M.C. Escher

Zwitserland en België

Zwitserland en België 1935 -1941

De Schiblers in Steckborn bieden de familie Escher onderdak tot deze in september 1935 de villa Les Clèmatites in Château-d'Oex kan betrekken. Escher zelf heeft echter in Nederland nog veel te doen; op 27 juli komt hij bij zijn ouders in Den Haag aan, waar hij ruim een maand zal blijven logeren.

In deze maand voert hij verscheidene besprekingen. De eerste is met zijn neef Anton Escher, directeur van een machinefabriek. Deze vraagt hem, een vignet voor zijn bedrijf te maken. te gebruiken op briefpapier en enveloppen. Escher verricht enig studiewerk en maakt schetsen; terug in Zwitserland zal hij ze tot een houtsnede uitwerken.

Met de PTT en met drukkerij Enschedé praat hij over ontwerp voor de luchtvaartfondspostzegel. Men stelt enige wijzigingen voor; op 18 augustus heeft Escher een gewijzigd ontwerp klaar. waarover alle betrokkenen zeer tevreden zijn. Bij Enschedé mag Escher de proefdrukken komen bekijken en zelf de kleur uitkiezen. De (bruine) postzegel wordt uitgebracht op 16 oktober.

Half augustus logeert Escher een paar dagen bij zijn vriend Bas Kist in Amsterdam. Hij brengt daar een bezoek aan Artis, waar hij kennismaakt met de conservator van de insecten afdeling. Deze geeft hem een opgezette libel (glazenmaker) mee. Dit zal leiden tot een houtgravure in maart 1936.

Tussen alle bezoeken door is Escher drie weken lang bezig met een zeer gedetailleerd, liefdevol portret van zijn vader. Als hij eindelijk een bevredigende voorstudie heeft, zet hij het portret in een paar dagen op een lithosteen. Op 25 augustus zijn de afdrukken klaar; ze zijn niet voor de verkoop bestemd. Escher geeft ze aan familieleden.

In zijn boek Grafiek en tekeningen zal Escher later over deze litho vermelden: 'Bij het grafische portretteren van iemand met sterk asymmetrische gelaatstrekken, gaat de gelijkenis grotendeels verloren op de afdruk, die immers het spiegelbeeld is van het originele werkstuk. Daarom werd in dit geval een «tegendruk» gemaakt. d.w.z. terwijl de drukinkt op het vel van de eerste afdruk nog vochtig was, werd deze afgedrukt op een tweede vel papier, waarop de spiegeling dus is opgeheven. Het «bewijs» levert de handtekening van de geportretteerde, die hij met lithografisch krijt, op de steen zetten en die hier, twee maal gespiegeld, conform aan het origineel, zichtbaar is.

 

SNEEUW IN ZWITSERLAND

Op 29 augustus vertrekt Escher weer naar Steckborn. vanwaar hij met zijn gezin naar Cháteau- d'Oex reist. De eerste brieven daarvandaan zijn niet bepaald juichend. Het leven is er veel duurder dan ze gewend waren. George sukkelt met zijn gezondheid en Jetta beklaagt zich over de stilte en de geïsoleerdheid. Escher werpt zich echter energiek op zijn werk. Half september is de houtsnede voor zijn neef af: het vignet stelt een lasser voor, aan het werk in een dilbalk Anton is zeer tevreden. In oktober ontstaan twee kleurenhoutsneden een grote. in drie kleuren, van de Verdi voor anker bij Senglea en een kleinere in twee kleuren, van een tempel ruïne in Selinunte beide voortgesproten uit zijn voorjaarsreis met Haas Triverio. In november volgt een bewerkelijke litho, een kopie naar Jeroen Bosch.

Geleidelijk raken de Eschers beter gewend aan hun nieuwe omgeving. De kinderen hebben het er best naar hun zin, zoals verderop zal blijken. Jetta krijgt van de huiseigenaar een piano in bruikleen; ze studeert er intensief aan en geeft George les. Escher zelf is inmiddels lid geworden van de plaatselijke schaakclub en schaakt veel. In de winter kunnen ze volop skiën, vooral Jetta doet het uitstekend. 

Begin december gaat Escher werken aan een litho van een besneeuwde boerenschuur. Op 1 januari 1936 laat hij die afdrukken: hij is er echter niet tevreden over. Zijn zoon George zal zich dat later nog levendig weten te herinneren.

