M.C. Escher

Zeereis

De Zeereis naar Canada 1960

De zee speelt in Eschers leven een grote rol. Bij belangrijke wendingen en hoogtepunten is zij nooit afwezig. In het jaar 1922 gaat hij over zee naar Italië om zich daar min of meer te vestigen. Wanneer hij uit Italië vertrekt en er zich in Zwitserland en België een belangrijke wending in zijn werk voltrekt, is er de lange boeiende reis naar Spanje in het voorjaar van I936. In het cruciale jaar 1954 vindt de tentoonstelling in Amsterdam plaats, tijdens het internationale mathematische congres, en de eerste tentoonstelling de Verenigde Staten; dan maakt hij in de herfst ook voor het eerst na de oorlog weer een zeereis. 

Zo is 1960 een hoogtepunt in zijn bestaan, niet alleen door zijn optreden in Cambridge, Toronto en Cambridge (Mass), maar ook oor de zeereis van zeven weken die hij in de nazomer maakt: zijn langste tot dusver. In maart 1961 houdt hij er een prachtige voordracht over voor zijn Baarnse Rotaryclub. De tekst daarvan is bedaard gebleven en volgt hier in zijn geheel. Een enkele passage lijkt sterk op een eerder citaat, maar dat is geen bezwaar. De voordracht is een soort samenvatting van zijn passie voor zeereizen en vol met schitterende observaties, kernachtig verteld met die typische Escheriaanse mengeling van intense betrokkenheid en afstandelijkheid. Kenmerkend is ook de opbouw van het verhaal: niet chronologische maar systematisch. Na een inleiding over de sensatie van het reizen op zee, volgen eerst observaties van de mensen; dan van de een de dieren, dan van de natuurverschijnselen, de sterrenhemel de maan; tenslotte neemt hij afstand tot de aarde en het leven daarop en werpt hij een blik daarop vanuit de immense leegte eromheen, waarin hij zich dan verbeeldt aanwezig te zijn. Deze opbouw van het verhaal, eindigend in een beeld van de 'zuivere' leegte, is zeer typerend voor zijn levensgevoel. 

 

ESCHERS VOORDRACHT: 

Ik wou wat vertellen over mijn reis naar Canada in het najaar van 1960. In zeven weken ben ik per vrachtboot naar Montreal gereisd en vandaar in zeven uren weer terug per vliegtuig. Mijn reis had een drieledig doel: ten eerste de kennismaking met mijn kleindochter, die acht maanden oud was toen ik haar voor het eerst aanschouwde (ze leeft met haar ouders in St. Andrews east, vijfenzeventig kilometer ten westen van Montreal). Ten tweede heb ik mijn 'zaken' behartigd, door lezingen over mijn werk te houden in Engeland, de VS en Canada, en ten derde heb ik zes weken lang geluierd op een vrachtboot. Het is over die vakantietocht, dat ik het hier wil hebben. 

Om te beginnen wat over het reizen als passagier op een vrachtschip in 't algemeen. 

We hebben Wijsmuller al ettelijke malen boeiend en zelfs spannend gehoord over zijn leven en zijn avonturen als beroepszeeman. Misschien is het wel aardig, om nu eens te proberen het reizen op zee van een andere kant te belichten en de indrukken weer te geven van een landrot die, als hij de kans krijgt, liefst elk jaar zijn vakantie op zee doorbrengt. Het spijt mij, dat ik mijn relaas moet voorlezen, omdat ik mij echt niet in staat acht mijn herinneringen voor de vuist weg op te halen. In de afgelopen weken heb ik er telkens op verloren ogenblikken, bij stukjes en beetjes aan zitten schrijven en dat geeft het hele geval misschien iets fragmentarisch -maar vooruit, we zullen het beste ervan hopen. Zo'n schriftelijk verhaal heeft bovendien voor mijzelf het voordeel, dat ik mijn indrukken eindelijk eens vastleg, vóór ik ze vergeet. 

Als ik mij afvraag, waarom toch zo'n zeereis de beste vakantiebesteding is, die ik mij kan voorstellen, en waarom of ik elk jaar opnieuw als de zomer nadert, zo'n sterk verlangen naar de zee krijg, dan kan ik verscheidene antwoorden geven. 

Ten eerste vind ik het onzinnig, dat wij, op een aardbol die voor zeventig procent met water is bedekt, niet elke gelegenheid die zich voordoet zouden aangrijpen, om te ondervinden hoe het eruit ziet op dat water. (Aan de andere kant ben ik maar blij dat verreweg de meeste vakantiegangers op de vaste wal blijven, want anders zou het weldra op zee niet meer te harden zijn.) 

Ten tweede bestaat er, voor mijn smaak, geen beter vervoermiddel en geen betere verblijfplaats, dan een vrachtboot, als men behoefte heeft aan rust. Geen auto, geen trein, geen vliegtuig en, als verblijfplaats, ook geen hotel; geen berghut en geen kampeertent, kan het in de verste verte halen bij een ruime boot met een gering aantal passagiers, als het erom gaat zich te distantiëren van en het contact tijdelijk te verbreken met het overbevolkte land waarin we rondkrioelen en ons vermoeien. Let wel, ik zeg: een ruime boot, met weinig passagiers, want een vrachtschip met vijftig reizigers beantwoordt al niet meer aan het gestelde doel, om van een mailboot maar helemaal niet te spreken. Ik kan met geen woorden het gevoel van gelukzaligheid beschrijven, dat mij bevangt, telkens opnieuw, bij het begin van zo'n reis, als ik voor het eerst mijn hut binnenkom. Zo'n gevoel van eindelijk eens rustig te kunnen uitblazen, weken lang geen verantwoordelijkheid meer te hoeven dragen, onbereikbaar te zijn voor de telefoon, de brieven, de afspraken, de dagelijkse plichten; geen kranten meer te hoeven lezen, geen nieuwsberichten meer te hoeven horen. (Radiotoestellen zijn er echter meestal genoeg aan boord; je hoort ze wauwelen, janken en galmen uit elke officiers hut waar je langs komt, maar je hoeft er niet meer naar te luisteren, want je bent immers met vakantie op reis? Drie maanden lang heb ik naar geen enkele uitzending geluisterd en geen enkele krant gelezen, behalve de cartoons en de griezel beeld trips in de Canadese krant van mijn zoon in St. Andrews. Trouwens: je schiet er niets mee op, als je de krant leest. Toen ik vertrok was het Loemoemba vóór en ná, en toen ik terug kwam was het nog steeds Loemoemba. En zelfs nu, nóg eens vier maanden later, hebben ze het nog steeds over Loemoemba.) 

Op zo'n schip hoef je zélf geen enkele beslissing meer te nemen. Dat doen de kapitein en de steward wel voor je. Waar ze je naar toe brengen, weetje van te voren natuurlijk wel zo'n beetje, maar niet eens zeker, want soms krijg je een haven cadeau, die vooraf niet op 't programma stond en soms slaan ze er een over die op 't lijstje staat. Waar ze je heen brengen is trouwens minder belangrijk dan dát ze je gewoon maar rondvaren. Als je op reis gaat met de wens van: dit bepaalde museum wil ik zien en dát bepaalde festival wil ik bijwonen, dan doe je beter een ander vervoermiddel te kiezen dan een vrachtboot, want die is nagenoeg nooit op tijd en wijzigt zijn route onderweg nog dikwijls ook. Wees er tevreden mee, dat je, meestal, voortreffelijk verzorgd wordt en probeer, na maanden lang actief te zijn geweest, je zo passief mogelijk te gedragen. Het gekke is, dat je dan, na een proeftijd van een week of zo, een ontvankelijkheid krijgt, die je in staat stelt je weer eens écht te verwonderen, d.w.z. de wonderen die je omringen, de drie dimensies bijvoorbeeld (de zogenaamde 'werkelijkheid'), intenser te beleven dan je durfde hopen dat mogelijk is. 

Bij kalme zee is het landschap (zeeschap?) schijnbaar eenvoudig en zelfs eentonig, soms met verre, soms met nabije kusten, maar meestal zonder enig land in zicht. Je voelt, dat je 'los' bent, niet alleen los van zorgen, maar ook los van de vastheid van de aardkorst. Het is een heerlijke sensatie om onder het schip de vloeibaarheid van het water te voelen. Overdag aan dek en 's nachts in je bed, altijd manifesteert zich die weldadige losheid. De bewegingen van het schip variëren van wiegen en deinen, tot slingeren en stampen, maar onbeweeglijk is het nooit tijdens de vaart. En dan ga je observeren en in je opnemen al die natuurfenomenen om je heen: die oneindige variatie van golven en golfbewegingen en je kijkt eindelijk weer eens naar de hemellichamen, de zon, de maan en de sterren, en je ziet de levende wezens in en op de zee, de vissen en de vogels. En dan, als afwisseling, herneemt de boot een tijdelijk contact met het vaste land en je geniet van het binnenlopen in de havens en je kijkt je ogen uit naar de grote steden vol mensen, naar het lossen en het laden, en je luistert naar het lawaai en vanuit je geprivilegieerde positie sla je al die herrie gade, waaraan je nu eens niet hoeft mee te doen en je denkt bij jezelf: tobben jullie maar, beulen jullie je maar af; morgen vaar ik weer weg uit dit rumoer, uit deze stank. 

