal later in een kleurenhoutsnede resulteren; De Verdi brengt hen naar Palermo; op 31 mei zijn ze in Rome terug. 

Vader Escher ontvangt op 6 juni een brief van zijn zoon uit Rome met de mededeling, dat een rijke architect tien prenten van hem heeft gekocht voor ruim negenhonderd lire, waardoor hij bijna de kosten van zijn reis kan betalen. Verder wordt bericht dat Arthur is onderzocht op tuberkelbacillen, en dat er inderdaad sporen van zijn gevonden. Lange tijd berglucht lijkt noodzakelijk. Daar dit ook voor George van nut zal zijn, is besloten om naar Zwitserland te verhuizen. 

Later blijkt dat het Escher behalve om de gezondheid van de kinderen, ook om het politieke klimaat in Italië raadzaam leek naar Zwitserland te verhuizen. Na vele afscheidsbezoeken in Rome vertrekken zij op 4 juli 1935 uit Rome. Met ingang van 1 september kunnen ze een huis huren in Chateau-d'Oex, voorlopig voor negen maanden; een deel van hun inboedel laten zij opslaan. 

Vrouwtje uit Scanno, Abruzzi, inde plaatselijke klederdrachtSchets van Pentedattilo. De sprinkhaan zal later terechtkomen in de houtsnede DROOM

Vrouwtje uit Scanno, Abruzzi, in de 

plaatselijke klederdracht


Schets van Pentedattilo. De sprinkhaan zal later terechtkomen in de houtsnede DROOM


7 mei 1931 schets vanuit de hoogte 'Atrani', gemaakt door Escher in de buurt van Ravello. Goed is te zien dat hij de schets omwerkt tot een voorstudie voor een litho


Het voorbereidings stadium van een driekleuren houtsnede. Een op 8 mei gemaakte schets van Calvi wordt van ruitjes voorzien (voor het overbrengen op een houtblok) en verder uitgewerkt


MOMENTOPNAMEN 

Vooral George heeft sterke herinneringen aan het wonen in Rome overgehouden. In 1978 heeft hij daarover aan J. R. Kist het volgende verteld. 

Van de «momentopnamern> die mij bijblijven uit de romeinse jaren, zijn er weinig waar vader niet in voorkomt. En vele jaren lang waren onze zondagse wandelingen de beste herinneringen die ik aan die tijd bewaarde. Na met moeder of alleen naar de kerk gegaan te zijn (ik ben tot mijn zestiende jaar een door angstgevoelens gedisciplineerde katholiek geweest) nam vader Arthur en mij op verkenning uit. Ons doel varieerde vermoedelijk met leeftijd, seizoen en weer, en ik kan mij geen bepaalde volgorde herinneren. De kern van de herinnering is steeds het gevoel van vaders droge, stevige hand die de mijne vasthield, en het daarmee samenhangende opengaan van allerlei interessante, boeiende stukken van de wereld. 

Soms liepen we gewoon het huis uit en de heuvel af, waar een graafmachine in een kuil stond (soms werkte die zelfs) of een indrukwekkende en lekker ruikende stoomwals ratelde. Of we liepen naar de villa Sciarra, waar een enorm hoge (zeker wel tot vaders middel) richel in de afsluitmuur door ons werd beklommen, op weg naar de poort. In plaats van de gewone wandelpaden te volgen, nam vader ons mee naar stille, donkere delen onder de dennen, waar we een hele tijd konden kijken naar de kikkervisjes die in een donkere poel rondzwommen. Vaak namen we de tram, die lawaaiige romeinse tram die zo luid in de bochten krijste, tot beneden aan de Tiber, waar we de Circolare Esterna of Interna namen voor verder vervoer. 

Wat waren er veel mogelijkheden voor wandelingen! Geliefd waren Foro Romano en de Palatino en andere naburige ruïnes, met hun zonnige vervallen muren waar het zo goed klimmen en verstoppertje spelen was, met de stoffige planten en een vaag gevoel van onbegrijpen. Vader liet ons de acanthus-bladeren zien die er groeiden, en de omgevallen kapitelen met acanthus motieven, versierd, en trachtte mij te doen begrijpen dat het dezelfde bladeren waren, tevergeefs. We liepen door het stenen doolhof, en bekeken de banket- tafel in dezelfde buurt met het rondgaande waterkanaal waar de kommen met spijzen op het water gedreven hadden en langs de gasten voeren (in de tijd van de oude Romeinen). 