In een brief aan C. V. S. Roosevelt (1975) schrijft hij hierover: 'Het was onze eerste winter in Cháteau-d'Oex en, als negenjarige jongen die aan Romeinse winters gewend was. genoot ik geweldig van de sneeuw. Ik vond ook de litho mooi van de schuur op een paar honderd meter van ons huis, die hij net af had. De eenvoud ervan sprak me aan, en ik vond er veel in van de dingen die me gelukkig maakten in onze nieuwe omgeving: het ongerepte, zachte, egale van het besneeuwde landschap, het knusse, geïsoleerde leven op een boerderij, het geheimzinnige van de laaghangende wolken. Bovendien vond ik het intrigerend dat het dak in de heuvel overliep. Ik was dus geschokt door vaders afschuw over de armetierigheid van de prent en zijn verdriet omdat hij de rijkdom en warmte van de Italiaanse landschappen kwijt was geraakt. Hij moet erg van streek zijn geweest, want zijn emotie is mij door al deze jaren heen bijgebleven en heeft zich even sterk in mijn geheugen gegrift als, bijvoorbeeld, zijn relaas over de dood van zijn vader of over de puinhopen van Rotterdam. waar hij een paar dagen na het Duitse bombardement doorheen liep'.

 

Villa Les Clématites in Château dÓex

George en Artus

George en Artur aan het sleeën in de tuin van Les Clématites

AFSCHEID VAN EEN HARTSTOCHT

In het winterse Château-d'Oex is het geliefde Zuiden niet uit Eschers gedachten. In overleg met Jetta besluit hij een poging te doen, in het voorjaar een lange reis langs de kusten van de Middellandse Zee te organiseren. Op 1 februari schrijft hij een brief aan de Italiaanse rederij Adria te Fiume (het tegenwoordige Rijeka), wier stoomschip Verdi hij het vorige jaar had geportretteerd op de rede van Senglea. Een afdruk van de betrokken houtsnede stuurt hij mee.

In de brief stelt hij voor, dat de rederij voor hem een zeereis zal verzorgen van Fiume naar Valencia en terug, plus voor Jetta passage van Genua naar Valencia vice versa. Hij zou de reis naar willekeur moeten mogen onderbreken, om deze daarna met een volgend schip van de rederij voort te zetten. Hij stelt zich voor, van iedere aangedane havenplaats een prent te vervaardigen. Bij wijze van betaling voor de reis van hem en Jetta zou Adria dan van iedere prent een paar afdrukken krijgen, en die vervolgens naar eigen goeddunken mogen gebruiken.

Escher verwacht eigenlijk niet, dat de rederij zonder meer zal 'happen'. Tot zijn verbazing komt er echter al na een paar dagen een positieve reactie op zijn voorstel. De reis, die ruim twee maanden zal duren (van eind april tot eind juni), markeert een uitermate belangrijk punt in Eschers leven, zoals later zal blijken. In feite neemt hij hiermee definitief afscheid van zijn hartstocht, het zonnige Zuiden, met alle dingen die hem zo dierbaar zijn: het landschap, de architectuur en de mensen. 

 Op 13 mei 1936, als ze in Savona liggen, neemt Escher deze foto van en door de patrrijspoort van zijn hut op de Rosinni

Op 13 mei 1936, als ze in Savona liggen, neemt Escher deze foto van en door de patrrijspoort van zijn hut op de Rosinni

tekening van patrijspoort.

Op dezelfde dag begint Escher aan een tekening van die patrijspoort. Pas op 21 juni maakt hij de tekening af. Nu met patrijspoort vande Paganini als model. De cirkelvormge tekening van het bootje is op de grotere tekening geplakt


DE REIS 

Op 26 april vertrekt Escher uit Cháteau-d'Oex. In Montreux neemt hij de sneltrein naar Triëst. Het weer is daar prachtig, 'na vele dagen sneeuw en wind in ons bergdorp', zoals hij in zijn reisdagboek noteert. Hij vindt het heerlijk het welbekende citroenenland weer te betreden; gelijk de intrede in een geliefd huis. De volgende dag arriveert hij in Fiume, waar hij eerst zijn bagage aan boord brengt van de Rossini. Daarna gaat hij naar het 'grandioze administratiepaleis' van Adria. Hij wordt er met alle egards behandeld: men stelt hem voor aan 'zijn' kapitein, aan wiens speciale zorg hij wordt toevertrouwd, en hij krijgt een brief mee ter voorkoming van moeilijkheden met politie in havens. Eventuele reiskosten naar plaatsen in de buurt van havens zullen worden vergoed. Aan boord zal hij over alle mogelijke luxe kunnen beschikken, zoals 'wijn bij het eten'.

De rederij beschikt over een uitgebreid archief van foto's van havenplaatsen. Escher brengt enige uren door met het bekijken ervan en kiest uit wat hem het beste bevalt. Dan gaat hij aan boord; om zeven uur 's avonds worden de ankers gelicht. De volgende dag zijn ze in Venetië. Hij wordt zonder problemen toegelaten op de loggia van de eerste verdieping van het Palazzo Ducale aan het San-Marco-plein. 'Vandaaruit tekende ik het Isola di San Giorgio Maggiore tussen de fraai geciseleerde kolommen van de loggia.' Dit zal een houtsnede opleveren.

