M.C. Escher

Terug in Nederland


Stilleven, krabtekening, januari 1943

Terug in Nederland 1941 - 1954

In de oorlogsjaren heeft Escher het geluk dat hij in Baarn betrekkelijk ongestoord met zijn eigen werk kan bezig blijven. Toch gaat de oorlog niet geheel aan hem voorbij. Er zijn een paar documenten bewaard gebleven, waaruit blijkt dat ook hij, zij het indirect, in contact komt met de gruwelijkheden van de Duitse bezetting.

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1944 wordt zijn oude leermeester Jessurun de Mesquita, die jood is, door de Duitsers weggevoerd om niet meer terug te keren. Dit grijpt Escher erg aan. Hij helpt mee om De Mesquita's grafiek en tekeningen een veilig onderdak te bezorgen in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en bewaart daarbij voor zichzelf een ets met daarop de afdruk van een Duitse laars. Tot zijn dood hangt deze ets op een vaste plaats, op de deur van het kastje waarin hij zijn tekengereedschap bewaart.

De Mesquita heeft veel voor hem betekend. Hij was het die hem aanzette graficus te worden; in Haarlem was hij een geliefd leermeester. Hoewel Escher later een andere weg op ging, hield hij contact met De Mesquita en stuurde hem ook wel werk, waarop hij dan commentaar ontving. Een briefje van I7 november 1941 geeft daar een indruk van.

Beste E, Vele malen dank voor je zending. Ik heb er dagen naar zitten kijken en ben tot de conclusie gekomen dat je dit werk als een mijlpaal moet beschouwen. Je hebt 't in je brief zo afgekamd dat 'n ander lust krijgt 't weer op te kammen. Dat wil ik dan ook graag doen, maar liever mondeling. Mijn zoon vindt het totaal geslaagd. Mijn verzoek is nu kom weer eens bij me aan, dan kunnen we er over spreken dat gaat toch beter over en weer.

Vlak voordat hij weggevoerd wordt, stuurt De Mesquita Escher op 11 januari 1944 nog een laatste bericht: 'Beste vriend, Niettegenstaande het me moeilijk valt, kan ik niet nalaten je te schrijven dat ik je wens je vooroorlogse kwaliteit te kunnen bewaren je leven lang.'

In 1946 werkt Escher mee aan een herdenkingstentoonstelling van De Mesquita in het Stedelijk Museum te Amsterdam en schrijft dan een terugblik op diens persoon en werk in de catalogus.

'Hij was wars van alle sleur en onderzocht graag zelf de waarde en deugdelijkheid van een procedé dat sinds lang op een bepaalde wijze en met door ondervinding en gewoonte beproefde materialen werd toegepast. Waarom moet een ets persé op een metalen plaat vervaardigd worden? Zou een ander materiaal geen verrassende resultaten kunnen geven? Zo maakte hij dan bij uitzondering ook drogenaaldetsen op celluloid, ja zelfs op een glazen plaat waarvan hij een fotografische afdruk maakte. Wat is het effect van een diepdrukcliché dat als hoogdrukcliché wordt afgedrukt? Zie de ets die hij als houtsnede afdrukte.

Door het maken van tegendrukken kwam hij tot zijn opmerkelijke houtsneden waarin symmetrie een belangrijke rol speelt, en die op de volgende wijze ontstonden: het vel papier waarop zo even een directe druk is gemaakt en waarvan de drukinkt dus nog vochtig is, wordt bedekt met een schoon vel en tezamen daarmee onder druk gezet. Resultaat: twee door drukinkt gedeeltelijk aan elkaar vastgeplakte afdrukken. Als men nu langzaam het ene vel van het andere lostrekt, dan ziet men een symmetrische voorstelling ontstaan die voor de helft gevormd wordt door een deel van het spie- gelbeeld op de tegendruk. De Mesquita was, evenals een kind over de symmetrische figuren van kraaltjes en snippers die een caleidoscoop toont, zo opgetogen over wat hij zag, terwijl hij de twee af- drukken van elkaar scheidde, dat hij er meermalen de moeite voor over heeft gehad het symmetrische beeld dat zich vormde nog eens in zijn geheel in hout te snijden.'

Ook Escher heeft zich intensief beziggehouden met dergelijke technische experimenten; speciaal in de eerste helft van zijn leven, want in zijn latere jaren gingen zijn mathematische beeldgedachten eigenlijk alle aandacht opeisen en werd de techniek hoe langer hoe meer alleen een hulpmiddel. Een voorbeeld van een technisch experiment in de geest van De Mesquita is echter nog de houtgravure Kaarsje, die Escher in juli 1943 graveert en vervolgens niet alleen als hoogdruk, maar ook als diepdruk, dus op de manier van een ets, afdrukt. Symmetrieën hebben hem zijn hele leven gefascineerd. 

 

NIEUWE BEWONDERAARS 

Tijdens de oorlog heeft Escher steeds geweigerd mee te doen aan openbare manifestaties en door de Duitse bezetters in het leven geroepen organisatievormen. Wanneer vlak na de oorlog, in het najaar van 1945, in het Rijksmuseum te Amsterdam een grote tentoonstelling wordt gehouden van kunstenaars die zich tijdens de bezetting onttrokken hebben aan de nazi voorschriften, doet ook hij mee, met vier prenten en een tekening. Het levert hem een paar nieuwe bewonderaars en kopers op. 

Allerlei instanties en particulieren gaan hem benaderen met verzoeken waaraan hij steeds zeer bereidwillig en zo precies mogelijk probeert te voldoen. Zo vraagt Merema van de V æ O hem eerst om prenten ter afbeelding in een publicatie en vervolgens om vierhonderd afdrukken van een prent ter verspreiding over de scholen. Er is weinig geld beschikbaar, maar Escher doet zijn uiterste best, mogelijkheden te vinden om binnen het beschikbare budget toch aan deze wens te kunnen voldoen. In de zomer van 1948 worden vierhonderd afdrukken gemaakt, nadat Escher akkoord is gegaan met een honorarium van duizend gulden, inclusief kosten van materiaal en druk.

In 1946 is Escher zich gaan verdiepen in de mezzotint, een voor hem nieuwe techniek, die hem boeit door de grote nuancering van licht naar donker die erin te bereiken is. Eind 1947 is hij er weer eens mee bezig. Op 29 december 1947 schrijft hij aan zijn vrienden Bas en Len Kist: 'Een nieuw mezzotintje dat ik zojuist beëindigde, kan wel dienen als nieuwjaarswens en stuur ik jullie eveneens. Zo'n ding moet nu eenmaal altijd een naam hebben en ik noemde het Kristal, omdat 'Orde en Chaos' te pretentieus en te dik klinkt, hoewel die laatste naam beter de bedoeling weergeeft. Het zij mij vergund daarbij verder op te merken dat de Chaos in ontelbare vormen en gestalten alom tegenwoordig is, terwijl Orde en onbereikbaar ideaal blijft: de wonderschone vergroeiing van kubus en octaëder bestaat niet. Niet te min kunnen wij, met Reves, daarop blijven hopen. Is dat soms geen mooie nieuwjaarswens?'




Aan de hand van de verschillende stadia van Oog, oktober 1946 is het moeizame en tijdrovende mezzotint procedé goed te volgen. Voorstudie potloodtekening, eerste staat mezzotint, tweede staat, derde vierde, vijfde en zesde staat. Zevende en definitive staat

In deze tijd begint Escher steeds vaker voordrachten over zijn eigen werk te houden. Later zal dat een grote vlucht gaan nemen. Zijn vriend Bas Kist is lid van een kring van prentliefhebbers en vraagt hem om ook daarvoor een lezing te komen houden. Escher geeft op 17 oktober 1948 een positieve reactie.