Vaak eindigden onze ochtendwandelingen op een terras, stoffig en verlaten, dat uit de zijde van de heuvel stak in de richting van de Gianicolo. Even voor twaalf uur gingen we zitten; vader nam horloge uit zijn zak, en we keken aandachtig naar een bepaald gebied van de heuvel tegenover ons. Om twaalfuur precies verscheen plotseling een witte wolk uit de heuvel, en dan wachtten we op komst van de knal van het kanon. 

Ik zou zo eindeloos door kunnen gaan: bezoeken aan de die tuin, de Pincio, fonteinen in de binnenstad, werkzaamheden voor de Foro Mussolini, de «bocca della veritá», Campidoglio, kerken, via Appia, castel Sant' Angelo, allemaal vrij scherpe visuele herineringen. En steeds, ongezien, maar duidelijk gevoeld boven mij, vader, met zijn droge, warme hand (hij klaagde altijd dat wij zulke kleffe handjes hadden).' 


Vader hield zich altijd een beetje op een afstand, hij was weinig lawaaiig of uitbundig. Behalve de rituele en vaak voorkomende zoenen op de wang, die hij altijd min of meer prikkelig had, en de wandelingen aan zijn hand, kan ik mij lichamelijk contact slechts herineren als stil op zijn schoot zitten en naar Bach luisteren. Wij hadden een grammofoon (later elektrisch) waar zo nu en dan in alle stilte naar geluisterd werd, Jehudi Menuhin, die net in Rome in een kort broekje in de Augusteo had gespeeld, Wanda Landowska, zelfs Stokowsky, interpreteerden Bach op hun manier, en ik luisterde met plezier, tegen vaders buik geleund, tot mijn billen teveel zijn dijen prikten en hij mij eraf moest zetten.

 Ziek zijn, zoals mij vaak gebeurde, is in mijn geheugen gekristaliseerd als het soezig luisteren, in gedempt licht, naar vaders voorlezen. Hij hield van voorlezen, en deed het voortreffelijk. In Rome waren het de sprookjes van Grimm en Andersen, en vooral een boek uit zijn eigen jeugd, waarin het verhaal van de Groene Tovenaar voorkwam, de favoriet van ons allen. De houtsnede van het zwevende eiland met de prins op de schildpad komt uit dat verhaal. 


De zee voor de monding van de Edbro; aan boord van de Juno gemaakt aquarel, 29 september 1922

 

Wandmozaiek in het Alhambra, tekening, 20 oktober 1922 

 Beginnende in Chateau d'Oex en later in Brussel, werd het gewoonte om elke avond voor het naar bed gaan een stuk voorgelezen te krijgen. Zo maakten we kennis met de Jungleboeken, Kim, Winnie de Pooh, Nils Holgersson, Jules Verne, en zelfs een paar Katjangs, Dik Trom en Hollandse heldenverhalen. In de oorlog, bij het licht van een oliepitje, las vader de Odyssee van Boutens voor. 


Landbouwers woning, Ravello, tekening, 21 mei 1931

Op die manier leerden we ook voor het eert Van Schendel kennen, die voor vele jaren zijn meest geliefde schrijver was.'


Gezicht op Atrani, ekening, 25 mei 1931 

Ik kan me niet herinnneren dat vader, toen we klein waren, veel met ons speelde. Maar zo nu en dan spendeerde een grote hoeveelheid tijd en energie aan twee specifieke spelen: doolhoven en ballenbanen. 



Corte, Corsica, tekening, 23 mei 1933

Voor het doolhof werd een kamer, vaak de eetkamer, helemaal overhoop gehaald. De bedoeling was om een zo lang mogelijke tunnel te bouwen waar wij, de kinderen, met gemak, en hij met moeite, doorheen konden kruipen. Een goed gelukte tunnel was donker, en kronkelde zich onder omgekiepte stoelen, bij elkaar gebrachtte tafels, achter rustbanken, draaide heen en weer om eindelijk weer in de kamer uit te monden.

De kinderkamertafel, de keukentafel, tekenplanken, serveerbladen werden gebruikt om steun muren te creeëren, en de grote rechthoekige stoelen, met hun rechthoekige leuningen waren ideaal, als ze op hun kant lagen, om een afgesloten zigzag pad te scheppen. Het geheel was afgedekt met reisdekens, bed overtrekken en zelfs het perzisch vloerkleed, dat voor de gelegenheid was weggerold. Ons plezier bestond uit het half-angstig kruipen door de schemerige ruimte, de anderen in de buurt horen scharrelen en blaffen als hondjes en dan ineens iemand luid gillend te ontmoeten, en de griezeligheid ineens te veranderen in een knus samenzijn, afgesloten van de omgeving.