Op 30 april meert de Rossini af in Ancona. Escher vermeldt: ik vind al gauw een mooi kerkje (Santa Maria della Piazza) met Romaanse gevel, dat ik ga tekenen vanaf de derde verdieping van een tegenovergelegen huis, waar men mij goedgunstig gastvrijheid geeft.' Ook hiervan zal hij een houtsnede maken. De dag daarop zijn ze in Bari. Escher huurt met vijf mede passagiers een auto om naar het ruim vijftig kilometer verderop gelegen Alberobello te gaan. Hij tekent en fotografeert er de 'Trulli', merkwaardige huisjes met ronde puntdaken.

De volgende havenplaats is Catánia, op Sicilië: twee dagen varen. Escher maakt van de gelegenheid gebruik om een tekening te maken van het voorschip van de Rossini. Ook dit zal tot een houtsnede leiden. In Catánia tekent en fotografeert hij scheepjes in de vissershaven. Hiervan zal hij later een compositie in houtgravure maken, met de Etna op de achtergrond.

Op 4 mei reist hij met drie medereizigers per trein naar Giarre, 'om er dezelfde lavastroom (van 1928) te zien, die ik reeds drie jaar geleden zag en tekende'. 'Ik vond er een bijzonder typisch onderwerp: een huis met mooie palm erachter, gespaard door de hevige lava verwoesting en geheel door zwarte lava omringd.' Dit zal resulteren in één van Eschers mooiste landschap litho's, 'waarbij veel gebruik is gemaakt van het «springstaal», een zeldzaam toegepaste lithotechniek’, zoals hij in 1971 aan zijn uitgever zal schrijven. Op 5 mei doet de Rossini Malta aan, voor Escher 'niets nieuws', en gaat daarna naar Sicilië terug. Na twee dagen in Messina, dat 'werkelijk niets moois als stad biedt', varen ze langs de noordkust naar Palermo. Bij het ronden van de kaap komen ze vlak langs de kust van Calabrië. Escher noteert: 'o.a. herken ik duidelijk Scilla, waar ik zes jaar geleden twee dagen lang in gezelschap van Haas vertoefde en tekende'.

 

JETTA ARRIVEERT 

Van Palermo gaat de reis verder naar Napels, Livorno en Genua, waar ze op 11 mei de haven binnenvaren. 's Avonds arriveert Jetta met de trein. De volgende dag bekijken ze de stad. Escher vindt een fraai onderwerp voor een tekening, die hij op de terugweg wil maken: de Piano di Sant' Andrea, vlak bij het huis van Columbus. De agent van Adria zal toestemming voor hem regelen om dit vanaf het terras van het hoofdpostkantoor te tekenen.

Op 13 mei varen ze door naar Savona. Ze blijven daar maar kort liggen; daarom gaan de Eschers niet van boord. Hij begint aan een tekening van de patrijspoort in hun hut. Op 14 mei arriveren ze in Marseille. Ze bekijken de stad; Escher neemt zich voor, op de terugweg het uitzicht vanaf de Pont Transbordeur te tekenen. De volgende dag zijn ze in Barcelona, vanwaar ze een uitstapje naar Montserrat maken.

Op 16 mei komen ze in Valencia aan; hier nemen ze afscheid van kapitein en officieren van de Rossini. Ze nemen hun intrek bij de familie Gaffuri, oude kennissen van vader Umiker. De Gaffuri's rijden hen per auto overal rond. Ze bekijken Valencia, Cuenca en Sagunto. Op 19 mei schepen ze zich weer in, ditmaal op een Spaans vrachtschip: de Altube Mendi uit Bilbao, die aanmerkelijk 'minder netjes' is dan de Rossini. 'Het uur van vertrek', meldt Escher, blijkt een rekbaar begrip, gelijk vele dingen in Spanje op 't ogenblik. In het algemeen is de politieke toestand uiterst precair en ik denk, dat het onze laatste kans is in deze maanden om hier relatief rustig te kunnen rondreizen.' Hij heeft het bij het rechte eind, getuige het feit dat op 18 juli de Spaanse burgeroorlog zal uitbreken.

Op 20 mei zijn ze in Alicante, vanwaar ze per bus Elche bezoeken. In Cartagena, waar ze de volgende dag arriveren, tekent Escher het uitzicht op de fraaie haven. Dat komt hem bijna duur te staan: als de tekening zo goed als af is, komen twee politieagenten op hem af. Mee naar het bureau! Cartagena is een oorlogshaven, tekenen is streng verboden. Het militaire commando komt eraan te pas; tenslotte loopt de zaak met een sisser af, maar zijn tekening wordt in beslag genomen. Het ontbreekt er nog maar aan, dat hij zijn boot mist; gelukkig blijkt de kapitein bereidt, een uur op hem te wachten.