'Met het beantwoorden van je briefkaart wachtte ik tot de hevigheid van de houtsnijderij waarmee ik bezig was en die mij des avonds de lust tot schrijven ontnam, een beetje luwde. Graag wil ik een praatje over grafiek voor jullie Prentkring houden, maar, zoals ik je, meen ik, verleden jaar al vertelde, ontbreekt mij te enen male de gave om vlot publiekelijk te spreken en jullie moeten dus een hakkelpartijtje maar voor liefnemen. Desondanks wil ik graag proberen om met mijn eigen enthousiasme voor de grafiek anderen en met name een gezelschap van geïnteresseerden te infecteren. Ik hoop dat er tegen die tijd nog wat over is van de verregaande geestdrift die mij dezer dagen bezielde bij het maken van een kleuren houtsnede over de techniek waarvan stellig wat te vertellen zou zijn. De zwarte kunst (mezzotint) beoefende ik sinds maanden niet meer, maar ik begin er weldra weer aan nu ik eindelijk in het bezit ben gekomen van een goed wiegijzer uit Engeland en ik heb toch reeds enige, hoewel nog veel te weinig ervaring en routine door de vijf prentjes die ik tot nu toe in die techniek vervaardigde.'

Escher drukt zijn prenten het liefst op Japans papier en doet zijn uiterste best om daar voldoende voorraad van te hebben. Het grafische bedrijf Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem heeft hem daarbij een paar keren geholpen. Dit gebeurt ook in 1948, nu in ruil voor enkele prenten. Aan de directeur, de heer Huijsman, schrijft hij op 6 november 1948: 'Met vreugde ontving ik heden zowel uw schrijven, als ook het pak inhoudende honderd vellen Japans papier. Voor uw gulheid ben ik u zeer dankbaar: ik kan de toekomst, wat dit onmisbare materiaal betreft, nu weer een tijdje lang met een gerust hart tegemoet zien. Natuurlijk ben ik zeer gaarne bereid om de collectie prenten die u van mij bezit, aan te vullen met datgene wat u nog ontbreekt, in ruil voor het papier.' Een belangrijke verzamelaar van zijn grafiek wordt de heer Kessler uit Arnhem. Behalve prenten verwerft deze ook een ahorn (esdoorn) houten bol, door Escher besneden met een vlakvullingsmotief van reptielen. Er zijn verschillende brieven bewaard gebleven, waaruit blijkt hoe ingenomen Escher is met Kesslers belangstelling, vooral ook omdat deze juist de mathematische kant van zijn werk waardeert.

Baarn 23-11-1949| 'Waarde Heer Kessler, Wij ontvingen uw nieuwe adresaankondiging en hopen dat uw vrouw en u daar naar genoegen en min of meer definitief onder dak bent.

De tentoonstelling in Rotterdam is een groot succes geworden. [Escher exposeerde in Museum Boymans met twee andere grafici: Van Heusden en Van Kruiningen]. Er zijn minstens tweeduizend bezoekers geweest; wij hielden een demonstratie van druktechnieken met enorme toeloop en een causerie over ons werk voor een vereniging van prentvrienden. Ik verkocht tweeëndertig prenten, onder andere die vier meter lange metamorfose. De kritieken waren vele en gunstig; ik heb dus geen klagen; de tentoonstelling is nog een week verlengd.

De houten bollen hadden veel bekijks, maar vonden meer waardering wegens het handwerk dan als meest consequente toepassing der regelmatige vlakverdeling, hetgeen niet te verwonderen is. Het grootste deel van de gehele tentoonstelling hebben wij gisteren naar Leiden getransporteerd, waar de expositie aanstaande zaterdag in het Prentenkabinet van de Universiteit wordt geopend. Ook daar zullen wij drie-exposanten weer wat «op de trom slaan» en wel op een voor mij nieuwe en geperfectioneerde wijze: prof. Van der Waal, de directeur van de zaak, was bereid van elk onzer collecties twaalf lantaarnplaatjes naar onze keuze te laten maken. Op donderdag 8 december krijgen wij des avonds gelegenheid om in de collegezaal elk gedurende twintig minuten een causerietje over ons werk te houden, door diapositieven geïllustreerd. Zo wordt het dus eindelijk mogelijk voor een groter gehoor de zaak duidelijk te maken. Ik ben benieuwd hoe deze experimenten lukken. Later op de avond houden wij dan nog een rondleiding langs onze prenten zelf.

Nu komt echter, wat u betreft, pas de aap uit de mouw: Wilt u uw bol ook voor deze expositie nog even afstaan? Omstreeks half december zal ik hem u dan weer toesturen. Mocht u er bezwaar tegen hebben, zegt u het dan eerlijk, hij staat weliswaar reeds in de vitrine opgesteld, maar kan nog best verwijderd worden. Bij een intellectueel publiek als studenten (als ze tenminste komen!) geloof ik dat juist zulke 'dogmatische' uitingen als mijn bollen wel zullen aanspreken. (Eén ervan wordt ook geprojecteerd.) Blijft uw nieuwe werkkring u bevallen? En maakt uw vrouw het goed?

Tussen de bedrijven door ben ik hard aan het werk; er staat een nieuwe kleur houtsnede op stapel voorstellende een kleine (zéér kleine!) planeet, bestaande uit twee onwrikbaar in elkaar vergroeide tetraëders, elk van een andere kleur, de ene met driehoekig-piramidale bouwwerken waarin mensachtige wezens wonen; de andere met rotsen, vreemde plantengroei en voorwereldlijke dieren; het geheel gevat in een cirkelvormig zeer donkerblauw vlak, hetgeen wel ongeveer de illusie schept dat men de planeet door een verrekijker waarneemt. Aangezien alles zich, volgens de zwaartekracht, naar het middelpunt voelt getrokken, moet de prent door de beschouwer om dit middelpunt gedraaid kunnen worden. Het bewegende element laat mij blijkbaar ook hier niet los.' 

Baarn 17-1-1950 | 'Waarde Heer Kessler, Ingesloten vier verschillende prenten; de litho Tekenen doe ik er ook bij, hoewel u die niet noemde, maar ik ben vergeten of u hem kent. De prijzen staan rechts onder op elke prent vermeld. «Onder» bij wijze van spreken en volkomen willekeurig gekozen wat mijn Dubbele Planeet betreft. Voor iemand die hem absoluut zou willen ophangen aan de wand, zou draaibaarheid van de voorstelling ideaal zijn. Ik stelde hem zojuist tentoon in Amsterdam (op een algemene tentoonstelling van onze kring [Nederlandse Kring van Grafici en Tekenaars]) in een draaibaar passe-partout. Het is een raar geval en esthetisch beoordeeld waarschijnlijk een onding. Dat neemt niet weg dat het mij min of meer gelukt is om een deel van mijn regelmatige lichamen complex erin uit te vieren of af te reageren. Hoe stuntelig ook, ik ben er in zekere zin voldaan over. Die dubbele tetraëder zat mij sinds jaren dwars. Weldra hoop ik te kunnen beginnen met een litho, soort herhaling en uitwerking van het probleem dat ik stelde in de mezzotint Kristal. Galerij, gedateerd 11-1-' 46, maakte mij wanhopig toen ter tijd; de laatste hand legde ik eraan in april 1949. Andere wereld is een vervolg daarop en de lange litho Boven en Onder is daarop weer een vervolg.'


Vissen, houtsnede op textiel, ca. 1942


Vissen, driekleuren houtsnede, oktober 1941


Onvoltooid gebeleven blok voor houtgravure Balkon


Dorische zuilen, driekleuren houtgravure, augustus 1945

 Baarn 15-11-1950 | 'Waarde Heer Kessler, In dank ontving ik uw briefkaart en giro overschrijving. Het doet mij bijzonder veel genoegen dat de dubbele planeet in uw smaak valt en dat u zich zo wonderwel in mijn persoonlijke hobby's kunt (en wilt) verplaatsen. De reactie bij mijn collega's aan wie ik de prent toonde was zo miniem, d.w.z. ze stonden er naar te kijken zonder enig teken van belangstelling, dat het mij een beetje ontmoedigde na zoveel ploeteren.