Wat is het plezierig om zo'n vreemde (of ook soms bekende) stad in te slenteren en op een bankje te gaan zitten, in een parkje of op een plein. Soms kun je een woordje keuvelen met een onbekende die naast je zit, als het toevallig een land is waarvan je de taal kent. Of je kijkt zo maar een beetje doezelig naar het drukke verkeer en dat bekende, eigendommelijke en beangstigende gevoel van de personificatie bekruipt je voor de zoveelste maal: Ben ik het? Wat is 'ik'? Wie is het, die hier zit en die zich zo mateloos en nameloos verwondert? Als het dan een beetje te gortig wordt, dan stap je maar op (en dan ga je misschien een glaasje drinken in een kroegje, helemaal verloren in een luidruchtig gezelschap van een ander slag mensen, die wél weten wie ze zijn). En dan kuier je terug naar de haven in de zoele nacht en je klautert de scheepstrap weer op en in je propere, geriefelijke hut denk je: morgen zijn wij weer op de schone, smetteloze zee, in de zuivere zilte lucht; en ik ga nog lang niet naar huis, integendeel: ik ga steeds verder van huis weg en ik begin nu, na een week op reis te zijn, pas echt m'n eigen gepreoccupeerde, actieve en jachtige 'ik' te verliezen. 

Nu moeten jullie geen beschrijving van dag tot dag verwachten van de zeereis die ik maakte van eind augustus tot half oktober 1960, van Genua naar Vancouver, op een Italiaanse boot. In plaats van mijn indrukken chronologisch te vertellen, wil ik mijn herinneringen liever op een andere manier rangschikken. Laat ik dan beginnen met wat te zeggen over

 

HET SCHIP EN DE MENSEN AAN BOORD 

Twee weken voor ik mij inscheepte was mijn vrouw al, per vliegtuig, direct naar Montreal vertrokken, om zo lang mogelijk van haar kleinkind te genieten, en 29 augustus stapte ik in Genua aan boord van de Paolo Toscanelli, één van de vier vrachtboten van de 'Italia Lijn' die een geregelde dienst onderhouden tussen Triëst en Vancouver. Het was een schip van ongeveer negenduizend ton, met accommodatie voor maximaal twaalf passagiers. 

De reden dat ik telkens weer op Italiaanse schepen vaar, is niet alleen, dat ik jarenlang in Italië heb gewoond, dat ik de taal dus betrekkelijk goed beheers en dat ik graag in gezelschap van Italianen verkeer, maar ook, dat er aan boord van Italiaanse vrachtboten met passagiersaccommodatie, blijkbaar méér kans is een eenpersoons hut te krijgen dan op schepen van andere nationaliteit. Op de Toscanelli kreeg ik een prachtige hut, een kamer van meer dan drie bij vier meter, met twee patrijspoorten, een prima bed, een schrijftafel en een eigen badkamer, van alle gemakken voorzien. De waarde van zo'n ruime, comfortabele privébehuizing is niet te onderschatten, als je zes weken aan boord blijft. Ook bood het schip ruime gelegenheid voor de passagiers om zich te vertreden: een gezellige eetzaal, een grote conversatiezaal met clubfauteuils en drie promenadedekken, waarvan één over de hele breedte van dertig meter van het schip. Wij hoefden dus volstrekt niet op elkaar te hokken en konden ons, ook in de open lucht, gemakkelijk afzonderen. Bovendien konden wij ons vrij bewegen op alle andere dekken over de hele lengte van de boot, behalve op de commandobrug. Maar, telkens als het een of andere schouwspel speciaal de moeite waard was om van een zo hoog mogelijk punt te worden bekeken, nodigde de kapitein ons uit om op de brug te komen. Wat mij persoonlijk betreft, het duurde niet lang, of ik was op zó goede voet met de officieren, dat ik vrijwel altijd op de brug kon komen, als ik er zin in had. Toch was het boeg dek mijn meest geliefkoosde plek gedurende de vaart. Daar, bij de voorsteven, heb ik dagelijks uren lang doorgebracht. Er is geen beter plekje op een schip te vinden om je ogen de kost te geven aan de oneindige verscheidenheid van bezienswaardigheden om je heen. Daarvan zal ik er straks enige trachten te beschrijven. 

Maar eerst moet ik wat zeggen over het gezelschap waarmee ik de reis maakte. Tweemaal daags, tijdens de warme maaltijden, waren de passagiers voltallig verenigd, gezeten aan drie tafeltjes van vier personen elk. Aan een vierde tafeltje aten de kapitein en de eerste machinist met ons mee. 

Voor jonge mensen biedt zo'n lange vrachtbootreis, zonder danspartijen, zwembad en bioscoop, blijkbaar te weinig vertier. Er waren dan ook bijna uitsluitend passagiers van middelbare leeftijd aan boord. Behalve mijn persoon, waren er negen Amerikanen, één Belgische dame en één jonge Zwitser, die door zijn jeugd een beetje uit de toon viel. Als je weken lang in zulk een klein, besloten gezelschap verkeert, dan is er alle gelegenheid om elkaar, zo niet goed te leren kennen, dan toch elkanders eigenaardigheden in je op te nemen. Ik ben mij bewust van mijn gebrek aan psychologisch inzicht in 't algemeen, en mijn belangstelling gaat, vooral op zee, nu eenmaal meer uit naar natuurobjecten, dan naar reisgenoten, maar toch moet ik over enkele mensen waar ik dagelijks mee omging wat vertellen. 

Ik had het voorrecht drie dames als tafelgenoten te hebben: twee ongetrouwde gezusters uit Philadelphia en een loslopende, van haar echtgenoot gescheiden vrouw uit Santa Barbara, een kustplaatsje in de buurt van Los Angeles. De twee zusters, Cassidy genaamd, waren een paar gezellige, vrolijke tantes van omstreeks een jaar of vijftig, die terugkeerden van een reis van meer dan een half jaar door Europa. Ze waren zeer zeker volstrekt niet vermogend en ze hadden beiden jarenlang op een kantoor gewerkt, tot ze elk een prijs van duizend dollars wonnen door de juiste oplossing te vinden van de een of andere krantenwedstrijd. Toen dachten ze: nu of nooit en ze waren, met hun autootje, op een schip naar Europa overgestoken en hadden daar een half jaar rondgereden. Klein van stuk, mollig, en zacht van karakter waren zij allebei en behangen met velerlei zilveren sieraden, halskettingen, broches en armbanden, waar een menigte amuletachtige, minuscule snuisterijen aan hingen: heiligenbeeldjes, kruisjes en medailles, die ze op hun zwerftocht in allerlei bedevaartoorden hadden verzameld, zoals Rome, Pompeï en Lourdes. Dat belette hen niet om furieus anti-Kennedy en pro-Nixon te zijn, in tegenstelling met Mrs. Crockett, mijn derde tafeldame, die het, als pientere, intellectuele vrouw, ten zeerste betreurde, dat Stevenson geen kans op het presidentschap van de VS maakte. Trouwens ook in andere opzichten vormde deze derde mijner drie gratiën een contrast met de twee gezusters. Alleen wat haar leeftijd betreft, kwam zij min of meer met hen overeen, hoewel ik daar niet helemaal zeker van ben, want de leeftijd van een vrouw die alle mogelijke moeite doet om er jonger uit te zien dan zij is, is moeilijk te schatten. Maar zij was eerder slank dan mollig en haar geest, zowel als haar tong, waren eerder scherp dan zacht. Toch kon ik het, van alle passagiers, tenslotte met haar het beste vinden. Ze kon aller amusantst vertellen over haar vele omzwervingen door de wereld. Na de eerste wereldoorlog had zij onder meer een paar jaar als antropologe in de binnenlanden van Nederlands Nieuw-Guinea doorgebracht met haar toenmalige man, die zoiets als amateurcineast was en zij had daar de tegenwoordige Utrechtse hoogleraar von Koenigswald leren kennen, die ook ik wel eens ontmoet heb. Onze boot bracht haar weer terug tot dicht bij haar huis in Californië, na een verblijf van een héél jaar lang in Majorca. Zij had haar tijd daar blijkbaar hoofdzakelijk besteed met zwemmen en zonnebaden, want ik heb zelden een zogenaamd 'blanke' vrouw gezien, die zó door en door bruin gebakken was. De huiselijke omgeving van onze vrachtboot ten spijt, arboreerde zij 's avonds aan tafel de meest fantastische, kleurige en gedecolleteerde toiletten. De sneeuwwitte kleur van haar kortgeknipte haar, was voorzeker verre van natuurlijk. Behalve aan de maaltijden, was zij onafscheidelijk van haar stokoude, vergrijsde hond Philip, die zich overal achter haar aan sleepte en die het enige levende schepsel aan boord was, dat last had van zeeziekte. 