VisserhavenVissershaven 2

Twee foto's van de vissershaven van Catania, Sicilië, gemaakt op 3 mei 1936. Eschershoutgravure Catania laat als het ware een ombinatie van deze foto's zien, met de etna op de achtergrond


Op 22 mei gaan ze in Almeria weer van boord. Per autobus reizen ze over Motril naar Granada, een 'buitengewoon karakteristieke rit'. Meteen de volgende dag tijgen ze naar het Alhambra: 'dit heerlijke aristocratische kunstwerk volop genoten'. 's Middags beginnen ze majolica motieven te kopiëren. 'Welk een contrast: de rustige, verheven en patriciale paleizen daarboven en de vuile, verwaarloosde, verrottende stad daaronder!' Ook de dag erna wordt doorgebracht met het kopiëren van majolica en stucmotieven; op hun hotelkamer gaan ze nog lang door met het uitwerken van hun schetsen.

Op 25 mei brengen ze per autobus een bezoek aan Guadix, waar ze het karakteristieke grottengebied fotograferen en tekenen. 'Buitengewoon interessant en typisch, zowel wat de woningen met de witte façades, de schoorstenen die uit de rotsen te voorschijn komen, de löss-formatie waarin de grotten gegraven zijn, als wat de horizon betreft. Het geheel had een zeer onwaarschijnlijk, droomachtig voorkomen; iets als een maanlandschap, met maanbewoners.'

De volgende dag wordt weer geheel gevuld met het kopiëren van motieven in het Alhambra, en het uitwerken van de schetsen. Op 27 mei reizen ze naar Ronda, met een stokoude, hotsende trein. Ze blijven er een paar dagen om te tekenen. Op de avond van 30 mei vertrekken ze naar Córdoba, waar ze de volgende morgen de kathedraal (Mezquita) bezoeken. 's Middags gaan ze naar een stierengevecht. Het is gelukkig niet meer zo bloederig als tijdens Eschers vorige verblijf in Spanje; de paarden worden nu door matrassen beschermd. 'Het geheel boeide mij weer zoals vroeger; daarbij is de gehele atmosfeer als geladen met passie, waartegen het onnodig en dom zou zijn zich te verzetten.' Ook Jetta is diep onder de indruk. 

Escher besteedt anderhalve dag aan een tekening van 'het woud van zuilen' in de Mezquita. Later kopieert hij er Moorse baksteenmotieven. Op 3 juni reizen ze weer verder, nu naar Sevilla. Ze bekijken er onder meer het Alcazar, welk paleis tegenvalt, na het Alhambra.


Het 'woud van zuilen' in de kathedraal La Mezquita in Córdoba, tekening, 2 juni 1936

Maar de tuin 'is wel de mooiste die ik tot nu toe zag'. Ze hadden per vrachtschip van Cádiz naar Valencia willen terugreizen, maar een staking van bootwerkers gooit roet in het eten. Daarom gaan ze nu maar per trein; op 5 juni vertrekken ze. De zevenhonderd kilometer lange reis blijkt geen pretje; hun coupé, hoewel eerste klas, is 'in een liederlijke staat van vervuiling'. De volgende dag schepen ze zich in Valencia in op de Paganini, een zusterschip van de Rossini. 'Onze boot lijkt ons, na al de viezigheid in Spanje, een wonder van properheid'.


Majolica in het Alhambra, tekening, 24 mei 1936

Op 7 juni varen ze weer. De reis gaat eerst naar Marseille, waar ze de volgende dag aankomen. Escher tekent er het gezicht op de Nôtre Dame de la Garde vanaf de Pont Transbordeur, later tot een houtsnede verwerkt. Dan gaan ze verder naar Savona, waar ze op 10 juni arriveren. Deze keer is er wel tijd om te tekenen. 'Ik vond een aardig oud straatje, tussen hoge huizen, dat ik tekende vanaf de eerste verdieping van een winkel.' Het straatje is later in een houtsnede 'nieuwe stijl' terechtgekomen. Nog diezelfde dag varen ze door naar Genua, een kort reisje. Op 12 juni vertrekt Jetta daarvandaan per trein naar Cháteau-d'Oex.

 

DE HEERLIJKSTE TIJD HAAST VAN ZIJN LEVEN 

De agent van Adria heeft intussen voor de beloofde permissie gezorgd, zodat Escher op het terras van het postkantoor een tekening kan maken van 'de fraaie torens, beter gezegd: poort, van het 'Piano di Sant' Andrea', met als resultaat weer een houtsnede.