De fout die u opmerkt (en dát u hem opmerkt waardeer ik ook al weer erg) begrijp ik niet geheel, maar die zal er zeker wel wezen [Kessler schreef dat bepaalde lijnen zijns inziens taps hadden moeten toelopen]. De gehele kwestie van de snijding der diverse vlakken heeft mij een duivelse moeite gekost. Mijn voorstellingsvermogen laat veel te wensen over en als men zulk een werkstuk opzet dan is het eigenlijk één voortdurende ergernis over eigen tekortkomingen. Daarbij was de technische uitvoering ditmaal bijzonder moeizaam en, alle enthousiasme ten spijt, eigenlijk één voortdurende mislukking. Als er geen mensen waren zoals u en gelukkig nog een paar dan zou ik misschien geen moed hebben om telkens maar weer opnieuw te beginnen. Met hartelijke groeten, ook van mijn vrouwen aan de uwe (hoe gaat het met uw zoontje?)' 

In 1949 maakt Escher een ontwerptekening, die door de handweverij van Edmond de Cneudt te Baarn in gobelin (wandkleed) wordt uitgevoerd. Dit gobelin wordt in 1951 aangekocht door het Gemeentemuseum te Arnhem. Eind 1950 vat Escher nog een ander niet grafisch werk aan. Ir L.C. Kalff van de Philips fabrieken te Eindhoven vraagt hem of hij ervoor voelt een patroon te ontwerpen voor een plafond in een ontvangruimte, die gereed zal moeten zijn vóór het zestigjarig jubileum van Philips, dat in mei 1951 gevierd zal worden. Kalff herinnert Escher eraan, dat hij in de tijd dat hij in Delft een studie voor architect probeerde aan te vatten, samen met Kalff de studentenalmanak van illustraties voorzag. Escher neemt de opdracht aan en ontwikkelt in nauwe samenwerking met de technische staf van Kalff een plan dat in 1951 gerealiseerd wordt.

Begin 1951 verzoekt drukkerij Joh. Enschedé en Zonen te Haarlem hem een ontwerp te maken voor een postzegel voor de United Nations. Ook dit neemt hij aan. Het ontwerp doet mee aan een internationale prijsvraag, maar wordt niet bekroond en blijft onuitgevoerd.

In 1951 verschijnen een paar belangrijke artikelen over zijn werk in invloedrijke buitenlandse bladen. Het begint met een artikel van Mark Severin dat in februari verschijnt in het Engelstalige kunsttijdschrift 'The Studio'; Severin had Eschers werk leren kennen op een tentoonstelling van Nederlandse grafiek in Antwerpen, in mei 1950. Israël Shenker, Time-Life correspondent, leest dit artikel en gaat Escher in Baarn interviewen, met als resultaat: een artikel in Time van 2 april 1951 en ook één in Life van 7 mei. Ze slaan aan en er komen vele reacties en bestellingen. Deze artikelen vormen de aanzet voor een snel groeiende bekendheid, vooral in de Engelstalige wereld. Wanneer Eschers nicht Lies Bolhuis-Escher een afdruk van Dag en Nacht koopt, schrijft hij haar een brief, die zowel iets over zijn toenmalige gezinssituatie vertelt als over dit begin van zijn roem.

Baarn 22-5-1951 | 'Beste Lies, Hier komt je gevraagde afdruk van D. en N. al. Laten wij de zaken afdoen voor wij verder over koetjes en kalfjes gaan spreken: prijs f 50, -. Veel verandering in de algemene gezondheidstoestand is bij ons niet op te merken; Jetta zo ongeveer hetzelfde; ontzettend zwaar te tillen en moedeloos, maar ik geef de moed niet op. George nog in dienst, tot oktober aanstaande; Arthur met lust aan 't geologie studeren in Lausanne; Jan poogt eerdaags het lyceum te bereiken. Ik heb veel te doen. Twee publicaties in Amerika, Time in april en Life (Amerikaanse editie van 7 mei) brengen allerlei bestellingen met zich (0. en N. zes maal sinds april!) en vele brieven te beantwoorden. Ik verlang naar de vakantie van de zomer!' Men begint Eschers prenten nu ook op allerlei manieren te interpreteren en te gebruiken. Hij schrijft aan Lies Bolhuis dat een oogarts uit Alkmaar, dr. Wagenaar, sinds enige jaren tijdens voordrachten Dag en Nacht als illustratie gebruikt om een waarnemingswet te verduidelijken. Via zijn nicht is een internist uit Deventer, dr. Pompen, door dezelfde prent gefascineerd geraakt. Deze meent er allerlei symbolische betekenissen in te zien en schrijft daarover een brief. Escher antwoordt hem vriendelijk. 

Baarn 3-11-1951 | 'Zeer geachte dr. Pompen, Veel dank voor uw brief van 30 augustus en voor de snelle terugzending van mijn foto. Ik vond het bijzonder prettig om van u te mogen horen wat u in de prent «ziet» en ik voel mij vereerd door uw voornemen om hem, als lantaarnplaatje, tijdens uw voordracht te projecteren.

Het is zeer boeiend voor mij om mijn werk door anderen te horen interpreteren, vooral omdat de zin, of het symbool dat men er soms in ziet bij mij, bewust althans, volkomen afwezig is. Ik geloof dat ik nog nooit enig werk maakte met het doel om iets bepaalds te symboliseren, maar het feit dat men er soms een symbool in aantreft of opmerkt, is voor mij van waarde, want ik aanvaard dan gemakkelijker de onverklaarbaarheid van mijn hobby's die mij niet met rust laten.

De regelmatige verdeling van het vlak in congruente figuren die in de beschouwer de associatie met een hem bekend natuurobject wakker roepen, is één van die hobby's of problemen. Daarmee is eigenlijk, wat Dag en Nacht betreft, alles gezegd. Dit meetkundige probleem heb ik, door de jaren heen, telkens opnieuw aangevat en steeds weer tracht ik er andere facetten van te belichten. Ik kan mij niet indenken wat het leven voor mij zou zijn als dit probleem zich niet aan mij had gesteld; ik ben er om zo te zeggen tot over mijn oren op verliefd en ik weet nog steeds niet waarom. Het is niet mijn enige hobby; er zijn nog een stuk of wat andere waardoor ik mij laat leiden en die mij soms het platte vlak uit en de ruimte in trekken. Het zich rekenschap geven van de drie dimensies, het begrip van plasticiteit is, tot mijn verwondering, niet zo algemeen als men van ons, ruimtelijke wezens, wel zou kunnen verwachten. Begrip van relaties tussen vlak en ruimte is voor mij een bron van ontroering, en ontroering is een sterke aandrift, of althans een stimulans tot het maken van een beeld. Ja inderdaad, «wij kennen slechts ten dele», wij kennen slechts een miniem klein deel.' 

In april 1952 komt Mererna van de V Æ VO opnieuw met het verzoek een prent in een grote oplage te drukken ter verspreiding over scholen. Er wordt besloten om nu van de litho Tegenstelling vierhonderd exemplaren op de snel pers van Dieperink af te drukken. Ondanks de gestegen kosten, gaat Escher op- nieuw akkoord met een totaal honorarium van duizend gulden. De V Æ VO wil nu bovendien met behulp van Polygoon te Haarlem een filmstrook van een dertigtal prenten van Escher in omloop gaan brengen. Ze kunnen in onderwijsinstellingen geprojecteerd worden. Mererna vraagt of Escher er zelf een tekst bij kan produceren. Ook hieraan wil hij graag meewerken. 