Mrs. Crockett sprak een behoorlijk verstaanbaar Engels, maar de zusters Cassidy ratelden met een afschuwelijk Philadelphinees accent en bedolven mij dikwijls onder een stortvloed van grotendeels onverstaanbare klanken. Dat was soms erg vermoeiend en ik moest hen telkens aanmanen tot een beter verzorgde dictie en een langzamer tempo, opdat de zin van hun woorden tot mij zou kunnen doordringen. Ik heb een paar typische slang-uitdrukkingen van hen geleerd, zoals bijvoorbeeld 'OK, my me, and how!' die zij mij op het hart drukten toch vooral nooit in net gezelschap te bezigen, maar waarmee ik nochtans later in Canada succes heb geboekt. 

Deze persoonsbeschrijvingen nemen meer tijd in beslag, dan ik gedacht had, maar toch moet ik nog één andere passagier noemen, met wie ik een bijzonder plezierig contact heb gehad. Dat was de heer Alway, drieënzeventig jaar oud en ex- tulpenkweker uit Tacoma. Toen de concurrentie van de Hollandse bollenkwekers te zwaar werd, was hij met succes overgestapt op het kweken van rabarber. Met zijn olijke en eveneens bejaarde echtgenote had ook hij alweer een lange reis door Europa achter de rug. Hij was een zwijgzaam mens met een verlegen glimlach en de zee boeide hem op een soortgelijke manier als mij. Ook hij kon urenlang op de loer zitten om vissen in het water gewaar te worden. Als het schip in een haven aan de kade gemeerd lag, vond ik hem dikwijls op een kist aan de wal zitten kijken naar het laden en lossen, meestal met een kakelbont hemd aan en met een pet met een enorme klep op z'n hoofd. Hij leek een doetje, maar hij was het volstrekt niet. 

 Een enkele maal kwam hij voor de dag met boeiende verhalen uit z'n prille jeugd. Zo had hij eens, als jongen van twaalf jaar, helemaal op z'n dooie eentje, drie zomermaanden lang, een tocht in een roeiboot gemaakt, van Tacoma, door de fjord-achtige binnenzeeën, naar Vancouver-Island, een afstand van meer dan tweehonderd kilometer, dus vierhonderd kilometer heen en terug. Hij leefde die zomer grotendeels van zelf gevangen vis, die hij op een houtvuurtje roosterde, en hij sliep in z'n boot. Op een avond, toen hij aan een strandje van Vancouver-Island aanlegde, hoorde hij schreeuwen en roepen een eindje landinwaarts. Hij liep op het geluid af en vond een indianenvrouw in een schamele hut op een hoop stro liggen. Zij vertelde hem, dat haar man er niet was en dat zij voelde, dat zij op het punt was een kind ter wereld te brengen. 'Toen heb ik haar maar, zo goed en zo kwaad als dat ging, geholpen', zei Alway. Hij heeft het kind dat zij baarde naast haar neergelegd en haar wat water te drinken gegeven, dat hij vond in een aarden kruik in een hoek van de hut en hij heeft gewacht tot de man thuis kwam en is toen maar weer naar z'n roeiboot teruggekeerd. Maar hij is toch maar liever een eindje verder geroeid naar een volgend geschikt plekje om te overnachten. Hij vertelde mij dat hele verhaal op een argeloze manier, een beetje aarzelend, en volkomen zonder enige ophef. 

Och, er zou nog zoveel te vertellen zijn over mijn reisgenoten. Over Joe Tucker bijvoorbeeld, een rijke ex-Italiaan, restaurant eigenaar en kok in Seattle, een corpulente, luidruchtige baas van een jaar of vijfenzestig, afkomstig uit een armoedig gezin in de Abruzzen. Op zestienjarige leeftijd was hij naar de VS geëmigreerd. Hij heette toen Giuseppe Galletti en in een confidentiële bui heeft hij mij verteld, dat hij zich achteraf schaamde voor zijn naamverandering. Hij reisde met zijn vrouw, een geboren Amerikaanse uit Seattle. Ze was bescheiden en stil; het leven leek mij niet gemakkelijk voor haar, naast zo'n bulderende echtgenoot, die niet in staat was te spreken met een normaal stemvolume. Misschien was hij thuis wel een tiran, maar toch waren die beide echtgenoten duidelijk merkbaar op elkaar gesteld.

Nu moet ik nog de officieren noemen met wie ik dagelijks contact had. De kapitein en de eerste stuurman waren allebei uit Triëst, waar zoveel Italiaanse koopvaardij- en marineofficieren uit afkomstig zijn. Ze waren allebei lang en mager, zoals veel Triestini dat zijn, in tegenstelling met hun meeste landgenoten. 

Mijn ondervinding als passagier op Italiaanse vrachtboten is, dat er een groot contrast bestaat tussen het baantje van kapitein en dat van eerste officier. Dat lijkt verwonderlijk, omdat elke kapitein een ex-eerste-stuurman is. Ik heb dikwijls horen beweren, dat Italianen lui zijn, maar het is, geloof ik, juister om te zeggen, dat een Italiaan lui wordt als hij het werk aan een ander kan overlaten. Je kunt je moeilijk iemand voorstellen, die het drukker heeft en die harder werkt dan de eerste stuurman van een vrachtboot, vlak voor, tijdens en nadat er een haven wordt aangedaan. Als verscheidene aanloophavens elkaar in weinige dagen opvolgen, dan krijgt de arme man bijna geen nachtrust meer. 

Is het een wonder dat zo'n afgejakkerd mens zich verheugt op het ogenblik, dat hij zijn gemak kan nemen als hij kapitein wordt? Ik wil niet beweren, dat alle Italiaanse kapiteins luiaards zijn; ik heb ook wel eens een ijverige meegemaakt, maar op de Toscanelli hadden wij er eentje, nou, die geloofde het wel. Hij kwam er trouwens rond voor uit: 'Ah si, caro Signore, sono un uomo pigro'; ja m'n beste meneer, ik ben een luilak. In de loop der jaren heb ik minstens tien verschillende bemanningen van Italiaanse vrachtschepen meegemaakt en de indruk gekregen dat een officier het hoe langer hoe drukker krijgt, al naarmate hij een hogere rang bekleedt, tot het moment dat hij kapitein wordt. Natuurlijk is het dragen van de verantwoordelijkheid op zichzelf een last, die zo nu en dan zwaar weegt. Zodra er een situatie ontstaat, die buiten de normale routine valt, bijvoorbeeld tijdens mist in druk bevaren water, of als het stormt, dan wordt zo'n luie kapitein plotseling waakzaam en zijn responsabiliteitsgevoel is dan duidelijk merkbaar. Maar tijdens een zomerse vaart bij mooi weer en kalme zee, heeft hij gelegenheid te over om zijn tijd te vullen met bezigheden, die niets te maken hebben met zijn beroep. Ik heb het eenmaal meegemaakt, op een reis door de Middellandse Zee, dat de toenmalige gezagvoerder, ogenschijnlijk althans, zich uitsluitend interesseerde voor de charmes van een jonge Engelse dame. Dat had ook voordelen voor de andere passagiers, want toen wij, des nachts op weg van Messina naar Napels, vlak langs Stromboli kwamen, liet hij de boot een compleet rondje om het eilandje varen, alléén om de dame in kwestie zo lang mogelijk en van verschillende gezichtspunten, het fraaie schouwspel van de vuurspuwende vulkaan te kunnen tonen. De volgende dag zei hij tegen mij: 'als ze dat horen in Napels bij de Compagnie, dan loop ik vies tegen de lamp, maar 't kan me niets schelen, want nog drie maanden en dan ga ik met pensioen.' Jammer genoeg heb ik nooit meer een reis met hem gemaakt, want kort daarna is hij overleden, Het was een beste vent. 

Zoals ik al gezegd heb, at, behalve de kapitein ook de eerste machinist met ons mee aan tafel. Op een Italiaanse boot luidt zijn officiële titel 'Direttore delle machine', kortweg 'Direttore', zoals 'Meester' op Hollandse schepen. Hij was een alleraardigste kerel; goedhartig, vrolijk en met veel gevoel voor humor. Als er eens wat wrijving was tussen onze indolente kapitein en de Amerikaanse passagiers, dan kon de 'Direttore' met veel tact de gemoederen tot bedaren, en beide partijen aan het lachen brengen door een grapje te maken. Hij had een bleek, pafferig harlekijnsgezicht, was klein van stuk, en had een dikke buik. 

's Avonds, als de passagiers in ligstoelen op het achterdek onder de sterrenhemel lagen te bekomen van het vele eten, liep hij, om z'n gebrek aan beweging en buitenlucht te compenseren, met de tweede machinist wel een uur lang het promenadedek op en neer. Met z'n buik ritmisch voor zich uit zwaaiende, z'n linkerarm vaderlijk om de schouder van z'n jonge metgezel, en met z'n rechterhand druk gesticulerend, liepen ze samen ernstig te beraadslagen over hun beroepsvraagstukken. 

Wat zijn die Italiaanse zeelui toch een plezierig soort van mensen om mee te varen! Ze hebben een natuurlijke beschaving, een aangeboren hoffelijkheid en een ongedwongen wijze van omgang met vreemden, die op zo'n vakantiereis altijd een bevrijdende invloed op mij uitoefent. 