Van Genua varen ze naar Livorno, waar Escher de trein naar Pisa neemt. Hij beklimt er de beroemde scheve toren en maakt vanaf de eerste omgang een tekening van de kathedraal, de basis voor nog een houtsnede. Nog dezelfde dag keert hij naar Livorno terug.

Op 15 juni komen ze in Napels aan. Escher bezoekt een benedictijnenklooster in de buurt. Naar aanleiding van een gesprek met een Duitse medepassagier noteert hij 's avonds in zijn reisdagboek: 'Hoe ongelukkig, verward en geestdodend is toch de hedendaagse politiek. De Europese mensheid in het algemeen doet mij denken aan een mens die bezig is in een moeras te verzinken, langzaam maar zeker; al zijn pogingen om zich te redden zijn vruchteloos: hij zinkt steeds dieper. Waar men zijn blik ook heen wendt in de wereld, men ziet niets dan troosteloze ellende en het gevaar: oorlog, bankroet, revolutie, wordt allerwege groter. Hoop op een betere toekomst is er voor de objectief en onpartijdig toekijkende mens, niet. Een bootreis zoals deze is als een oase van rust.'

Dan gaat de reis verder naar Sicilië. Op 16 juni zijn ze in Palermo, waar Escher een mummie tekent in een catacombe. De volgende dag krijgt hij, in Messina, een felicitatietelegram van Jetta: 'zodat het mij inviel jarig te zijn', vermeldt hij. Intussen loopt ook de Rossini de haven van Messina binnen; natuurlijk gaat hij even aan boord om kapitein en officieren te groeten. Daarna wil hij de Rossini tekenen, met een stuk van de boeg van de Paganini erbij. Maar al gauw komt een 'carabinieri' het hem verbieden. 'Grotere idioten dan in Messina zijn er blijkbaar niet te vinden', schrijft Escher woedend in zijn dagboek.

Op 18 juni doen ze Malta aan. Hij tekent de haven, met Senglea op de achtergrond. Vervolgens varen ze naar Catánia, en vandaar naar Bari. Op 21 juni maakt hij de tekening van de patrijspoort af, die hij op de heenweg aan boord van de Rossini was begonnen. Hieruit zal een houtsnede ontstaan. Op 23 juni meren ze af in Fiume, de thuishaven. "s Middags bezocht ik, gewapend met al mijn werk, de heer Marà [hoofd van het kantoor] in het Adria gebouw. Hij toonde zich zeer enthousiast en tevreden over de voorlopige resultaten van mijn werk en bijzonder coulant wat mijn verdere plichten betreft. Marà vergoedt de door Escher gemaakte onkosten en spreekt met hem af, dat Adria steeds vier afdrukken zal krijgen van in totaal twaalf prenten: negen 'overgehouden' van de reis en drie van eerder datum.

De Paganini vaart nog door naar Triëst, waar Escher op 25 juni een 'melancholiek' afscheid neemt van het schip. Dan gaat hij met de trein door naar Venetië, waar hij de Biënnale bezoekt, die net wordt gehouden. Er hangen vier prenten van hem, waarover hij 'zeer matig tevreden' is. Via Bern reist hij verder naar Cháteau-d'Oex, waar hij 28 juni arriveert. Een droom is ten einde.


Eén van de eerste systematisch vlakverdelingsstudies van Escher, oktober 1936

 In juli maken Escher en zijn vrouw een lange voettocht, langs een drietal Zwitserse meren. Daarna gaan ze, met George, bij Eschers ouders in Den Haag logeren. Op 4 augustus komen ze daar aan. Onderweg hebben ze een nacht bij broer en schoonzuster in Brussel doorgebracht. Het is daar zo goed bevallen, meldt vader Escher in zijn dagboek, dat ze erover denken, daar ook te gaan wonen. Cháteau-d'Oex is te duur, te afgelegen en te vervelend. Escher vertelt vol gloed over de bootreis door de Middellandse Zee. Op 5 augustus noteert zijn vader: 'Het was voor hem, ook door zijn arbeid, de heerlijkste tijd haast van zijn leven.' In Den Haag begint Escher aan zijn eerste op de reis geïnspireerde prent: de litho Huisje in de lava. Bij het afdrukken ontstaan problemen, zodat Escher spoorslags naar de drukkerij moet om correcties aan te brengen. Maar het resultaat is uitstekend. Intussen houdt hij zich ook bezig met een probleemstelling die met tussenpozen steeds weer in zijn leven zal opduiken: het zichtbaar maken van muziek, via een grafische voorstelling. Hij praat er met zijn vader over, die later in zijn dagboek aantekent dat zijn zoon zozeer van het probleem vervuld is dat het hem slapeloze nachten kost. Op 1 september vertrekt de familie weer naar Zwitserland. Ze gaan via Brussel, om naar een huis uit te kijken, vooralsnog zonder resultaat.