Baarn 10-5-1952 | 'Zeer geachte Heer Mererna, Het plan om door middel van filmstroken voortbrengselen van beeldende kunst onder de ogen van de jeugd te brengen, kan ik alleen maar toejuichen, want ik begrijp de voordelen die deze praktische, moderne wijze van aanschouwelijk maken biedt boven de oude methode. Ik ben dan ook graag bereid om, voor zover het mijn eigen werk betreft, daaraan mee te werken. De laatste jaren heb ik telkens lezinkjes over mijn werk gehouden aan de hand van lantaarnplaatjes naar mijn prenten; tijdens de projectie vertel ik dan wat over de bedoelingen en de prikkels die geleid hebben tot het ontstaan ervan. Mijn intenties zijn, zoals u wel weet, beter te beredeneren, en in vele gevallen bewuster, mathematischer, cerebraler als u wilt, dan die van de meeste mijner collega's, wier, meer direct esthetische en onbewust sensitieve, impulsen men soms gemakkelijker kan aanvoelen dan onder woorden brengen.'

Escher is linkshandig; daarom heeft het probleem van de linkshandigheid hem altijd sterk geïnteresseerd. In december 1952 reageert hij dan ook meteen, wanneer hij daarover een artikel toegestuurd krijgt.

Baarn 12-12-1952 | 'Beste Van der Haagen, Met veel belangstelling las ik het artikel over «linkshandigheid bij het tekenen» in het decembernummer van het NVTO maandblad dat je mij toestuurde. Met name trof mij daarin de suggestie dat linkshandigen meer ingesteld zouden zijn op tekenen dan op schilderen, m.a.w. dat vorm voor hen belangrijker zou zijn dan kleur. Wat mij persoon- lijk betreft komt dat volkomen uit. Van mijn prilste jeugd af ben ik uitgesproken linkshandig (op de lagere school kostte het leren schrijven met de rechter hand mij grote moeite; waarschijnlijk zou linkshandig schrijven in spiegelbeeld mij veel gemakkelijker en natuurlijker zijn afgegaan), terwijl het feit dat mijn gevoel voor vorm sterker is dan dat voor kleur, misschien mede tot gevolg had dat ik graficus ben geworden in plaats van schilder.

De vraag: «Is linkshandigheid aangeboren of verworven?», die in genoemd artikel wordt gesteld, lijkt mij overbodig. Indien rechtshandigheid is aangeboren, waarom zou linkshandigheid dat dan niet zijn? Er zijn mij geen gevallen bekend van normale rechtshandige beeldende kunstenaars die, door oefening, linkshandigheid verwierven; wél van het omgekeerde. Leonardo is daarvan misschien een voorbeeld. Van de in 1944 omgekomen graficus S. Jessurun de Mesquita weet ik het zeker: hij ging er prat op dat hij, als aangeboren linkshandige, tevens en, naar zijn zeggen met even veel gemak, rechts had leren tekenen. Dubbelhandigheid is voor een graficus, die telkens met zowel beeld als spiegelbeeld te doen heeft, natuurlijk van grote waarde. Het zou interessant wezen om een enquête te houden onder de Nederlandse grafici, om te weten te komen welk percentage linkshandigen er onder hen is; misschien kom ik daar wel eens toe. Hoe de overerving plaatsvindt, weet ik niet; wellicht eenvoudig van vader (of moeder) op kind. Ik kan het tenminste moeilijk als een toeval beschouwen dat twee van de drie zonen van een zó uitgesproken linkshandige vader als ik ben, het eveneens blijken te zijn, tenminste wat hun tekenen betreft. Toen ik in het voorjaar van 1952 deel uitmaakte van de jury ter beoordeling van de resultaten van een tekenwedstrijd die een onderdeel vormde van de Artistieke Interlyceale, waaraan leerlingen van vijf lycea deelnamen, trof het mij dat de surveillerende docent, J. van Ingen Jr., opmerkte, tijdens het gezamenlijk uitvoeren van de gegeven opdracht, dat er van de vijftien deelnemers negen waren die met hun linkerhand tekenden; zestig procent linkshandigen van een reeds sterk geselectioneerde groep, dat was wel merkwaardig! Jammer dat de toevalligheidsfactor bij zulk een kleine groep een te grote rol speelt; wat een interessante conclusies zouden er anders uit te trekken zijn!

Hoe groot het aantal linkshandige tekenaars in 't algemeen wellicht ook is, toch blijven ze blijkbaar een zó grote uitzondering, en merkwaardigheid, dat de aandacht van «de gewone man» er on middellijk door getrokken wordt. Dat ondervond ik tenminste bij herhaling toen ik destijds in Italië veel buiten tekende. De nieuwsgierigheid der toeschouwers, die zich daarbij meestal om mij heen verzamelden, werd véél meer gaande gemaakt door mijn linkshandigheid dan door het beeld dat op mijn tekenpapier zichtbaar werd.'


Van zijn Wentelteefje maakt Escher kleimodelletjes in verschillnde fasen van oprolling


Voorstudie voor de litho Trappenhuis

 

SUBJECTIEF EN OBJECTIEF 

Rond de jaarwisseling 1952-1953 ontstaat een briefwisseling met de eerder genoemde dr. Wagenaar. Escher legt hem een groot aantal vragen voor. Het uitvoerige antwoord lokt weer een reactie uit.


Twee voorstudies voor de litho Tekenen. Merkwaardigerwijs zijn beide tekeningen 11-'48 gedateerd, terwijl de litho de datering 1-'48 draagt. Merk op dat Escher voor beide handebden zijn rechterhand heeft gebruikt.

Baarn 16-1-1953 | 'Zeer geachte dr. Wagenaar, mijn hartelijke dank voor uw brief en voor de overdrukken van uw artikel. Wat u schrijft boeit mij uitermate voor zover ik het begrijp, want niet al- les is mij duidelijk.

Sterk werd ik gepakt door uw alinea over objectieve en subjectieve ruimte. Mijn reactie, die wel zal getuigen van onvoldoende filosofische scholing en misschien zelfs van oppervlakkig aandoende speelsheid, laat ik hier toch maar volgen. Ik zou dan geneigd zijn om te zeggen: aan het bestaan van een irreële, subjectieve ruimte behoeven wij geen van allen te twijfelen. Maar persoonlijk ben ik niet zeker van het bestaan ene reële, objectieve ruimte. Al onze zintuigen openbaren ons slechts een subjectieve wereld; wij kunnen slechts denken en eventueel menen dat wij daaruit kunnen concluderen het bestaan van een objectieve wereld. Enerzijds herinnert mij dat, hoewel de vergelijking niet geheel opgaat, aan een spelletje dat ik met een burgerschool kameraad destijds speelde (: daar gaat een bakkersjongen met zijn kar; hij slaat de hoek om en verdwijnt uit mijn gezicht; zie zo, nu bestaat de bakkersjongen niet meer) en anderzijds aan veel recentere aandoeningen, gedachten, die mij soms besluipen als ik, met grote interesse, de vulgarisatie beluistert of lees die sterrenkundigen ons geven van theorieën omtrent het wezen van het heelal. Dit (voor een leek als ik) heerlijke spel waarin mijn gedachten doordringen tot in de verste verten van de zogenaamde reële ruimte, verder en verder, met zo nu en dan eens een ster, of een sterrenhoop, of een spiraalnevel als houvast en mijlpaal, dit spel slaat soms plotseling om in het tegendeel door de vraag: wat is die zogenaamde realiteit; wat is die theorie anders dan een prachtige, maar oer menselijke hersenschim? Ook al staaft men de juistheid der hypothese met waarnemingen, dus zintuigelijk, die tot dezelfde slotsom lijken te voeren, is het bewijs daarmee geleverd? Waarom hebben wij zo'n onwrikbaar vertrouwen in onze zintuigen? En waarom zouden wij trouwens geen genoegen nemen met het subjectieve?

Het wordt wel een beetje kras, maar vooruit: is die rode bloem van u daar werkelijk, reëel, objectief en los van ons, ook al zie ik haar kleur, ook al ruik ik haar geur, ook al voel ik haar kelk met mijn vingertoppen, ook al hoor ik het zoemen van de bij die haar bezoekt, ook al proef ik (of de bij) haar honing? En is het zo erg om een enkele maal te veronderstellen dat zij er misschien helemaal niet «is»? 