Het zal wel niet zonder reden zijn, dat de Hollanders bekend staan als bijzonder vaardige en kundige zeelieden, maar hoe bekwaam en stoer of ze ook mogen wezen, geef mij maar liever een Italiaanse vrachtboot om een prettige zeereis op te maken. Een Hollander is van nature niet alleen meer geremd dan een Italiaan, maar ook dat ellendige standsverschil tussen de bevolkingsklassen in Nederland, dat zich, sterker dan waar ook ter wereld, uit in de wijze waarop wij onze taal uitspreken, belemmert dikwijls de ongedwongen omgang van een passagier met de bemanning van een Hollands schip. Blijkens mijn ondervinding heerst er in de besloten gemeenschap van een kleine Nederlandse boot dikwijls een afschuwelijke benepenheid, die zich soms uit in een openlijke onverdraagzaamheid jegens iedereen die niet precies voldoet aan de geijkte Hollandse burgerman normen en begrippen. Men is echter benepen en onverdraagzaam omdat men zich geremd voelt. 

Enkele jaren geleden heb ik eens met eens met een Italiaanse boot een paar dagen in de haven van Hamburg gelegen. (Op een vrachtboot moet je nu eenmaal de havens accepteren die ze je aanbieden.)  Op een avond liet ik mij naar de stad vervoeren in een ruime boot van de havendienst, die een reeks van stopplaatsen aandeed en de bemanningen van allerlei vrachtschepen inlaadde, zodat er tenslotte wel een honderdtal mensen aan boord was, in groepjes van verschillende nationaliteiten. Er waren Italianen van mijn eigen schip, er waren Russen, Amerikanen, Japanners en. er was een groepje Hollandse zeelui. Kennelijk gingen de meesten passagieren in het vermaarde vermaakscentrum Sankt Pauli (wat een naam!) en ze zaten in hun beste plunje zwijgend rond te kijken of rustig met elkaar te converseren. Ze hadden allemaal de waardige, afwachtende houding van mannen die weten wat ze gaan doen. behalve de Hollanders. Die moesten zich kennelijk opjutten om hun geremdheid bijtijds te overwinnen en zich luidruchtig prepareren op het plezier dat hun te wachten stond. Ze hadden zich blijkbaar aan boord van hun eigen schip al half bezat en zaten te lallen en te schreeuwen in hun afschuwelijke taaltje, met halflege bierflessen in hun hand. Zelden heb ik zo'n frappant contrast waargenomen als tussen de waardige, koele gereserveerdheid van de vertegenwoordigers der andere nationaliteiten en de onhebbelijke, aanstootgevende ongemanierdheid van mijn eigen landgenoten en zelden ben ik zo blij geweest, dat niemand aan mijn neus kon zien, dát zij mijn landgenoten waren. 

Laat mij tenslotte van de bemanning van onze Toscanelli nog een van de matrozen noemen. Zoals de navigatie-officieren van een Italiaanse vrachtboot dikwijls uit Triëst stammen, zo zijn de matrozen meestal Zuid-Italianen. Bij ons hebben Sicilianen en Napolitanen geen gunstige naam. Ze gaan door voor onbetrouwbaar en het is een feit, dat toeristen in Napels en in de provincies ten zuiden daarvan, dikwijls bedrogen en bestolen worden. Dat is geen wonder, als men weet hoe ontzettend arm die bevolking is en hoe argeloos en onvoorzichtig de toeristen soms zijn. Maar als je de taal een beetje begrijpt en dus kunt tonen, dat je, hoewel vreemdeling, tóch niet bereid bent om je te laten uitknijpen als een citroen, dan blijken die kleine gesticulerende mensen met hun donkere huid, vriendelijk, gastvrij, kinderlijk en wellevend te zijn en vooral bijzonder gevoelig voor elk waarderend woord over hun geboortestreek. 

Behalve met de bootsman, die 'nostromo', oftewel 'onze man' wordt genoemd, kwam ik speciaal in aanraking met één van de matrozen, omdat hij de kapper aan boord was. Hij knipte de haren van iedereen op het schip, ook van de damespassagiers. Als je hem, hoog in de lucht op een plankje aan een touw bevestigd, tegen de mast zag bengelen, die hij bezig was bij te schilderen, in z'n vieze trui en z'n gescheurde broek vol verfvlekken, dan was het moeilijk om je in te denken, dat dát dezelfde man was, die gisteren in je hut kwam, proper gewassen en met een hagelwit hemd aan, om, als een volleerde figaro, je haren te fatsoeneren. Hij hanteerde de kappersschaar en het scheermes met verfijnde delicatesse en vertelde daarbij, zachtjes en op de zangerige toon van zijn streek, over zijn vrouw, en over zijn dochtertje, dat zo goed kon leren en zo knap was op school bij de zusters; en over zijn vader, die in Torre dei Greci kapper van beroep was. Als vijfjarige jongen had hij hem al geholpen met het inzepen van de scheerklanten, waarbij hij op een tabouretje klom om er beter bij te kunnen. 's Avonds zag je hem alweer bezig met de haren van een van zijn collega's-matrozen. Dat was een boeiend tafereel, een prachtige pantomime. Onder het felle licht van een lamp, in de pikdonkere nacht op het achterdek, zat de klant stokstijf op een keukenstoel, onbeweeglijk als een etalagepop, en de kapper, met z'n knipperende schaar en één pink in de lucht, modelleerde de zwarte krulharen van dat roerloze achterhoofd, als een priester die een sacrale dans uitvoert ter ere van een afgodsbeeld. 

Ik herinner mij opeens een andere kappersscène in de openlucht. Die heeft wel niets te maken met mijn reis naar Canada, maar ik wil haar tóch even vertellen nu ik er aan denk. Dertigjaar geleden vertoefde ik soms in een dorp aan de Amalfitaanse kust. Ik kwam daar dikwijls op bezoek bij Don Pantaleone, de oude priester van een kerkje, dat tegen een rotswand geplakt is als een arendsnest, op driehonderd meter boven het water. Vóór de in- gang van de kapel is een piepklein pleintje, dat een ontzaglijk wijd uitzicht biedt over de donkerblauwe Middellandse Zee. Toen ik op een keer de lange trap was opgeklommen en op dat pleintje aanlandde, zag ik, dat Don Pantaleone zich liet scheren in de koele schaduw van de rotswand, in een leunstoel, vlak voor de open deur van zijn kerk. Dat was óók een aanblik om nooit te vergeten, zoals die ouwe man in z'n smoezelige soutane, met z'n hoofd achterover geleund, z'n witte stoppelbaard liet afscheren. De stilte van de warme lentemiddag werd alleen verbroken door het geschraap van het scheermes en het gesjilp van de krekels en de lucht was vol van de geuren van de sinaasappel-bloesems. Er was verder alleen nog maar een jongetje aanwezig, dat geduldig stond te wachten, als een koorknaapje, met een kom helder water in zijn handen en een schone witte handdoek over z'n arm. 

Maar nu zal ik eindelijk eens uitscheiden over al die mensen en wat proberen te vertellen over

 

DE ZEE EN DE DIEREN

die erin zwemmen en eroverheen vliegen. 

Ik zou iedereen, die als passagier de zee opgaat, willen aanraden drie dingen mee te nemen: ten eerste, goede kaarten op grote schaal, zodat je niet voortdurend de officieren hoeft lastig te vallen met de stereotiepe passagiersvraag: hoe heet dat eiland; wat voor een berg is dat? Het geeft mij nu eenmaal voldoening, om als er land in zicht komt, dadelijk op een kaart te kunnen zien wát het is. Toen wij de Atlantische Oceaan overstaken en er, tussen Madeira en de Caraïbische eilanden, zeven dagen lang geen kust te zien was, kreeg ik elke dag van de kapitein een kopie van het bulletin van twaalf uur 's middags. Behalve de snelheid van de vaart, de luchtdruk, de temperatuur, de windrichting en de zeestroming, vermeldde het, gegevens omtrent de plaats waar het schip zich bevond. Zo kon ik onze route vrij nauwkeurig op mijn kaart aangeven. 

Ten tweede is het prettig om op zee een sterrenkaart bij je te hebben, want er is geen betere plaats denkbaar dan een schip, dat in warme zuidelijke wateren vaart, om de sterrenhemel op je gemak te bekijken. 

En ten derde is een goede prismakijker welhaast onontbeerlijk op zee. Hij moet liefst licht van gewicht zijn en van klein formaat, zodat je hem gemakkelijk in je zak kunt steken, want je moet hem aan dek eigenlijk altijd bij je hebben, omdat er zich ieder ogenblik iets kan vertonen, dat je met het blote oog zou ontgaan. 

De zee Hoeveel uren heb ik ernaar gekeken en wat een oneindige variatie van golfbewegingen heb ik getracht in mij op te nemen. Daar, waar het open water het breedste is (en dat was op onze tocht de Stille Oceaan, nadat wij het Panamakanaal uitkwamen, en langs de westkust van Midden- en Noord-Amerika naar boven voeren), daar zijn de golven niet alleen het machtigste, maar hun structuur is ook het gemakkelijkste te analyseren. Carson beschrijft ze in haar prachtige boek The Sea Around Us beter dan ik het kan, maar dat mag geen reden voor mij zijn om erover te zwijgen. 