Ongetwijfeld genoot vader van ons plezier, maar als ik aan mijn eigen gelijksoortige ervaringen met mijn kinderen terugdenk, moet hij ongetwijfeld veel plezier, van een andere soort, beleefd hebben aan het onwerpen en bouwen van een improvisatiebouwwerk met de materialen die op dat moment beschikbaar waren.

Een ander tijdverdrijf voor regenachtige zondagen of zonnige strandvakanties was de ballenbaan. Ik kan nóg enthousiast worden als ik denk aan de schitterende constructies die vader, zogenaamd voor ons, bij gelegenheid bouwde.

 Ik weet niet of het ballenbaan principe uit zij eigen jeugd dateert, maar ik heb een idee dat hij het zelf geleidelijk zelf ontwikkeld heeft. Mijn vroegdste herinneringen eraan zijn van een zeer primitief model: vader bevestigde de rails van ons speelgoedtreintje aan elkaar, verhoogde een eindje van het spoor op een paar speelgoedblokken, en legde een houten bal op het begin van de baan. De bal rolde op de rails heuvelaf, zigzaggend over het spoor, om uiteindelijk van het einde af te vallen, en ratelend over de tegelvloer uit te rollen. 

 Uit dit eenvoudige begin groeiden in latere jaren (tot in Brussel) de meest fantastische bouwsels. Het grondprincipe was altijd hetzelfde: een bal, liefst een zware, harde, zoals een klein model biljartbal, op een hoog punt te laten starten en dan zo lang mogelijk, d.w.z. zo langzaam mogelijk, langs een gevarieerd pad zijn weg naar de vloer te laten zoeken.

Het bouwen gebeurde altijd van onder af aan, en was een opwindend en voor ons vaak frustrerend proces. Het opwindende, behalve de gedeelde intense interesse, was dat er meteen iets te beleven viel, en dat er steeds nieuwe verrassingen werden toegevoegd als het werk vorderde. Het frustrerende was het lange tijdsverloop vóór het werk afwas.

Het eerste stuk ballebaan werd op de vloer in elkaar gezet, vaak een stel treinrails, omdat die goede steun nodig hebben. De helling werd dan zorgvuldig opgebouwd, stapje voor stapje, met elke keer een probeersel of de bal het einde zou halen, en als-ie te snel rolde werd de helling verminderd. Dan volgde bijvoorbeeld een kartonnen koker, waar vader een hele verzameling van had voor het verzenden van prenten.

Een aantal kokers in zig-zag vorm achter elkaar bracht de balle- baan op stoelhoogte. Dan volgde misschien een lange, dikke, holle gordijnroe, dan een plank met een latje erop gespijkerd, misschien nog een paar kartonnen kokers, steeds hoger klimmend, nu op tafelniveau. En elke keer als er een nieuw stuk aan het begin werd bijgevoegd, moest het getest en bijgesteld worden voor minimale snelheid. De tafel kon in een lichte helling getild worden, en een kronkelend pad daarop worden uitgezet, met boeken, houten blokken of een dik touw.

 Dan weer hoger, met twee biljartkeus naast elkaar, naar een stoelleuning, enzovoort, tot de interesse begon te tanen, of de technische problemen te groot werden. Eén van de charmes van deze ballenbanen was het geluid, gemaakt door de bal over de verschillende materialen, afwisselend dof, hol, metaalachtig, en versnellend als de bal een mooi recht stuk begon af te rollen, dan met een tik bijna tot stilstand komend op een nieuw traject, om weer langzaam op gang te komen. Wij konden er eindeloos mee spelen, een bal aan het eind oppikkend, en weer naar het begin brengend. Sommige van de ingewikkeldste bleven dagen staan, misschien wel weken.

Een vaak gebouwde variatie werd in zand gemaakt, op onze zomervakanties. Vader kon zich dan een rotje werken met het scheppen van een enorme zandheuvel, waaromheen en doorheen hij dan een pad kronkelde voor de bal. Hier was een ander soort kunde vereist, omdat zand opdroogt en een vochtige, goed rollende baan na een tijd moeilijkheden geeft, met minuscule lawines en verzakkende bermen.