Later, aan het einde van uw brief, zegt u: ik persoonlijk geloof aan het absolute van een begrip. Dat kán ik ook, als ik wil. Maar als ik niet wil, kan ik er ook niet in geloven. Daarmee staat of valt misschien de hele kwestie van het al of niet aanwezig zijn van een objectieve ruimte. Bepaald niet begrepen heb ik wat u zegt over een zuivere bol in een objectieve ruimte en over een objectief van de zuivere bol afwijkend lichaam, bijvoorbeeld een ellipsoïde, welke wij nochtans als zuivere bol zouden kunnen waarnemen. Over deze zaken zou ik uiteraard gaarne eens mondeling met u spreken, maar ik vrees dat u daarvoor geen tijd zult hebben. Ik zend een overdruk van uw artikelen aan dr. P. J. Kipp, bioloog te Utrecht, die mij onlangs bezocht. Hij interesseerde zich voor mijn prenten en beschouwt ze als een mogelijk contactpunt tussen twee categorieën van mensen die elkaar, door de toenemende differentiatie in onze tijd, steeds minder goed begrijpen. Voor de diepte waarmee u bent ingegaan op mijn stukje, ben ik u zeer erkentelijk.' 

In maart krijgt Escher van zijn nicht Lies Bolhuis een verzoek om een ex libris te vervaardigen voor dr. Pompen. Hij wijst dit af en raadt zijn collega Rueter aan. Zelf heeft hij het te druk, onder meer met een opdracht van de Nederlandse Bank voor een ontwerp voor bankbiljetten. Hij klaagt over te weinig tijd voor eigen werk, een klacht die in de komende jaren telkens weer geuit zal worden. Aan Lies Bolhuis schrijft hij dat zoon Jan nu naar een kindertehuis in Baarn is, omdat de toestand in huis vaak te drukkend is door de zwaarmoedigheid van Jetta.

 

VOORDRACHT TE ALKMAAR 

Zijn werk kan hij in deze jaren regelmatig exposeren in musea, in de kunsthandel en ook wel in universitaire instituten; vaak in gezelschap van twee of meer collega's uit de vereniging van Nederlandse grafici. Meestal gaat dit vergezeld van een lezing over zijn eigen werk. Hoewel hij in 1947 aan zijn vriend Bas Kist schreef geen groot spreker te zijn, ontpopt hij zich in deze jaren als een spreker die volle zalen trekt. Hij blijkt zijn prenten zeer helder en boeiend te kunnen toelichten en heeft er zelf ook in toenemende mate plezier in. Deze lezingen gaan nooit voor de vuist weg. Hij bereidt ze zorgvuldig voor en schrijft ze grotendeels uit. Sommige manuscripten daarvan zijn bewaard gebleven. Hier volgen fragmenten uit een voordracht die hij op 16 november 1953 houdt voor de 'Vrienden van het Stedelijk Museum' te Alkmaar, bij gelegenheid van een tentoonstelling aldaar.

'Als iemand, van zijn jeugd af, zich op grafische wijze heeft uitgedrukt; als hij dus vele jaren lang visueel waarneembare beelden heeft gemaakt en zich daarbij steeds heeft bediend van die typische grafische middelen, waarbij een houtblokje, een koperplaatje of een lithografische steen te pas komt en drukinkt en een drukpers en allerlei soorten papier om op af te drukken, dan wordt die techniek ten slotte een tweede natuur voor hem. Natuurlijk moet, ten minste in het begin van zijn loopbaan als graficus, de techniek allerbelangrijkst voor hem geweest zijn, anders zou hij er zich niet op hebben gespecialiseerd. Ook moet hij zich, door de jaren heen, met een nooit aflatende liefde blijven bedienen van het specifieke medium dat hij gekozen heeft en hij zal zonder twijfel zijn leven lang een technisch meesterschap nastreven dat hij nooit volkomen zal verwerven.

Maar ondertussen blijft al die techniek slechts middel en geen doel. Het doel dat hij zich stelt is wat anders dan een technisch volmaakt uitgevoerde prent. Zijn doel is: dromen of gedachten of problemen voor anderen waarneembaar te maken en aan anderen mee te delen. De illusie, die een kunstenaar aan zijn medemensen wil suggereren, is veel subjectiever en veel belangrijker dan de objectieve stoffelijke middelen waarmee hij haar tracht te bereiken. Het is over zulk een hyperpersoonlijke zaak dat ik vanavond graag wil praten.



Twee voorstudies voor de tweekl;euren houtgravure Spiralen

In april van dit jaar heb ik hier in Alkmaar in deze zelfde zaal gesproken voor de leden van het Genootschap «Fysica» en het zal vandaag wel bijna een letterlijke herhaling worden van wat ik toen gezegd heb. Daarom hoop ik maar dat er nu geen enkele toehoorder is die er toen ook bij was. Ik voelde mij in zekere zin beter op mijn plaats in dat gezelschap van mensen, waarvan ik aanneem dat zij voornamelijk exact georiënteerd en geïnteresseerd waren. Dat klinkt misschien vreemd in de mond van iemand die men geneigd zou zijn, uit hoofde van zijn beroep, te rekenen tot de groep der gevoelsmensen, maar ik heb dikwijls de gewaarwording van dichter te staan bij mensen die de exacte wetenschappen beoefenen (al doe ik dat zelf ook allerminst), dan bij mijn eigen collega's. Nu wil ik u straks graag een soort prentenboek laten zien, in de vorm van een reeks lantaarnplaatjes, grotendeels van mijn grafische prenten. In die beelden zal ik dan trachten aan te tonen, dat ze zijn ontstaan uit een grote belangstelling voor wetmatigheden in de natuur en voor meetkundige ritmen in de ruimte en op het platte vlak.

Maar vóór ik overga tot het projecteren van die verbeeldingen, zou ik nog een poging willen wagen tot objectivering, als een soort van voorwoord van het prentenboek dat daarna zal volgen. Het ligt in de aard van de mensen om met elkaar van gedachten te willen wisselen en ik geloof dat elke kunstenaar, in de grond van de zaak, niets anders wil, dan zijn medemensen vertellen wat hij op z'n hart heeft. Ik heb schilders wel eens horen beweren dat ze «voor zichzelf» werken, maar ik denk dat ze gauw uitgeschilderd zouden raken, als ze op een onbewoond eiland zaten. Bij alle uitingen van kunst, of het nu muziek, literatuur of beeldende kunst betreft, gaat het er in de eerste plaats om: een mededeling aan de buitenwereld te doen, dat wil zeggen: een persoonlijke gedachte, een treffend idee, een innerlijke ontroering voor anderen zintuigelijk waarneembaar te maken en wel op zo'n manier, dat men niet in onzekerheid blijft omtrent de bedoeling van de vervaardiger. Het ideaal van de kunstenaar is: een kristalheldere uiteenzetting te geven van wat hem bezielt. Kunstenaarschap wordt dus niet alleen bepaald door de kwaliteit van de gedachten die men zo graag aan een ander wil vertellen, want iedereen kan de prachtigste, de ontroerendste denkbeelden in z'n hoofd hebben, maar niet ieder is in staat om ze zó te uiten, dat ze, niet verminkt, tot een ander mens doordringen.