 

EEN NIEUWE KOERS 

Na Eschers afscheid van het zuiden slaat hij met zijn werk een richting in die uiteindelijk naar zijn grote bekendheid zal leiden. Voortaan houdt hij zich, op een enkele uitzondering na, niet meer bezig met het weergeven van waarnemingen maar met het construeren van eigen beeldgedachten. Die beeldgedachten handelen over de regelmatige vlakverdeling, de onbegrensde ruimte, ruimtelijke kringen en spiralen, spiegelingen, inversie, polyeders, relativiteiten, het conflict tussen plat en ruimtelijk, en onmogelijke bouwwerken. Al in zijn Haarlemse tijd en ook een enkele maal in zijn Italiaanse jaren deed hij aarzelende stappen in deze richting, maar pas nu krijgen ze systematisch vorm en gaan ze hem geheel absorberen. Hij heeft het gevoel, dat hij tot dan toe met niet meer dan slechts vingeroefeningen is bezig geweest.

De wetmatigheden die Escher tot aan zijn dood het meeste zullen blijven fascineren, zijn die van de regelmatige vlakverdeling. Al in zijn Haarlemse tijd experimenteerde hij hiermee. Toen bezocht hij, in oktober 1922, voor de eerste keer het Alhambra. 'Het aan elkaar passen van congruente figuren, waarvan de gedaante daarenboven in de beschouwer de associatie wakker roept met een voorwerp of met een levende natuurvorm, begon mij na die eerste Spaanse reis in 1922, nog meer te intrigeren', zal Escher in 1941 schrijven, in een artikel in De delver, een kunsttijdschrift.' En hoewel mijn belangstelling toen voornamelijk uitging naar de vrije grafische kunst, kwam ik zo nu en dan op de hersengymnastiek mijner puzzelarijen terug. Omstreeks 1924 bedrukte ik voor de eerste maal een stuk stof met één enkel in hout gesneden diermotief, dat zich volgens een bepaald systeem herhaalt, daarbij steeds vasthoudende aan het principe dat er geen «lege plekken» mogen voorkomen. Ik stelde dit bedrukte doek tentoon, met mijn andere werk, maar had er geen succes mee; omstandigheid waaraan het mede te wijten is dat ik pas in 1936, na een tweede maal het Alhambra te hebben bezocht, een groot deel van mijn tijd wijdde aan het puzzelen met diervormen.

Dat Escher zich na 1936 in de aangegeven richting ontwikkelt, is niet alleen te danken aan dat tweede bezoek aan het Alhambra, maar ook aan het vertrek uit Italië. In 1959 zal hij hierover schrijven (in de inleiding van Grafiek en tekeningen): 'In Zwitserland, België en Nederland, waar ik mij achtereenvolgens vestigde, treffen de uiterlijke verschijningsvormen van landschap en architectuur mij minder dan met name in het zuidelijk deel van Italië. Noodgedwongen moest ik mij dus wel verwijderen van een min of meer directe en natuurgetrouwe weergave van mijn omgeving. Deze omstandigheid stimuleerde ongetwijfeld in hoge mate het ontstaan van innerlijke beelden.' Eén van de eerste systematisch vlakverdelingsstudies van Escher, oktober 1936.

Over zijn prenten na 1936 schrijft Escher in dezelfde inleiding, dat ze zijn vervaardigd 'om een bepaalde gedachtegang duidelijk te maken. De ideeën die er aan ten grondslag liggen getuigen veelal van mijn verwondering over en mijn bewondering voor wetmatigheden die de ruimte om ons heen bevat. Wie zich verwondert, geeft zich rekenschap van een wonder. Door zintuigelijk open te staan voor de raadsels die ons omringen en door mijn gewaarwordingen te overdenken en te analyseren, kom ik in de buurt van het domein van de wiskunde. Hoewel exact wetenschappelijke training en kennis mij te enen male ontbreekt, voel ik mij dikwijls meer met mathematici verwant dan met mijn eigen beroepsgenoten'. Aan de systematiek en de deels wiskundige achtergrond van Eschers 'beeldgedachten' zal nog een uitvoerige beschouwing worden gewijd.

 

NAAR BRUSSEL 

In Chäteau-d'Oex werkt Escher hard aan zijn houtsneden en houtgravure voor Adria. In december 1936 heeft hij er al vijf klaar. Korte tijd onderbreekt hij dit werk, om een affiche, een uitnodiging en een aankondiging te maken voor de tentoonstelling in Cháteau-d'Oex die hij samen met de schilder John Paschoud gaat houden, in diens atelier. De tentoonstelling (van 6 tot 14 januari 1937) krijgt goede kritieken en Escher verkoopt er voor een behoorlijk bedrag; 'zoveel verdiende hij sedert lang niet', meldt zijn vader in zijn dagboek.