In februari 1932 maakt Escher de houtsnede San Cosimo met Don Pantaleones kerkje


Don Pantaleone voor zijn rotskerkje

Ergens aan de overkant van de Pacific, bij Japan of Australië in de buurt, heeft misschien een storm gewoed, en een schip zoals het onze, dat bij prachtig, windstil weer langs Amerika's westkust vaart, merkt daarvan niets meer dan een langzame deining van kalme, ontzaglijke brede golfruggen, die uit het westen komen aanzetten. Je ziet ze als rechte banen, evenwijdig aan de horizon, op je toekomen. Hun dalen zijn zó breed en hun hellingen zó flauw, dat je er, op het schip, nauwelijks iets van voelt, maar je kunt hun hoogte schatten, als een boot in de verte, op de masten na, helemaal in zo'n lengte dal verdwijnt. Soms was er een plaatselijke wind uit het oosten, die korte en driftige golven in tegengestelde richting over de lange oceaanruggen heen joeg, zodat er een combinatie van twee bewegingen ontstond, die elkaar tegenwerkten, en waarbij de kortere, als bergbeklimmers, tegen de hellingen van de lange opklauterden. 

Op een windstille dag gingen wij, een halve kilometer uit de kust, voor anker op de rede van San José, in Guatemala. Wij bleven daar de hele dag liggen om, ik weet niet meer wát voor zware zakken, uit te laden in platte, brede schuiten. Er was gelegenheid voor de passagiers om aan land te gaan in een motorsloep, maar dat bleek minder eenvoudig dan het er uitzag. Want nu onze boot stillag, veroorzaakten die lange golven een deining, die het motorbootje langszij, waarin wij moesten overstappen, minstens twee meter ritmisch deed rijzen en dalen. Staande op de scheepstrap buiten boord, moest je overspringen op het ogenblik dat de sloep op je eigen hoogte was. Weliswaar geen heksentoer, maar toch weigerden verscheidene passagiers de sprong te maken. Er was aan die kust zo'n hevige branding, dat er voor het laden en lossen, van het strand af een soort van houten plankier de zee in was gebouwd, zoiets als de vroegere pier van Scheveningen, maar alleen veel knulliger en minder lang. Het hele geval rustte op ijzeren palen, die er verroest en onbetrouwbaar uitzagen en waar de zee tussendoor bulderde. Uit ons motorsloepje werden wij op ingenieuze wijze, één voor één, op een stevige leunstoel, die aan een touw hing, omhoog gehesen op de pier, door middel van een knarsend stoommachientje. Veilig op de planken vloer aan het einde van de pier aangeland, liepen wij naar het strand toe, terwijl de zee, ter weerszijden en onder ons, door bruiste. 

Nooit van m'n leven heb ik zo'n monumentale branding gezien. Wij weten allemaal, hoe aan onze Noordzeekust, de golven het strand naderen, steiler en steiler worden, omkrullen en in een waterval van kolkend schuim kapot slaan. Toen ik, op weg naar het strand, over die pier van San José liep, kwam ik, halverwege, op een plek, waar je precies op de goeie hoogte stond, om door zo'n koker van lichtgroenblauw water heen te kijken, vlak vóór het ogenblik, dat hij met donderend geweld zichzelf vernietigde en in elkaar stortte. Die golfruggen bewogen zó gelijkmatig voort, dat elk van hen steeds op dezelfde plek over zijn gehele lengte tegelijk omkrulde tot een transparante cilinder van meer dan een meter middellijn en naar schatting wel vijftig meter lang. Telkens keek ik dus door het hart van zulk een wonderlijke, blauwgroene tunnel van water en ik kon maar niet genoeg krijgen van dat, steeds zich herhalende schouwspel. Er was op dat prachtige, sterk glooiende strand met fijnkorrelig grijs zand, niemand die een bad nam. Blijkbaar was dat te gevaarlijk door de sterke zuiging van het water, dat na elke aanspoelende golf, met grote snelheid weer terugstroomde. Jammer, want het moet een heerlijke sensatie zijn om zo'n kristalheldere boog over je heen te zien welven en op je te voelen neervallen. 

 

(De dieren) Wat de vissen betreft: het enige paar walvissen, dat ik op deze hele reis heb gezien, was aan het spelen (menselijkerwijs uitgedrukt), nota bene vlak voor de ingang van de haven van Marseille en ik zag ze dus, toen ik nauwelijks een dag aan boord was. Ik stond te kijken hoe wij de havenhoofden naderden, toen er plotseling, op honderd meter afstand, zoiets als een rookpluimpje uit de bijkans gladde zee opsteeg en onmiddellijk daarna nóg een. Gelukkig had ik mijn kijkertje bij de hand en, jawel hoor, daar verschenen één voor één de ronde, zwarte ruggen, als stukjes van wentelende wielen, gevolgd door de staarten, en weg waren ze weer. Dat herhaalde zich enkele malen, met tussenpozen van een paar minuten. Het was niet de eerste maal, dat ik exemplaren van deze betrekkelijk kleine soort, in de Middellandse Zee zag. Ze worden tien tot twaalf meter lang en de Italianen noemen ze 'Capo d'olio', oftewel 'Oliekop'. Hoe ze officieel heten, weet ik niet. Een grotere soort heb ik, jammer genoeg, nooit gezien. 

Van alle zeedieren zijn de dolfijnen voor een scheepspassagier het gemakkelijkste te observeren. In de Middellandse Zee, vooral in de buurt van de Straat van Gibraltar, zijn ze talrijk, maar ik heb ze de hele reis telkens kunnen bespieden, tot vlak bij Vancouver toe. Zodra ze een schip in de gaten krijgen, komen ze, bij tientallen tegelijk, aanzetten en gaan dan bij voorkeur vlak voor de boeg zwemmen. Als je op de voorplecht over de reling heen leunt en loodrecht naar beneden kijkt, waar de boeg het water klieft, dan zie je ze, als een kudde, dicht op elkaar gepakt, door het heldere water glijden. Zo het ooit geoorloofd is, om van 'sportieve speelsheid' te spreken waar het dieren betreft, dan zeker in dit geval. Ze maken de indruk verzot te zijn op een wedloop met een schip. Zo nu en dan lijkt het, alsof ze zich met opzet even laten inhalen, maar dan schieten ze weer vooruit. Telkens springen ze met hun hele lichaam de lucht in om adem te halen, beschrijven een mooie boog en priemen met hun snoet weer in zee, of kletsen neer op de waterspiegel; ze draaien zich om en tonen je hun witte buik en het is bijna alsof je ze hoort lachen van plezier. Ze zwemmen voornamelijk door middel van hun staartvinnen, maar die bewegen blijkbaar zó snel heen en weer, dat je er niets van ziet, zodat het net is alsof een onzichtbare schroef hen voortstuwt. Ik heb ze ook meerdere malen 's nachts, in een fosforescerende zee, voor de boeg zien spelen. Dan zijn ze als vuurpijlen met lange, golvende, elkaar kruisende slierten van licht achter zich aan. Men zegt, dat ze hun snelheid zeer hoog kunnen opvoeren en een torpedojager, die dertig knopen maakt, kunnen bijhouden. Maar zelf heb ik geconstateerd, dat ze aan een langzaam varende boot de voorkeur geven. Toen ik eens op een oude stoomboot reisde, die nauwelijks tien knopen haalde, hield een school dolfijnen hun spel voor de boeg wel tien minuten lang vol, maar bij de Toscanelli, die veertien tot zestien knopen voer, lieten ze ons na een paar minuten weer schieten. 

Vliegende vissen, die ik in de Middellandse Zee maar sporadisch heb gezien, zijn talrijker hoe warmer de zee wordt. Het eerste exemplaar dat ik zag, hield ik een ogenblik voor een vogel, die laag over het water scheerde. Maar toen hij plotseling spoorloos verdween, begreep ik wel dat het een vis was geweest. Later kreeg ik gelegenheid genoeg om ze goed te bekijken en in de Caraïbische Zee waren er zwermen van honderdtallen, die samen uit het water omhoog schoten. Als zo'n hele school tegelijk uit een spiegelgladde zee opspringt, dan arceert zij het oppervlak met een stelsel van lange, evenwijdige of radiale lijnen, die abrupt eindigen op de plaats waar de vis weer in zee valt. Soms werd een onzichtbare school onder water blijkbaar opgeschrikt door ons naderende vaartuig en dan kwamen ze tevoorschijn als scherven van een uitelkaar spattende bom, met de boeg als middelpunt, radiaal naar buiten vliegend. Maar je kon hen tijdens hun zweefvlucht pas goed bestuderen, als er toevallig eentje langszij met het schip mee vloog. Wat een enorme snelheid moeten die kleine dieren, van twintig tot veertig centimeter lengte, in het water ontwikkeld hebben op het ogenblik dat zij eruit springen! Ze schijnen een maximale afstand van tweehonderd meter door de lucht te kunnen planeren en ik heb ze dikwijls met m'n kijker gevolgd, terwijl ze rakelings nu eens over de toppen en dan weer in de dalen tussen de golven scheerden, waarbij ze telkens met een korte, trillende beweging van hun staart, zich aan de waterspiegel afzetten, om nog een eindje verder te komen. Hun lange en prachtig iriserend blauwe borstvinnen bleven daarbij onbeweeglijk uitgespreid en strak gespannen als de vleugels van een zweefvliegtuig. 