Het resultaat van de worsteling tussen gedachte en vermogen-om-uit-te-beelden, tussen droom en werkelijkheid, is zelden méér dan een compromis of een benadering. Er is dus weinig kans op dat het ons lukken zal, om ons verstaanbaar te maken voor een groot publiek en doorgaans zijn wij al heel tevreden als wij begrepen en gewaardeerd blijken te worden door een klein aantal gevoelige en ontvankelijke mensen. Maar niet alleen mankeert het ons aan helderheid in ons betoog, het mankeert ons ook aan eenheid van richting. Wij kunnen, voorlopig althans, niet meer samen een kathedraal bouwen, daargelaten of de mensen in de tijd waarin dat wél kon, zoveel gelukkiger waren dan wij. Maar het is onrechtvaardig om de kunstenaars een verwijt te maken van hun verdeeldheid. Wat de kunstenaar maakt, is een spiegelbeeld van wat hij om zich heen ziet en men kan, in een gistende, verwarde tijd als de onze, geen eensgezindheid en collectieve bezieling van de kunstenaars verwachten, als zij, om zich heen, niets dan verdeeldheid en chaos zien. Ik geloof dat veel mensen, als ze een museum bezoeken, dat doen in de hoop dat ze een rust en een bezonken schoonheid zullen vinden, die zij in hun dagelijkse leven missen. Zij zoeken in de kunst dikwijls een ontspanning van hun zenuwen, een middel om op adem te komen, ze hebben behoefte aan iets van een hogere orde dan er in de bioscoop of op de radio meestal te vinden is. En als ze dan, in de musea voor moderne kunst, verwrongen en krampachtige voorstellingen aan de wand zien hangen, dan zijn ze ontgoocheld en dan verwijten ze de moderne kunstenaars, minder talent te hebben dan hun voorgangers uit vroegere eeuwen. Zij vergeten dat de kunstenaar net zo gejaagd en gespannen leeft als zijzelf en zij zien niet dat de spiegel die hun wordt voorgehouden, waarschijnlijk een zuiverder beeld geeft van de wereld die ons omringt dan de spiegel die de kunstenaars uit vorige perioden aan hun tijdgenoten voorhielden. Daar komt nog bij dat er, voor het ontwikkelen van talent, een rust en een concentratie nodig is, waartoe in onze tijd maar weinig mensen kunnen komen. 


Vlakverdelinghstudie, tekening, augustus 1954. Escher gebruikt dit motief ook voor een vignet in houtsnede


Van allerlei materialen contrueerd Escher regelmatige ruimtelijk figuren. Hier staan er een paar voor hem op zijn werktafel

Er bestaat dus ongetwijfeld een min of meer gespannen verhouding tussen de kunstenaars en hun publiek. Maar waarom zouden wij hen eigenlijk, als een klein groepje, apart stellen tegenover de grote massa van hun tijdgenoten? Juister lijkt het mij om andere groeperingen tussen de mensen op te merken. Er is een contrast te constateren tussen twee groepen van mensen, die wij uit de massa kunnen losmaken, die wij onderling kunnen scheiden en met elkaar vergelijken omdat ze ideeën en opvattingen hebben, die verschillend georiënteerd blijken te zijn. Het is mij niet gelukt om twee typerende namen voor hen te bedenken. De woorden «rationalisten» en «sentimentelen» bijvoorbeeld, drukken niet uit wat ik bedoel. Bij gebrek aan beter, heb ik ze tenslotte maar «begripsmensen» en «gevoelsmensen» gedoopt, maar hun karakter kan pas uit hun beschrijving blijken. Met «gevoelsmensen» duid ik aan: een groep die, te midden van alles wat hun eigen persoon omringt, het meeste belang stellen in de verhouding van zichzelf tot hun medemensen en in het algemeen in de verhouding van mens tot mens. De niet direct menselijke verschijnselen van de buitenwereld, de natuur, de materie, de ruimte, zien zij wel-is-waar, maar het zegt hen allemaal niet zo érg veel, ze beschouwen het als iets van secundair belang, ze vatten het op als een enscenering, als een complex van attributen waarvan het doel is om er de mens in te doen uitkomen. Zij worden daarentegen sterk geboeid door alle mogelijke problemen waarvoor de mensen in hun samenleving komen te staan. Ik noem ze «gevoelsmensen», omdat ik meen dat allerlei begrippen, waar ze zich voor interesseren, zoals: maatschappij, staat, religie, recht, handel, en kunst meestal ook, in de eerste plaats te maken hebben met gevoelsverhoudingen tussen de mensen. 

Kunstenaars behoren grotendeels tot deze groep. Dat blijkt uit de voorkeur die zij, sinds onheuglijke tijden, hebben voor het uitbeelden van de menselijke gelaatsuitdrukking en de menselijke gestalte, meer dan voor iets anders; zij worden geboeid door het specifiek menselijke, door het lichamelijke zowel als door het psychische. Maar ook al beelden zij niet direct de mens zelf uit, ook al beschrijft de dichter een landschap en zelfs al maakt de schilder een stilleven, bijna altijd benadert hij zijn onderwerp vanuit zijn belangstelling voor de mens. 

Het lijkt misschien paradoxaal om te beweren dat dichterlijkheid en handelsgeest punten van overeenkomst vertonen, maar het is toch een feit, dat de handelsman zowel als de dichter, voortdurend bezig zijn met problemen die onmiddellijk op de mens betrekking hebben en waarvoor in de eerste plaats gevoeligheid nodig is. Men noemt de handelsgeest soms koel, nuchter, berekenend, hard, maar misschien zijn dat juist eigenschappen waarover men moet beschikken in de omgang met mensen als men wat wil bereiken, omdat men daarbij steeds te doen heeft met dat geheimzinnige, onberekenbare, duistere, verzwegene, waarvoor geen exacte formule te vinden is maar dat, in de grond van de zaak, hetzelfde menselijke element is dat de dichter inspireert.

En dan is er die andere groep, waaraan ik de gebrekkige naam van «begripsmensen» heb gegeven. Daartoe reken ik hén, die menen dat zij aan de niet-menselijke natuurverschijnselen, aan de aarde waarop zij leven en aan het heelal dat hen omringt, een eigen, van de mens onafhankelijke, betekenis mogen toekennen. Tot deze groep spreekt de stof, de ruimte, het heelal, in een eigen taal. Zij staan receptief tegenover die buitenwereld, zij nemen haar aan als iets dat objectief bestaat, buiten de mens om, dat ze niet alleen zien, maar ook met aandacht bekijken, dat zij kunnen bestuderen en dat zij eventueel zelfs, stukje bij beetje, trachten te doorgronden. Zij zijn bij machte zichzelf daar hij in sterkere mate te vergeten dan een gevoelsmens dat meestal kan. 

Als iemand zichzelf vergeet, dan wordt hij daardoor volstrekt geen altruïst; als een begripsmens zichzelf vergeet, dan vergeet hij meteen ook zijn medemensen, hij verliest zich en zijn menselijkheid door op te gaan in zijn object. Hij is in zekere zin dus contemplatiever aangelegd dan een gevoelsmens. Ieder die zich met aandacht en belangstelling richt op de stoffelijkheid in 't algemeen en wiens bezigheid hem daarbij niet direct noodzaakt om er de mens in te betrekken, hoort erbij. Een fabrieksarbeider of een timmerman kan er even goed toe behoren als een chemicus of een astronoom. Het zijn mensen voor wie de wereld zó reëel en tastbaar is, dat zij zich er meestal geen rekenschap van geven hoe subjectief of alles nochtans blijft. Want, voor zover ik weet, is er geen enkel bewijs van het bestaan van een objectieve realiteit buiten onze zintuigen om en ik zie niet in waarom wij de buitenwereld als zodanig zouden moeten aanvaarden, enkel en alleen bij de gratie van onze zintuigen.