In maart zijn alle Adria prenten af. De schets die Escher op 10 juni 1936 in Savona maakte, werkt hij uit tot een 'vrije' houtsnede, met een ingenieuze combinatie van twee verschillende waarnemingen. Het blad van een werktafel, volgestapeld met boeken en andere voorwerpen, en een blik in een straatje zijn samengevoegd in één perspectief, zodat het één werkelijkheid lijkt: een onmogelijke werkelijkheid, dat wil zeggen één die alleen als 'beeldgedachte' kan bestaan. Dergelijke onmogelijke constructies zal Escher nog verscheidene malen in prenten gestalte geven.

 Eind maart valt het definitieve besluit om te verhuizen; in juni zullen Escher en zijn vrouw naar Brussel gaan om daar een huis te zoeken. In tussen werkt hij hard aan een nieuwe houtsnede. Eind mei is hij klaar; hij stuurt zijn ouders een afdruk, benieuwd naar hun oordeel. Op 5 juni noteert vader Escher in zijn dagboek: 'Raadselachtige houtsnede, door M. genoemd Metamorphose'. Hij vraagt zich af, of zijn zoon met deze prent een symbolische betekenis heeft bedoeld.

Symboliek speelt bij Escher echter geen rol, althans niet wat deze houtsnede betreft. Na zijn zeereis van het vorige jaar had hij zich met veel energie en vindingrijkheid geworpen op het regelmatig verdelen van het vlak, wat verschillende ontwerpen voor vlakvullingsmotieven had opgeleverd. En daar bleef het niet bij: de volgende stap lag, althans voor Escher, voor de hand. 'In het platte vlak leidde mij de studie der regelmatige vlakvulling vanzelf tot composities die een ontwikkeling of een kringloop of een metamorfose uitdrukken', zal hij in 1941 schrijven (in het al eerder aangehaalde artikel in De delver). In Metamorphose zijn regelmatige vlakverdeling en metamorfose op vernuftige wijze gecombineerd. Een in oktober 1936 ontworpen vlakvullingsmotief (het 'oosterse' mannetje) gaat ongemerkt over in een blokkenmotief (dus van tweedimensionaal in driedimensionaal), dat logisch verder wordt ontwikkeld tot een stadje aan zee (Atrani).

Eind juli arriveren Escher en zijn vrouw in het ouderlijk huis in Den Haag. Ze komen uit Brussel, waar ze een huis hebben gevonden in de zuidelijke voorstad Ukkel, Avenue Saturne 31. Begin augustus zullen ze erin trekken. Jetta blijkt in verwachting van haar derde kind. Escher is bijzonder ingenomen met de school die ze voor de kinderen hebben gevonden: volstrekt neutraal, zonder godsdienstonderwijs, 'wat Jetta liever iets anders zou wensen', meldt vader Escher.

Als de Eschers eenmaal in Ukkel zitten, komen ze geregeld bij Eschers ouders over de vloer, zoals blijkt uit de dagboekaantekeningen van 'de Oude Es'. Deze noteert eind augustus ook dat zoon (Johan) George een dichtbundel [het bezwaarde hart] gaat uitgeven 'met een vignet van Mauk'. Op 30 oktober laat Escher in Den Haag zijn tot dan toe gefabriceerde vlakvullingsmotieven zien aan zijn broer Beer, professor in de geologie, mineralogie, paleontologie en kristallografie in Leiden. Vader Escher meldt: 'Beer vond hierin meer dan ik dacht, in verband met problemen voorkomende in de kristallografie, wat M. zeer verheugde.' Twee dagen later stuurt Beer zijn broer een brief met een uitvoerige literatuuropgave over 'regelmatige verdeling in het platte vlak'. 'Het is allemaal erg theoretisch', schrijft hij, 'maar aan de plaatjes heb je misschien toch wat.'

Escher bestudeert de opgegeven literatuur inderdaad, maar de in de kristallografie gebruikte systematiek bevredigt hem niet. Hij gaat ertoe over, een geheel eigen systeem te ontwerpen; in 1942 zal hij dit vastleggen in een schrift van veertig pagina's, met gekleurde illustraties. Later zal hij nog talloze voorbeelden uitwerken. Uiteindelijk zal dit, in 1965, leiden tot het boek Symmetrie Aspect of M. C. Escher's Periodic Drawings door Caroline H. MacGillavry (in 1976 heruitgegeven onder de titel Fantasy & Symmetry, The Periodic Drawings of M. C. Escher).