Kort nadat wij het Panamakanaal uit waren, zag ik de eerste zeeschildpadden, toen wij langs de kust van Costa Rica weer naar het noorden voeren. Om ze goed te zien, is alweer de voorplecht de beste observatiepost. De exemplaren die ik gewaar werd, zwommen natuurlijk vlak onder de waterspiegel, soms met hun schild, als een klein eilandje, een eindje boven het water uitstekende. Alleen als ze héél dichtbij waren, kon je ze een ogenblik in hun geheel goed bekijken. Ze maken een trage, enigszins hulpeloze indruk en ik kan mij niet goed voorstellen, dat ze vis eten en dus ongetwijfeld snel moeten kunnen zwemmen om hun prooi te pakken te krijgen. Eens, toen ik weer naar de bruisende, verblindend witte boeggolf keek, voeren wij recht op een drijvende boomstronk af, waaraan, ter weerszijden, twee schildpadden gezapig aan 't knagen waren. Pas toen wij vlakbij waren en bijna over hen heen voeren, merkten zij onraad en trachtten een goed heenkomen te vinden. Later, in het beroemde, en inderdaad spectaculeuze, Marineland aquarium in de buurt van Los Angeles, heb ik ze langer en beter kunnen observeren, maar de voldoening is toch groter als je hen in hun natuurlijke omgeving ziet. 

 Op een middag, toen ik, op de voorplecht op een van de paddenstoelvormige bolders gezeten, de zee bijna vergeten was, omdat ik mijn ogen uitkeek naar een hemel vol woeste wolkslierten in de ongelofelijkste kleurschakeringen, rinkelde de telefoon. Ze telefoneerden mij wel meer van de brug af, als ze me aan de boeg zagen zitten, om mij attent te maken op de een of andere bezienswaardigheid. Ik maakte dus gauw het kastje open en nam de telefoon van de haak. Tot mij sprak de bedachtzame stem van de kapitein: 'kijkt u eens aan bakboord; op een halve kilometer afstand is een school tonijnen, het moeten er honderden zijn'. Dat het tonijnen waren, kon ik, als leek, op die afstand met het blote oog niet zien, maar wél, dat de gladde zee over een lange strook in heftige beroering was en met schuim bedekt. Door mijn kijkertje echter, zag ik de lange sierlijke vissen met hun spits toelopende ingesnoerde staart en hun scherppuntige staartvinnen, vlak bij elkaar, als dollemannen uit het water opspringen. Ze leken samen op een onontwarbare kluwen van snelle, boogvormige lijnen en ze hadden daar blijkbaar een geweldige hoop voedsel van kleinere vissen te pakken. 

Diezelfde middag zag ik ook haaien en tweemaal, van vlakbij, een zwaardvis, die met z'n hele lichaam van drie meter lang uit het water opsprong. Hij had een pin vooraan z'n kop, die minstens anderhalve meter lang leek te zijn, en z'n natte lijf weerspiegelde vuurrood de ondergaande zon. 

 

 Wat de vogels betreft waren de zeemeeuwen natuurlijk het talrijkste. Toen wij tegen het einde van de reis, in de Juan de FucaStraat, ten zuiden van Vancouver-Island voeren, was het schip omzwermd door honderdtallen krijsende meeuwen, die overal op het dek, tot last voor de bemanning, hun witte uitwerpselen neerkwakten. Op de reling zat soms een hele rij naast elkaar uit te rusten, voorovergebogen in de vliegende wind. Je kon hen tot op een paar meter naderen, voordat ze hun vleugels langzaam ophieven, door de wind werden opgetild en meteen weggesleurd. Het is jammer, dat ik van zeevogels te weinig afweet om de vele soorten die wij tegenkwamen te kunnen determineren. Daarbij zijn de vogels van het Noord-Amerikaanse continent voor het merendeel verschillend van de onze, zodat ik weinig nut had van mijn Europese vogelgids. 

Prachtige zwarte eend achtige dieren heb ik in een rij achter elkaar over woeste zeeën zien vliegen, op wonderbaarlijke wijze rakelings over de kammen scherende en in de golfvalleien afdalende, zodat ze met hun tienen samen óók een golflijn vormden. Aan de noordkust van Vancouver-Island hebben wij een dag 'gelegen in een fjord-achtige inham van de Georgia-Straat, aan kade van een enorme cellulose fabriek. Wij moesten daar enige honderden tonnen cellulose inladen, verpakt als witte, kubusvormige balen. 

Daar heb ik een menigte, mij volkomen onbekende watervogels gezien. Ze dobberden op de korte, kabbelende golfjes, vlak langszij het stilliggende schip, in groepjes van drie tot zes stuks. Het waren net miniatuur zwaantjes, maar met een grijs lichaam van twintig of vijfentwintig centimeter lang; een lange, slanke hals, van voren wit en van achteren zwart; een scherpe snavel en vuurrode kraaloogjes. Ze hadden precies de vorm van een zwaan, op schaal één op twee. Als er op een bepaald moment bijvoorbeeld een groepje van vier, schijnbaar doelloos lag te dobberen, dan mankeerde er plotseling één, want ik zag er ineens maar drie. Blijkbaar was er dus eentje ondergedoken, maar zó bliksemsnel, dat ik de handeling van het duiken zélf niet had waargenomen, maar wel het ogenblik, waarop vier plotseling drie bleek te zijn geworden. Ik heb ze die dag enige uren lang geobserveerd en op mijn horloge de tijdsduur afgelezen, dat ze onzichtbaar bleven. Dat bleek constant tussen de veertig en vijfenveertig seconden te zijn. Nooit was er eentje bijvoorbeeld in een halve minuut al klaar met z'n besognes onder water, noch duurde hun mysterieuze afwezigheid ooit langer dan driekwart minuut. Na veertig seconden: floep, daar was-ie weer, één of twee meter van z'n groep afgedreven, en als de weerga weer naar z'n kameraden terug zwemmende. Aan de officieren van het schip, die geregeld enige malen per jaar in deze streken komen, heb ik natuurlijk gevraagd, of ze die diertjes kenden. 0 ja, dat waren: ‘Tuffini’, duikertjes. En een Amerikaanse passagier wist mij te vertellen, dat het 'Kormoranen' waren. Kormoraan is, volgens mijn Europese vogelgids, Aalscholver, maar Aalscholvers waren het zeker niet, want die hebben niet zo'n lange hals, als een vraagteken. Dán waren het misschien nog eerder Futen, een speciaal Amerikaans soort Futen, met een zwanenhals. Hoe dan ook, ik vond ze uitzonderlijk mooi en gracieus, zoals wel blijkt uit de aandacht die ik hier aan hun beschrijving besteed. Maar in een kritische bui, vraag ik me af: waarom vond je ze zo mooi? Ze waren toch zeker niet mooier dan de witte zwanen in de vijver van Groeneveld? Kan een mens zich iets sierlijker en bekoorlijker voorstellen, dan twee witte zwanen in een bosvijver? De buitengewone aantrekkelijkheid van die Amerikaanse vogeltjes voor mij, zal wel gelegen zijn in het nieuwe, het mij onbekende, van hun verschijning. Als er 's winters aan het pindasnoer voor mijn raam een koolmees hangt, dan kijk ik er nauwelijks meer naar om, hoewel hij, als levend schepsel, niet meer boeiend is dan een bonte specht. Maar die vertoont zich zelden, zodat je geboeid staat te kijken, als hij, zo nu en dan, de moed opbrengt om van mijn pinda's te komen pikken, zó razend snel en zó efficiënt, dat hij in een halve minuut meer eet, dan een koolmees in een halfuur. 

Ook de vlucht van grijze pelikanen heb ik goed kunnen waarnemen, toen ze in wijde bogen, in groepsverband, om ons heen vlogen, terwijl wij voor anker lagen aan de kust van San Salvador. Aan het einde van hun S-vormig gebogen hals, dragen ze tijdens de vlucht, horizontaal voor zich uit, hun zeer lange snavel, waaraan de gele keelzak bungelt. Op een dukdalf, waaraan ons schip lag gemeerd, zat voortdurend een rijtje pelikanen, net als de oude mannetjes van het Leger des Heils op hun banken aan de Wilhelminalaan. 

Eenmaal slechts zag ik een enorme vogel, aan wie mijn fantasie de naam van Condor gaf. Hij kwam ons, met de wind mee, uit de verte tegemoet; wij voeren onder hem door en hij verdween in de nevels van het verschiet achter ons. Ik zag hem geen enkele vleugelslag maken, terwijl hij voortdurend cirkels in de lucht beschreef, met onbeweeglijk uitgespannen vlerken. 