De realiteitsliefhebbers spelen dus misschien wel verstoppertje; in elk geval verstoppen ze graag zichzelf, hoewel ze zich daar meestal niet van bewust zijn. Ze doen het eenvoudig omdat ze nu eenmaal geboren zijn met realiteitszin, d.w.z. met een grote belangstelling voor de zogenaamde werkelijkheid, en omdat het een genot voor de mens is om zichzelf te vergeten. Maar het is best mogelijk dat er soms onderbewuste factoren van angst voor de duistere, ondoorgrondelijke menselijkheid in meespelen, waarvoor ze op de vlucht geslagen zijn. Desillusie, vermoeidheid, onmacht en andere remmingen, van allerlei aard, kunnen hen ertoe gebracht hebben om rust en verademing te zoeken in de omgang met zaken die minder gecompliceerd zijn en waaraan je meer houvast hebt dan aan het raadsel dat de mens zelf is. In deze omschrijvingen heb ik geprobeerd om de kenmerken van de twee groepen scherp te laten contrasteren. En inderdaad geloof ik, dat er, bijvoorbeeld tussen beoefenaars van de exacte wetenschappen en die van de kunsten, een zekere tegenstelling bestaat. Er is dikwijls zelfs wederzijds een korzeligheid, een geïrriteerdheid en soms een geringschatting, van de een voor de ander, te bespeuren. 

Maar gelukkig bestaat er in werkelijkheid geen enkel individu dat alléén maar gevoelseigenschappen, of alléén maar begripskenmerken heeft. Ze vloeien in elkaar over als de kleuren van de regenboog en vertonen zich niet scherp gescheiden. Er bestaat misschien zelfs wel een typische overgangsgroep, zoals het groen tussen het geel en het blauw van die regenboog. Die overgangsgroep heeft geen bepaalde voorkeur voor gevoel onbegrip, maar meent dat zij het, zonder de een, noch zonder de ander, stellen kan. Zij is in alle geval onbevooroordeeld genoeg, om een betere verstandhouding tussen beide partijen te wensen. 

Het blijkt, dat gevoel en begrip geen tegenstellingen behoeven te zijn, maar dat zij elkaar aanvullen. Men hoeft geen natuurkundige te zijn, om het wonder van de zwaartekracht te beleven, maar met behulp van ons verstand, kan het besef van een wonder dieper worden, en ik weet niet of het waar is, maar ik stel mij soms voor, dat er wetenschappelijke onderzoekers zijn, die langs de wegen der zogenaamde koele verstandelijkheid en misschien zonder dat zij het beseffen, méér zoeken naar de diepte van een mysterie, dan naar de oplossing van een vraagstuk. In de dagelijkse sleur van ons bestaan kan niemand voortdurend in een staat van receptiviteit verkeren. Meestal lopen wij gedwee te slaapwandelen in een tredmolen, zoals het type van de onverschillige mens dat zijn leven lang doet, zonder er ooit uit te komen. Maar opeens zijn wij dan in staat om de verdoving van ons áf te schudden. Het is dan of alles van ons afvalt, wat wij, langzaam, met pijn en moeite, hebben moeten leren om maatschappelijk in de pas te kunnen lopen, alsof wij plotseling weer onbevangen, ontvankelijke kinderen worden, die een boeiend spel spelen, zonder diepzinnigheid en zonder geleerdheid. De aarde zelf, die machtige aardkloot, is voor onze fantasie al voldoende. Ik zie hem in mijn verbeelding soms zweven als een reusachtige sinaasappel, statig en stil door de zuivere leegte om hem heen. Ik zie hem langzaam wentelen, aan één zijde steeds gekoesterd door z'n moeder, de zon. Slierten en flarden van wolken omgeven hem en daartussendoor schemeren de glinsterende zeeën en de veelkleurige vastelanden, met hun dampige vlakten en besneeuwde bergtoppen. Het is een fantastisch schouwspel van louter schoonheid en vreugde.'


In 1949 ontwerpt Escher dit gobelin voor weverij Ed. de Cneudt in Baarn. Hierboven de werktekening



Het resutaat, een gobelin, gemaakt door weverij de Cneudt uit Baarn 1950 en thans in het bezit van Gemeente Museum Arnhem

 

TENTOONSTELLINGEN

In 1954 ontstaan maar twee zelfstandige prenten, maar het is voor de verspreiding van Eschers werk een druk en belangrijk jaar. In september wordt op initiatief van het Internationale Mathematische Congres te Amsterdam in het Stedelijk Museum een grote eenmanstentoonstelling van zijn werk gehouden. Er is een goed verzorgde catalogus bij, met een voorwoord van de Amsterdamse hoogleraar in de wiskunde N. G. de Bruijn, waarin deze onder meer schrijft: 'Het zijn niet slechts de geometrische motieven die de wiskundigen zullen boeien. Belangrijker is misschien dezelfde speelsheid die overal in de wiskunde opduikt, en voor een groot deel der wiskundigen de charme van hun vak betekent. Het zal de leden van het congres veel genoegen doen hun eigen gedachten te herkennen, uitgebeeld met geheel andere middelen dan degene waarmee zij gewend zijn te werken.'


Vlinders, ingekleurde tekening; een 'omgekeerde cirkellemiet'.

Escher houdt op het congres ook weer een voordracht over zijn werk en oogst daarmee veel succes. Het levert hem vele nieuwe kopers op en vooral ook vrienden in de mathematische wereld. Eén van de belangrijkste daarvan is de Canadese professor H. S. M. Coxeter, die zeer onder de indruk is van Eschers beeldgedachten. Deze blijft met hem in contact, wijst hem de komende jaren telkens op literatuur, reageert op nieuwe prenten en doet hem soms ook een idee aan de hand voor een nieuwe prent.


In de zomer van 1950 brengt Escher een vakantie door in Les Eyzies, Frankrijk, waar hij op 26 juli deze tekening maakt

Bijna even belangrijk is zijn eerste eenmanstentoonstelling in de Verenigde Staten. Deze vindt in oktober en november plaats in de Whyte Gallery te Washington en heeft eveneens een enorm succes. Het initiatief tot deze tentoonstelling is genomen door Charles Alldredge, een Amerikaan die op Eschers werk geattendeerd is door de artikelen in Time en Life in 1951. Hij is met Escher gaan corresponderen en koopt zijn werk. Bovendien ontwikkelt hij zich tot een soort manager van zijn belangen in de Verenigde Staten. Hij heeft de eigenaar van de Whyte Gallery nu weten te overreden tot het houden van een tentoonstelling. Van zijn kant bewerkt Escher de Nederlandse ambassadeur te Washington om op de opening van de tentoonstelling aanwezig te zijn. Hij maakte daarbij gebruik van de vroegere gezant te Rome, mr. J. A. N. Patijn, die hij goed kent. In zijn brief aan de ambassadeur vraagt hij meteen om inlichtingen omtrent de betrouwbaarheid van de Whyte Gallery. De ambassadeur reageert positief en deelt hem mee dat de Whyte Gallery goed bekend staat. De tentoonstelling zou eerst in het voorjaar plaatsvinden, maar wordt verschoven naar het najaar. Hij wordt tenslotte op 7 oktober 1954 geopend door de heer Teixeira de Máttos, eerste ambassade secretaris in Washington.


In 1951 ontwerpt Escher voor de jubilerende Phillips een plafondversiering, een vlakverdeling in vier kleuren. Hier de ontwerptekening

Al vóór de opening zijn talloze prenten verkocht. Op 10 september 1954 schrijft Alldredge vol verbazing: 'Er is nu ongeveer een derde van uw prenten verkocht. Dat is heel opmerkelijk, vind ik. Ik had gedacht dat ze misschien alleen bij een bepaald publiek in de smaak zouden vallen, maar ik merk dat de belangstelling breder is dan ik waarschijnlijk had geacht.' Hij raadt Escher in deze brief af, een vaste verbintenis aan te gaan met de Whyte Gallery en meldt dat hij Time Magazine heeft geadviseerd om iemand naar de Amsterdamse tentoonstelling te sturen. 

Op 26 september vertrekt Escher uit Antwerpen op de Giosue Borsi, een vrachtboot van de Italiaanse maatschappij Tirrenia, voor een zeereis naar Napels. Vandaar reist hij over land terug naar Baarn. Het is voor het eerst na de oorlog, dat hij weer eens zo'n zeereis maakt en hij geniet ervan. De komende jaren zal hij in de zomermaanden telkens een dergelijke zeereis herhalen. In Rome, dat hij onderweg aandoet, wordt hij op het Nederlands Historisch Instituut opgewacht door correspondenten van Time-Life, die hem interviewen voor een artikel over zijn werk, dat op 25 oktober in de 'Atlantic Edition' van Time verschijnt.