Zijn grootste triomf was een grote ballebaan in La Panne, waar een klein rubberballetje bovenin een gat werd gelaten, om dertig seconden later weer aan de bodem te verschijnen. Voor het tunnelwerk had hij speciaal een lange houten ronde stok meegebracht waar het zand omheen werd aangestampt, en die dan werd weggetrokken, een mooie tunnel achterlatend. 'Eens per jaar, met Kerst, bereidden vader en grootvader Umiker, die ook in Rome woonde, een poppekast voor. Vader had een toneeltje in elkaar getimmerd, met lichteffecten, mooie gordijnen en schitterende achtergronden, door hem en moeder geschilderd. Er was een tiental handpoppen, waarvan één of twee misschien door hemzelf gesneden waren, en moeder naaide zo nu en dan een nieuw kostuum. Voor zover ik weet, werden de toneelstukken door grootvader geschreven, vader en hij repeteerden het een paar keer, en wij waren altijd diep onder de indruk. Het waren meestal sprookjes, of avonturen van Giuppino, een Italiaanse Jan Klaassen.' 

'De vloer in de gang in het appartement aan de via Alessandro Poerio was, evenals de eetkamer, belegd met majolicategels die vader zelf ontworpen had. Het waren witte tegels met een eenvoudig gekleurd lijnenpatroon dat van de ene tegel naar de andere aansloot, zodat elke gekleurde lijn van het ene einde van de gang, al zigzaggend, naar het andere einde gevolgd kon worden. De tegels waren niet degelijk gelegd, en de meeste raakten los, zodat ze een beetje kantelden als je er op liep. Voor de kinderen was het een extra plezier om met de driewieler door het huis te razen, omdat de tegels een zeer bevredigend ratelend geluid gaven, wat door de onderburen veel minder geapprecieerd werd.

Wij woonden aan de via Alessandro Poerio, 122 drie hoog, terwijl vaders atelier vier hoog, op de dakverdieping was, als een uitbouw op het platte dak. Ik herinner mij dat atelier als een grote, ruime kamer, maar als ik bedenk dat zijn werktafel een indrukwekkend groot geval leek, waar ik nauwelijks overheen kon kijken, dan moet dat atelier aanzienlijk kleiner zijn geweest dan het in mijn herinnnering lijkt. Het is zichtbaar in Hand met spiegelende bol.  Binnenkomend van het trapportaal was links zijn harde ligbank met een veelkleurige sprei bedekt, en kussens om tegen de muur te kunnen leunen. Daarnaast stond een grote leren leunstoel me schuifbare voetsteun. Beide waren speciaal voor ons; evenals het hele atelier was onze toegang ertoe beperkt. Boven deze lighoek hingen een paar boekenplanken aan de wand. Langs de wand rechts van de deur stonden twee kasten: één met prenten en één met instrumenten, tekeninggereedschap,etc.

De verbinding met de verdieping eronder bestond uit een  spreekbuis, aan beide einden gesloten met een houten fluit. Om vader voor het eten te roepen, werd beneden de fluit uit de opening de pijp getrokken, de mond tegen het mondstuk gedrukt en fors geblazen, zodat de fluit boven zijn signaal gaf. Als vader dan zijn fluit uit  de buis haalde, konden we met elkaar spreken. Als vader aan werk was, hetzij aan het tekenen, hetzij houtsnijden, kwam hij nooit meteen naar beneden om te eten, hij moest altijd nog 'even' iets afmaken wat soms betekende dat we al aan het eten wal voor hij kwam. De sterke indrukken van vaders plezier in houtsnijtechniek dateren van die tijd, al heeft hij altijd diezelfde indruk gegeven, tot zijn laatste jaren in Baarn. Van beneden konden we vader vaak horen werken: hij floot luid allerlei deuntjes, van Bachs dubbel vioolconcert tot Piet Hein, of hij tikte luid met zij nagels op de werktafel, zodat de marsen door het plafond klonken als we in de eetkamer begonnen met eten.'

Foto  van Mortano in CalibriëVermeetkundigde  schets van hetzelfde stadje, gemaakt op dezelfde dag en zal resulteren in een houtsnede

Eschers manier van kijken. Foto van Mortano in Calibrië
Vermeetkundigde schets van hetzelfde stadje, gemaakt op dezelfde dag en zal resulteren in een houtsnede


Lees meer →