 

DE ZON, DE MAAN EN DE STERREN

De zonsondergangen op deze reis waren dikwijls van een geweldige kleurenpracht en ik heb er vaak in ademloze spanning naar zitten kijken. Ik deed dat systematisch elke dag als er kans was op een wolkeloze zonsondergang, want dan zat ik op de loer, in de hoop van eindelijk eens de 'Groene Straal' te zien. Die 'Groene Straal' ofte wel: 'Green Flash' is een fenomeen, waarover fantastische verhalen in omloop zijn. Velen hebben hem, naar ik meen, lange tijd, als een fabel beschouwd. Maar een paar jaar geleden is er een gedegen boek over verschenen, geschreven door een Italiaanse astronoom, die het verschijnsel heeft beschreven, en vastgelegd in een reeks prachtige kleurenfoto's, zodat er nu geen twijfel meer mogelijk is.

Als de horizon volkomen wolkenloos is op de plaats waar de zon de kim nadert, dan kan het, onder bepaalde gunstige atmosferische omstandigheden, gebeuren dat het laatst zichtbare stuk van de zonnerand een helder, groen licht geeft. Vooral de atmosfeer in de Rode Zee schijnt bij uitstek geschikt te zijn voor het optreden van de 'Groene Straal', maar ook in de Middellandse Zee is hij dikwijls waargenomen. De beschrijvingen van ooggetuigen lopen sterk uiteen en dat is niet te verwonderen, omdat het verschijnsel maar een onderdeel van een seconde duurt. Sommigen hebben getracht hun indruk in een kleurentekening weer te geven. Ik heb er eens een plaatje van gezien, waarop de uitbeelder een groene vlek had aangegeven in de vorm van een halve ellips, breed aan de horizon en min of meer spits toelopend naar boven; de vorm die hij getekend had, leek inderdaad wel wat op een 'straal'. Daarvan blijkt echter niets op de foto's van het Italiaanse boek dat ik daarnet noemde.

Mijn eigen indruk, die berust op de enige maal, dat ik het fenomeen heb mogen aanschouwen, zou ik niet in beeld kunnen brengen, al was het heus frappant genoeg! Hoe dikwijls heb ik in vorige jaren niet tevergeefs op wacht gestaan, tijdens mijn reizen in de Middellandse Zee. Maar op 24 september 1960, toen wij langs de ingang van de Golf van Californië voeren, kreeg ik eindelijk mijn kans. De hemel was die avond volstrekt niet geheel wolkeloos, maar aan de gezichtseinder was een volkomen heldere, open hemelstrook, waarin de zon neerdaalde. Toen driekwart van de ellipsvormige zonneschijf onder de horizon verdwenen was, nam ik mijn trouwe kijkertje ter hand en volgde daardoor, gespannen (en voor de zoveelste maal), het snel slinkende overgebleven zonnesegment. De kleur was, zoals meestal als er weinig waterdamp in de atmosfeer is, verblindend oranjerood, bijna tot het laatst toe. Maar gedurende een fractie van een seconde veranderde de kleur van de laatst zichtbare, lichtende zonnestreep in helder groen. Die kleurverandering gebeurde zó plotseling en zó flitsend, dat het in mijn herinnering is als een soort van groene uitbarsting, waar ik helemaal beduusd van was. Onmiddellijk daarna vroeg ik mij af: wat heb ik eigenlijk gezien? Ik zal die vraag misschien beter kunnen beantwoorden, als de 'Straal' zich een tweede maal aan mij wil openbaren. Voorlopig kan ik het geval niet beter onder woorden brengen, dan door te zeggen: het was als een geluidloze, groene knal. 

Zonsondergang en 'Groene Straal' vormen een geschikte inleiding tot de nachtelijke sterrenhemel. Het zuidelijkste punt van onze reis bereikten wij op ongeveer vijf graden noorderbreedte, toen wij het Panamakanaal uitkwamen. In de daarop volgende dagen ging de zon omstreeks kwart over zes onder. Hij dook, onder een betrekkelijk steile hoek, onder de kim, en de schemering duurde dan ook niet langer dan een half uur. Vóór wij, om zeven uur, aan tafel gingen, was er dus ruim voldoende tijd om de geleidelijke overgang van dag in nacht in zijn geheel bij te wonen. Als er geen maan was, werden de eerste nachtelijke hemellichten al zichtbaar terwijl de gloeiende zonnebol nog maar nauwelijks achter de horizon was verdwenen. Drie heldere planeten kwamen dan achtereenvolgens tevoorschijn: Venus het eerste, vlak achter de zon aan; dan Jupiter, een heel eind verder en hoger aan de hemel; tenslotte Saturnus nog een klein eindje verder weg. Het was elke keer weer een voldoening om, aan de hand van die drie eerste lichtende punten, met als vierde soms de maan, de boog van de ecliptica langs het hemelgewelf met de ogen te kunnen volgen, vóórdat de sterrenbeelden van de dierenriem te zien kwamen. Terwijl het blauw van de lucht steeds donkerder en zwarter werd, vertoonden zich daarna geleidelijk en één voor één, de vaste sterren, totdat de hele hemel er mee bezaaid was. Waar is ooit een betere gelegenheid te vinden om rustig te genieten van de sterrenhemel, dan op het pikdonkere voordek van een schip, dat in zuidelijke wateren vaart? In de zoele nacht kun je languit op je rug op een dekzeil gaan liggen, en als je dan een zaklantaarntje en een sterrenkaart bij je hebt, dan kun je op je gemak de eeuwige figuren van de sterrenbeelden in je geheugen prenten en hen bij hun namen noemen. Boven je hoofd, als een lichtende boog, welft zich de Melkweg, van horizon tot horizon. Bijna in het zenit vliegt de Zwaan, met z'n lange hals en z'n vleugels wijd uitgespreid. Néneb schittert aan zijn staart en vormt, samen met Wega en Altaïr, de prachtige zomerdriehoek. In 't begin had ik moeite om de weg te leren kennen nabij de zuidelijke kim, want daar staan, als je dicht bij de evenaar bent, de Schorpioen en de Schutter hoger aan de hemel te flikkeren, dan je ze in Holland kunt zien. Het herkennen van hun twee karakteristieke figuren werd verleden najaar bovendien bemoeilijkt door Jupiter en Saturnus, die er middenin stonden, als katten in een vreemd pakhuis, en het kostte mij in het begin nogal wat moeite om die twee planeten van hun omgeving te abstraheren. Maar als je, avond aan avond, de sterrenkaart in natura kunt bestuderen, dan raak je ten slotte tóch vertrouwd, zelfs met zulke ongewone combinaties en dan wordt de hele hemel een landschap, waarvan je elke figuur leert herkennen.

Het heeft mij altijd gehinderd als iets onbetamelijks, dat er nog zoveel mensen zijn, voor wie de hemel niets anders bevat, dan een troep ongeordende, lichtende puntjes. Ik zie niet in, waarom wij hier beneden wél een huis, een boom of een bloem zouden herkennen, en daarboven in het uitspansel niet bijvoorbeeld de rode Areturus, die aan zijn sterrenbeeld Boötes hangt als een gondel aan een luchtballon. En dit alles heeft niets met astronomische kennis te maken (maar nóg minder met astrologie!). Men kan, zoals ik, een volslagen leek zijn op sterrenkundig gebied, en zich tóch verlustigen in de herkenning van al die eerbiedwaardige en markante figuren, die des te sterker gaan leven, al naar mate je ze beter leert kennen. 

Ik zal dit sterrenrelaas beëindigen met de Plejaden, die ik eens uit zee óp heb te zien stijgen. Wanneer en waar is in Holland de atmosfeer ooit zo vrij van stof en nevel, dat je de sterren scherp kunt zien, tot aan de horizon? Op een avond zag ik een lichtje aan de kim verschijnen en na een ogenblik vlak daarbij een tweede. Ik dacht: dat zijn de lichten van een schip, dat ons in de verte voorbij vaart. Maar toen kwam er een derde en een vierde en ten slotte waren het er zeven op een hoopje en ja, toen herkende ik de Plejaden, die als een spookschip met volle zeilen ten hemel voeren. 

Tot zover de sterren. Maar nu de maan. Ja, maar wat moet ik eigenlijk van de maan vertellen, dat niet iedereen al weet? We kennen haar allemaal en je hoeft heus geen zeereis te maken, om haar beter te zien dan in Holland. Maar wél heb je, rustiger dan in het dagelijkse leven, gedurende de lange, luie, warme nachten op zee, de gelegenheid, om je over haar te verwonderen en om je afte vragen, wát zij voor ons betekent. Ik heb daarover liggen filosoferen, languit in mijn dekstoel, terwijl zij op mij neerkeek, als een grote lamp, hoog boven de zee. Toen heb ik mij voorgesteld, welke betekenis zij zou kunnen hebben voor vier verschillende categorieën van mensen.