Escher aaan het schetsen op het bovendek van de PaganiniStraatje in Savona

Escher aan het schetsen op het bovendek van de PaganiniDit straatje in Savona, door Escher getekend op 10 juni 1936, zal een plaats krijgen in de houtsnede Stilleven en straat

 

GEBOORTE EN DOOD 

De vlakverdelingsprenten volgen elkaar nu in een snel tempo op. In november komt de houtsnede Ontwikkeling 1 klaar. Escher is niet tevreden over de naar binnen gerichte ontplooiing van het motief, er is te weinig 'bewegingsvrijheid' voor de ontwikkelde figuren. De verbeterde versie zal tot februari 1939 op zich laten wachten.

In de wintermaanden knutselt Escher verder aan zijn vlakvullingsmotieven. In zijn prenten zal hij er dankbaar gebruik van maken. Een motief van tegen elkaar in vliegende vogels uit februari 1938 verwerkt hij nog dezelfde maand in een houtsnede die de meest gevraagde van al zijn prenten zal worden: Dag en nacht. Op 6 maart wordt Jan geboren. 'M. vindt zijn derde zoon een prachtkind", meldt vader Escher.

In mei ontstaat de eerste litho metamorfose, van groot formaat. De houtsnede Lucht en water 1, die een maand later gereed komt, krijgt op tentoonstellingen prijzend commentaar van de pers; Eschers 'nieuwe stijl' begint waardering te ondervinden. De journalist 's Gravesande is zo van hem onder de indruk, dat hij het ene lovende artikel na het andere schrijft (een aantal hiervan wordt samengevat in het boekje M. C. Escher en zijn experimenten, een uitzonderlijk graficus, dat in mei 1940 zal verschijnen). Escher leert 's Gravesande persoonlijk kennen; via deze wordt hij geïntroduceerd bij de architect van het nieuwe stadhuis van Leiden, wat zal leiden tot een belangrijke opdracht: het ontwerpen van intarsia panelen voor het stadhuis.

In december 1938 krijgt Escher een opdracht in het vooruitzicht gesteld om een boekje over Delft te verzorgen en met tien houtsneden te illustreren. Opdrachtgever is de Staat der Nederlanden. In januari 1939 maakt hij een proefhoutsnede, waarop hij de definitieve opdracht krijgt. Vanuit het huis van zijn ouders gaat hij in april dagenlang op tekentocht naar Delft; de houtsneden zijn in augustus af, maar het boekje is nooit verschenen. Op 14 juni sterft vader Escher. Zijn zoon tekent hem vol liefde op zijn sterfbed. In een interview met Bibeb van het weekblad Vrij Nederland zal Escher in 1968 vertellen: 'Van mijn vader hield ik veel. Hij heeft altijd grote indruk op mij gemaakt. Ik lijk op hem. Hij was ook een eenzame, zat veel op zijn kamer.'


Eschers tekening van zijn vader op diens sterfbed, 14 juni 1939

 

TERUG NAAR NEDERLAND

Van november 1939 tot maart 1940 werkt Escher aan de vier meter lange houtsnede Metamorphose II, een hoogtepunt in zijn grafische oeuvre, waarin een reeks regelmatige vlakvullingsmotieven via metamorfosen en een enkele gedachten associatie een doorlopend beeldverhaal vormt en tenslotte uitloopt in een herinnering aan Italië (het gezicht op Atrani) en een herinnering aan Cháteau d'Oex (het schaakbord), en vervolgens in een patroon dat identiek is aan het patroon waarmee de prent begint, daarmee dus een kringloop suggererend. Vlak voor de invasie van Nederland en België door de Duitsers, op 10 mei 1940, snijdt Escher een beukenhouten bol met spartelende vissen, een plastische uitwerking van een in maart 1940 op het platte vlak getekend motief. Hij zal tot zijn dood aan deze bolvorm zijn verknocht: een bijna perfect symbool van oneindigheidsbenadering.

 Brussel wordt op I7 mei door de Duitsers bezet. Op 27 mei krijgt Escher bericht, dat zijn moeder is overleden. Het lukt hem pas enige dagen na haar begrafenis om naar Den Haag te komen. In oktober, november en december gaat hij telkens voor een dag of tien naar Nederland voor de regeling van de nalatenschap, voor de uitvoering van de opdracht voor het Leidse stadhuis, om het contact met zijn vele Nederlandse relaties weer aan te knopen en tenslotte om naar een school en een huis in Nederland uit te zien. Er is weinig reden meer om in België te blijven. Besloten wordt om in het rustige Baarn te gaan wonen, waar zij voorlopig een huis huren in de Nicolaas Beetslaan 20. Als de verhuizing op 20 februari 1941 plaats heeft, is George al meer dan een maand leerling van het Baarns lyceum. 


Lees meer →