Thuisgekomen treft Escher enthousiaste berichten aan van Teixeira de Mattos en van Alldredge. Er zijn meer dan honderd prenten verkocht, en er worden al plannen voor nieuwe tentoonstellingen gemaakt. Hij is er beduusd van, maar krijgt het ook benauwd bij het idee van de vele afdrukken die gemaakt zullen moeten worden, wat weinig tijd zal overlaten voor het ontwerpen van nieuwe prenten. Als rem stelt hij een drastische verhoging van de prijzen voor. Ook dit zal de komende jaren telkens weer herhaald worden, en telkens met even weinig effect; men blijft kopen.

 Wat hem veel plezier doet, is dat Teixeira de Mattos hem enige informatie, en bijzonder gunstige, over zijn promotor Alldredge geeft. In zijn brief van 18 oktober 1954 schrijft eerstgenoemde: 'Bij de opening van de tentoonstelling, de volgende dag, had ik gelegenheid om de heer Alldredge iets beter te leren kennen. Hij maakt een voortreffelijke en zeer sympathieke indruk. Hij is adviseur van Senator Kefauver en beschikt over uitstekende relaties. Zijn hobby is om levende kunstenaars te ontdekken. Eén van zijn ontdekkingen is de zeer bekende schrijfster Rachel Carson, die het boek The Sea Around Us schreef, thans een bestseller, die hiermede een fortuin verdiende. Zijn belangstelling voor u is geheel om der wille van de kunst en hij verwacht hier beslist geen beloning voor. Ik geloof, dat u zich inderdaad gelukkig kunt achten de heer Alldredge als promotor en bewonderaar achter u te hebben staan.'


Escher antwoordt zowel Teixeira de Mattos als Alldredge uitvoerig, en beiden biedt hij prenten ten geschenke aan. Aan Alldredge schrijft hij op 3 november 1954 onder meer het volgende. 'Ik ben me ervan bewust dat ik u heel veel dank verschuldigd ben; in feite is het hele succes uw werk. Graag zou ik mijn gevoelens laten blijken uit meer dan woorden alleen, maar het lijkt me haast onmogelijk om u voldoende duidelijk te maken hoe dankbaar ik u ben.


Toch wil ik een poging doen. Het zou me erg gelukkig maken als u ten minste drie van mijn prenten zou willen aanvaarden. Ik verzoek u een keus te maken en mij te schrijven welke u de mooiste vindt. Hartelijk dank voor de cheque van de heer uit Oklahoma, aan wie ik morgen de vier door u opgegeven prenten zal sturen. Ik ben erg blij dat u al zelf het initiatief hebt genomen om de prijs van deze vier prenten te verhogen; dit zal ook met alle andere prenten moeten gebeuren, en vooral met de litho's, waarvan er nog maar weinig over zijn. Wat de houtsneden en de houtgravures betreft, het kost me te veel tijd om er nieuwe afdrukken van te maken, en bovendien heb ik weinig zin om de rest van mijn leven door te brengen als afdrukmachine; ik wil graag nieuw werk maken. Alleen al voor de twee tentoonstellingen van Amsterdam en Washington was ik bijna twee maanden kwijt aan het dag in dag uit opnieuw afdrukken van oude houtsneden! Minder verkopen tegen hogere prijzen lijkt haast de enige manier om meer vrijheid te krijgen.'


In een brief van 14 december 1954 aan Alldredge geeft Escher nog een omstandigheid aan, die het hem moeilijk maakt in deze maanden nieuw werk te creëren. 'Een tweede reden waarom het moeilijk wordt om naast het opnieuw afdrukken van houtsneden, het schrijven van brieven en het verzenden van prenten mijn gedachten op mijn werk te richten, is dat we al gauw een nieuwe woning krijgen, een klein huis dat we hebben laten bouwen [aan de Van Heemstralaan nummer 28] en dat bijna klaar is, met een groter en beter atelier dan waarover ik in dit oude huis beschik. Het zal nog twee maanden duren van druk bezig zijn voordat mijn vrouw en ik ons rustig hebben geïnstalleerd in onze nieuwe behuizing. Ik ben er vrijwel zeker van dat er voor het zover is, geen tijd overblijft om regelmatig en zonder voortdurende onderbrekingen te werken.' 

 

ARTHUR NAAR INDONESIË 

Eind 1954 vertrekt Arthur, die zijn geologische studie te Lausanne heeft voltooid, naar Billiton in Indonesië om daar voor de Billiton Maatschappij te gaan werken. Hij zal vier jaar in Indonesië blijven; gedurende deze periode schrijft Escher zijn zoon regelmatig uitvoerige brieven, waarvan een groot deel bewaard is gebleven, omdat hij meestal, zoals bij vrijwel al zijn correspondentie, voor zichzelf een kopie maakt. Een van de laatste brieven in 1954 is er één aan Arthur.

Baarn 23-12-1954 | 'Nu maar weer eens een vervolg op het vorige bericht, aangaande ons wel en wee. Gelukkig meer wel dan wee; eigenlijk helemaal geen wee, behalve de hoge a's van deze schrijfmachine.

Het had erg wee kunnen worden, dezer dagen, als ons nieuwe huis de regen storm proef, waaraan het werd onderworpen, minder goed had doorstaan dan het gelukkig gedaan heeft. Ze (de gespecialiseerde pannendekkers bedoel ik) hadden namelijk net een hele dag lang de hele vracht pannen in nette, kleine stapeltjes, op het hellende dak neer gezet, met het oogmerk om ze de volgende dag definitief te plaatsen, toen er des avonds een soortement orkaan of te wel vliegende storm losbrak. Als je je herinnert hoe het, bijna horizontale, bovenraam van mijn atelier zich bijkans onder het dak van het rompgebouw bevindt en als je je tevens voorstelt, hoe die losse stapeltjes van telkens acht pannen, daar hadden kunnen gaan glijden en één voor één al mijn ruiten in gruzelementen hadden kunnen gooien, dan begrijp je zeker wel dat ik die nacht een slaappil heb ingenomen. De voorzienigheid heeft echter blijkbaar onze familie persoonlijk willen beschutten, want de volgende morgen was er niets kapot en zelfs geen enkel stapeltje verschoven. Van wetenschappelijke zijde (George) vernam ik wel is waar dat hier geen enkel mirakel is geschied, maar voor mij blijft de vinger des Heren zichtbaar. Afkloppen is echter terdege geraden, want, na enige uren rust, is de storm momenteel weer opnieuw losgebroken en de pannen liggen nu wel op hun plaats, maar zijn nog niet vastgezet. Wie weet wat er dus nog allemaal kan gebeuren.

Mijn Amerika drukte begint te luwen. En dat is maar goed, want op de duur begint dat gesjacher om dollars toch te vervelen. Tussen de bedrijven door ben ik begonnen aan een nieuwe prent te werken, waarvan de grondgedachte mij aan de hand werd gedaan door een van de geleerde proffen der mathematica, waarmee ik, tijdens mijn tentoonstelling in Amsterdam, als frère et compagnon verkeerde. De titel zal waarschijnlijk luiden «Convex en Concaaf», en het gaat om het algemeen bekende verschijnsel van een ruimtelijke suggestie, welke men, naar believen, zich hol of bol kan voorstellen. In het midden van mijn voorstelling teken ik de vormen zodanig, dat de beschouwer ze met evenveel recht convex als concaaf kan zien; naar rechts gaande dwing ik hem tot een «bolle» (bijvoorbeeld «kubus-van-buiten»)-zienswijze, naar links tot een «holle» (kubus-van-binnen» )-dito.'


Voorstudie voor de mezzotint vlakvuling 1,tekening maart 1951

 Lees meer→