Ten eerste een dichter. Hoe ziet een dichter de maan? Ik ben zelf niet erg dichterlijk aangelegd en ik excuseer mij dan ook bij voorbaat tegenover de mogelijke dichters of dichterlijk-geaarde mensen van dit gezelschap, als ik ze verkeerd beoordeel. Ik stel mij dan voor, dat een dichter, als gevoelsmens, zichzelf in de maan projecteert, dat zij voor hem een attribuut wordt van zijn eigen 'ik', want een dichter praat nu eenmaal dikwijls en graag over zijn eigen gevoelswereld. De kwaliteit en de kleur van het maanlicht beïnvloeden of accentueren zijn gemoedstoestand. Hij gebruikt haar als een symbool, als een middel om een bepaalde stemming te suggereren. Zij is een middel voor hem, om er een bepaalde sfeer mee aan te duiden. Al naar het in zijn kraam te pas komt, spreekt hij over 'een bloedrode maan', of over 'het kille maanlicht', of over 'het zilveren licht der maan'. En in een uitdrukking als 'het verbaasde gezicht der maan' is zij voor hem zelfs tot een directe spiegel van het menselijk gelaat geworden. 

Tweede vraag: Wat betekent de maan voor een astronoom? Als hij haar wetenschappelijk benadert, dan bekijkt hij haar, volkomen onafhankelijk van zichzelf, als toeschouwer, als een, in het heelal aanwezig studieobject. Zij is een nagenoeg bolvormige, duistere klomp materie, die hem belang inboezemt; haar afhankelijkheid van de aarde, en haar betekenis ten aanzien van de andere hemellichamen, wenst hij te doorgronden en in exacte termen en cijfers uit te drukken. Hij verzamelt, door middel van waarnemingen en berekeningen, een macht van gegevens over haar, waarvan hij weet, zo zeker als een mens op een bepaald moment van de menselijke evolutie, iets zeker weten kan, dat ze met de werkelijkheid kloppen.

Ten derde: hoe kijkt een onverschillig mens naar de maan? Hij heeft natuurlijk gehoord, of op school geleerd, dat het een bal is, die alsmaar om de aarde draait, maar dat laat hem volkomen onverschillig. Ze is véél te 'gewoon' om je druk over te maken, net even gewoon als een straatlantaarn, alleen minder praktisch. De maan prikkelt zijn belangstelling op geen enkele manier; hij kan er zich onmogelijk over verwonderen. Hij verwondert zich trouwens zelden, over wat dan ook. Zij is voor hem een lichte schijf, een ronde, platte, witte koek, waaruit, nu eens meer en dan weer minder, een hap mankeert. 'En voor de rest', zegt de onverschillige, 'kun je naar de maan lopen', waaruit blijkt, dat er voor hem geen verschil is tussen de maan en de pomp. 

En dan zijn er, ten vierde, nog mensen, die hun verstand wel graag zouden willen gebruiken op een gevoelige manier. Als ze naar de maan kijken, dan proberen ze in de eerste plaats om haar plasticiteit te beleven. Ze hebben er plezier in en het schenkt hen voldoening om haar bol vormigheid met hun ogen af te tasten. Ze vinden het heerlijk om zich te verdiepen, bij voorkeur tijdens haar eerste en laatste kwartier, dus als de zon haar zijdelings verlicht, in de overgang van licht naar schaduw op haar gewelfde oppervlak. Het doet er niet veel toe, of ze precies weten hoeveel kilometer zij van de aarde verwijderd is, want je kunt, ook zonder notie van cijfers, de treffende gewaarwording van het begrip 'afstand' ondergaan. Over het begrip 'afstand' kun je trouwens eindeloos filosoferen, want dat is op zichzelf al onbegrijpelijk. Laten wij even dichter bij huis gaan en de maan voor een ogenblik loslaten, om het raadsel 'afstand' onder de loep te nemen. Eigenlijk ben ik wat huiverig, om wijsheden te verkopen over zintuigelijke waarnemingen in het bijzijn van een zintuig-fysioloog en twee medici, maar ik waag het erop. Als ik een flater bega, dan moeten ze me het later maar eens beter uitleggen. Stel, dat ik in m'n tuin slenter en bij een struik met bloemen blijf stilstaan. Ik kan dan, als het een beetje wil, de aanwezigheid van die struik met vier verschillende zintuigen waarnemen. Ik zie z'n vorm, en de kleuren van z'n bladeren en z'n bloemen; ik ruik hun geur; als ik m'n hand uitsteek, dan voel ik z'n blaadjes en z'n takken, en ten slotte hoor ik ze ritselen als het waait. Maar geen enkele van die vier gewaarwordingen brengt mij een stap nader tot het antwoord op mijn vraag: wat is de afstand tussen die struik en mij? 

Maar ik wou nog even op de maan terugkomen. Toen ik me daar, op m'n vrachtboot, zó zat te verbazen over de afstand tussen haar en mij, dat ik er bijna bang van werd, toen liep mijn blik dus, als het ware, langs een lange rechte baan op haar toe; ik schoot, om zo te zeggen, de pijl van mijn verbeelding op haar af. Ik onderging, ademloos van verwondering, haar stilte, haar schijnbare onbeweeglijkheid, haar roerloze evenwicht in de ruimte. Zij werd voor mij tot een symbool, of beter gezegd: tot een demonstratie van de zwaartekracht, die geen saai, cerebraal begrip is, maar óók al weer: een levende, aangrijpende onbegrijpelijkheid. Gevoel en analyse, zo komt het mij voor, behoeven elkaar niet in de weg te staan, maar zouden elkaar moeten aanvullen. Je hoeft geen natuurkundige te zijn, om het wonder van de zwaartekracht te ondergaan, maar met behulp van je verstand kan het beseffen van een wonder misschien wat dieper worden. Ik weet niet of het waar is, maar ik stel me zo voor, dat er wetenschappelijke onderzoekers zijn, die, langs de wegen der zogenaamde 'koele' verstandelijkheid, méér zoeken naar de diepte van een mysterie, dan naar de oplossing van een vraagstuk. In de dagelijkse sleur van ons bestaan, kan niemand voortdurend in een staat van onbevangen ontvankelijkheid verkeren. Meestal lopen wij allemaal gedwee te slaapwandelen in een tredmolen. Maar, zo nu en dan, blijken wij opeens in staat om de verdoving van ons áf te schudden. Op zo'n helder ogenblik is het, of alles van ons afvalt, wat wij, langzaam, soms met pijn en moeite, hebben moeten leren om maatschappelijk in de pas te lopen. Dan voelen wij ons plotseling weer als argeloze kinderen, die een boeiend spel spelen, zonder zwaarwichtigheid, zonder geleerdheid en zonder aanstellerij. 

Voor een boeiend spel, hebben wij de maan trouwens niet eens nodig. De aarde zelf, die machtige aardkloot, is voor onze fantasie soms al voldoende. Ik geloof, dat de mensen tegenwoordig de 'goede' naam van de aarde méér bezoedelen, dan ze vroeger deden. Ze reizen er omheen in hun ergerlijke vliegtuigen en ze beledigen haar, door te beweren, dat zij kleiner zou zijn dan ze vroeger was. 'De aarde is klein geworden.' Daar heb je die domme, hoogmoedige slogan van de zakenman, die in z'n vliegtuig zit. Hij vliegt zó hoog boven de wolken, dat hij niets meer ziet en niets meer beleeft. Hij stapt in Montreal, in een soort holle sigaar, hij gaat zitten in een leunstoel en, terwijl hij, als een projectiel in de lucht wordt geschoten en, hoog boven de onzichtbare zee, door razende straalmotoren wordt voortgesleurd, verveelt hij zich dood als hij niet eet of slaapt. Na minder dan zeven uren zetten ze hem weer neer op de grond in Schiphol. Zeven uren is nog véél te lang voor die reis, al ben je dan ook de hele Atlantische Oceaan overgestoken. Allemaal maar tijdverlies voor iemand die het druk heeft. Ik vind, dat die KLM langzamerhand wel eens een beetje vlugger kon gaan vliegen. Soms krijg ik 's nachts, vóór ik inslaap, een prachtig visioen. Ik zie dan de aarde, in mijn verbeelding, zweven als een reusachtige sinaasappel, statig en stil, door de zuivere leegte om haar heen. Ik zie haar langzaam wentelen, aan één zijde steeds gekoesterd en verlicht door haar moeder, de zon. Slierten en flarden van wolken omgeven haar, en daar tussendoor schemeren de glinsterende zeeën en de veelkleurige vastelanden, met hun dampige vlakten en hun besneeuwde bergtoppen. En ik zie de hete, gele woestijnen en de stijf bevroren poolkappen. Ik ben zó ver van die prachtige aarde verwijderd, dat het gekrioel van de mensen in hun steden natuurlijk allang niet meer zichtbaar is. Of dat nou wel zo gelukkig is, als het mij, op dat ogenblik, toeschijnt, dát is zéér de vraag. Maar het is een feit, dat mijn visioen zó mooi, zó rustig en zó vol van vrede is, dat ik daarna meestal gauw inslaap. En daarom is dit, dunkt mij, tevens het beste ogenblik om, althans voor vandaag, maar op te houden met dit verhaal.

 

1960 ontwerpt Escher dit tegel tableau voor de aula van het Eerste Vrijzinnige Christelijke Lyceum, Den Haag. Het is uitgevoerd in twee kleuren


Band van Möbius1, vierkleurenhoutsnede, maart 1961


Vier regelmatige lichamen, driekleuren houtsnede, mei 1961 


Vierkantlemiet, tweekleren/houtsnede, april 1964


Lees meer →